1998-2023 Ontwikkelingen Grondgebonden Vuursteun en Grondgebonden Luchtverdediging

De inhoud van de Sinte Barbara was natuurlijk een afspiegeling/afgeleide van wat er in de artillerie community in deze afgelopen 25 jaar gebeurde. Op zich was dit niet heel positief met de afbraak van de artillerie tot eerst twee en later naar zelfs één afdeling artillerie geïntegreerd in het Vuursteuncommando. Gelukkig schijnt er nu wat licht aan het eind van de tunnel met het oprichten van de vierde (D) batterij met 6 extra pantserhouwitsers en is er weer zicht op het oprichten van de tweede afdeling artillerie (in totaal 36 pantserhouwitsers) en het invoeren van een raketbatterij bij iedere afdeling. Elke Bt krijgt 2 pelotons met elk 4 lanceerinrichtingen. Daarnaast worden de sensoren (MMR, UAS, akoestiek) in één sensorpeloton onder de HoofdKwartier Bt geplaatst. Ook bij de grondgebonden luchtverdediging deden zich tal van reorganisaties voor. Met name de oprichting DGLC staat hier de laatste 25 jaar centraal.

Daarnaast is de artillerie tijdens de afgelopen periode ook operationeel ingezet. In 1999 en 2000 t.b.v KFor in Kosovo met resp. de 11 AfdRA, 41 AfdVA en de mortieropssporingsradar. Van 2007 tot 2010 de grote inzet in de provincie Uruzgan (Afghanistan) met de pantserhouwitser, Fire Support Teams, Joint Fire Support Coordination Cells en Provincial Reconstruction Teams (PRT’s). Ook tijdens de inzet in het kader van Enhanced Forward Presence (eFP) in 2020 heeft de Artillerie zijn professionalisme getoond.

De Luchtdoelartillerie is in 2005 en 2006 in Bosnië en Hercegovina ingezet bij de EUFOR-missie, wederom in 2004 tot 2010 als Psyops Support teams (ISAF) in Afghanistan. Na de oprichting DGLC heeft in Nederland een inzet plaatsgevonden bij de Nuclear Security Summit (2014). Daarnaast de buitenlandse uitzendingen van de het DGLC naar Turkije (2013), de ondersteuning aan de Duitse MANTIS-missie in Mali (2020-2022), Slowakije (2022) en eFP Roemenië (2022-2023). Tot slot heeft de Duitse eenheid van het DGLC nog tal van Duitse nationale missies uitgevoerd waaronder de eFP in Estland en Litouwen.

Artillerie Ontwikkelingen

In de negentiger jaren is het innen van het ‘vredesdividend’ begonnen met het opschorten van de opkomstplicht en het over gaan naar een beroepsleger. Dit kreeg vorm onder anderen met het opheffen van de Legerkorpsartillerie, door het vervallen van de nucleaire taak (opheffen 129 AfdVA met de Lance raket), maar ook met het opheffen van een parate (102) en mobilisabele (103) Divisieveldartilleriegroep (DivVAGp). In de eerst tien jaar van het nieuwe millennium ging deze inkrimping van de artillerie door met het opheffen van het divisieniveau en de daarbij behorende 101 DivVAGp (2004) inclusief de eenheden die daarbij hoorden, bijvoorbeeld 109 Bt MLRS (2004) en reeds daarvoor de mobilisabele 119 Bt MLRS (2000). Tenslotte werd de 41 LtBrig opgeheven en de Legerplaats Seedorf gesloten. Daarmee kwam ook een einde aan de 41 AfdVA (2005). Uiteindelijk bleven er nog maar twee afdelingen over (11 AfdRA en de nieuw paraat gestelde 14 AfdVA). In 2010 kwam daar tenslotte nog een hele grote reorganisatie overheen (bezuiniging van ca. 1 miljard, 12.000 functies en de afschaffing van de tank). Hierdoor werden in 2015 alle artillerie en zware mortieren, ook die van het Korps mariniers en de Luchtmobiele Brigade, samengevoegd tot een Vuursteuncommando (VustCo).

Verder was er natuurlijk de vervanging van de M109 A2/A3 door de Pantserhouwitser 2000NL (PzH 2000NL) in 2006. De nieuwe vuurmond werd direct operationeel ingezet in Uruzgan (Afghanistan) waarbij de artillerie van 2006 tot 2010 werd ingezet.

Grondgebonden Vuursteun

Het eerste materieel project na 1998 was de overgang van het vuursteuninformatiesysteem, VUIST, naar hardware en software voor het Advanced Fire Support Information System (AFSIS).

Begin 1999 werd 11 Afdeling rijdende artillerie opgedragen zich gereed te maken voor uitzending naar voormalig Joegoslavië. De afdeling werd ingedeeld bij 12. Panzer Brigade, een Duitse eenheid die deel uitmaakte van de NAVO-troepenmacht. Deze internationale troepenmacht had de opdracht om een eind te maken aan de burgeroorlog in Kosovo, een deel van Servië. Servië en Montenegro vormden samen voormalig of klein Joegoslavië. De operatie kreeg de codenaam Operation Joint Guardian.

Medio juni 1999 was de afdeling vrijwel compleet aangekomen in Macedonië. Begin juni was bekend geworden dat Kosovo Force (KFOR) niet daadwerkelijk militair moest gaan optreden, maar Kosovo zou gaan bezetten om het vacuüm na het vertrek van de Servische troepen op te vullen.

Eind juni 1999 was de gehele afdeling in het toegewezen gebied in Kosovo aangekomen. De afdeling moest in staat zijn en blijven om snel over te schakelen naar de hoofdtaak, het verlenen van vuursteun. Het daadwerkelijke werk was het vervullen van een vredesmissie met alle facetten die in het algemeen daarbij horen en niet specifiek wapen- of dienstvak gebonden zijn. In de eerste helft van december 1999 gaf 11 Afdeling rijdende artillerie zijn taak over aan 41 Afdeling veldartillerie en keerde de afdeling terug naar Nederland.

101 RPVBt werd per 5 juni 2003 onderdeel van 103 ISTARBat, dat op die datum was opgericht. Bij dit bataljon werden alle inlichtingenverzamelorganen en doelopsporingsmiddelen ondergebracht om zodoende tot een beter gericht inlichtingenproces te komen. Dit had dus ook als gevolg dat de mortieropsporingsradars van 101 ArtOstbt werden opgenomen in 101 RPVBt, waarbij de naam van deze eenheid werd gewijzigd in 101 DoelopsporingsBt. In 2006 werden vijf onbemande verkenningsvliegtuigjes van het type Aladin aangeschaft. Met zijn gewicht van vier kilo had het toestel een beperkte capaciteit, maar vormde voor nabije verkenningen een welkome aanvulling op de capaciteit van de Sperwer.

In 2004 bestond de brigade-artillerie, uitgerust met de gemechaniseerde houwitser M109A2/3, uit:

11 AfdRA, onder bevel van 13 Gemechaniseerde brigade, met twee batterijen met elk twee pelotons;

14 AfdVa, onder bevel van 43 Gemechaniseerde brigade, met twee batterijen met elk twee pelotons

Door alle bezuinigingsmaatregelen was er nog maar behoefte aan 39 vuurmonden van het type PzH2000NL, waarvan er echter al 57 waren besteld. Deze werden in 2006 ingevoerd bij de twee parate afdelingen, ter vervanging van de M109 systemen. Ook werd een nieuw laad- en richttoestel op basis van de PzH ingevoerd voor de parate eenheden om hun bedieningen te oefenen. Eind 2006 werd op de Duitse ArtillerieSchule in Idar-Oberstein de opleidingen gestart voor het kader van de PzH2000NL. Tegelijkertijd werden Duitse officieren in ’t Harde opgeleid als vuursteuncoördinator op bataljonsniveau.

De strijd in Afghanistan verscherpte zich meer en meer. ISAF spreidde zijn invloed uit vanuit Kabul tot over het gehele land, waar coalitielanden de verantwoordelijkheden in de hun toebedeelde provincies op zich namen. Nederland ontplooide in 2006 in de provincie Uruzgan de Task Force Uruzgan (TFU). Deze taskforce bestond uit een staf, een bataljonstaakgroep (battlegroup) en een Provincial Reconstruction Team (PRT), een samengestelde eenheid met daarin capaciteiten die benodigd waren voor de wederopbouw en de “hearts and minds” operaties. Terwijl de omscholingen op de PzH2000NL bij de afdelingen opgestart waren, werd het A-peloton 14 AfdVA gereed gesteld voor operationele inzet in Afghanistan. Ook functioneerde personeel van de artillerie op individuele basis binnen de staf van de TFU en de battlegroup of als de forward observers (FO’s) en forward air controllers (FAC’s) bij de compagnieën van de battlegroup. In de algemene taken, zoals gesteld aan de artillerie, werd een PRT uitgebracht. Daarnaast waren vele artilleristen werkzaam in de Observer Mentoring and Liaison Teams (OMLT) ter training en ondersteuning van de Afghaanse strijdkrachten. Het eerste vuurmondpeloton arriveerde in de zomer van 2006. Onmiddellijk na aankomst zette Commandant RC South twee PzH’s in vanuit een gezamenlijke stelling met Canadese M777s in de woestijn van de provincie af Kandahar ter ondersteuning van de op dat moment lopende operatie Medusa.

Na deze missie, 2010, zag men minder inzetmogelijkheden voor de grondgebonden vuursteun, hetgeen leidde tot een verder reduceren van het aantal PzH’s tot uiteindelijk een aantal van achttien stuks. Wel werd het aantal van achttien 120mm mortieren toegevoegd aan de organisatie om zodoende ook de manoeuvre-eenheden van het Korps mariniers en de 11 Luchtmobiele brigade van grondgebonden vuursteun te kunnen voorzien. Hiervoor moesten echter de achttien bedieningen “dual hatted” opgeleid gaan worden.

103 ISTARBat werd per 19 oktober 2011 omgevormd tot het Joint ISTAR Commando (JISTARC), waarbij ook de inlichtingencapaciteiten van de Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marine werden opgenomen. Om een logische en opeenvolgende nummering van de sub-eenheden binnen het JISTARC te realiseren werd daarmee ook 101 DoelopsporingsBt omgenummerd in 107 Aerial Systems Battery. Ook het Tactical Air Reconnaissance Center (TARC) van de Koninklijke Luchtmacht werd in deze batterij ondergebracht. Na het uitfaseren van de Sperwer RPV werd de batterij uitgerust met de RQ-11 Raven en de Q-27 Scan Eagle systemen, inmiddels is de laatste opgevolgd door de X-300 Integrator.

Met de bezuinigingsmaatregelen van 2010 binnen het Commando Landstrijdkrachten, had Legerplan 1599 tot doel om binnen de grondgebonden vuursteun zowel personele als materiële reducties door te voeren en de overgebleven capaciteit van de grondgebonden vuursteuneenheden samen te voegen in een Vuursteuncommando (VustCo).

Het Vuursteuncommando werd geformeerd door het (deels) opheffen en/of samenvoegen van 11 AfdRA, 14 AfdVA, 11 MrCie luchtmobiel, de Gungroup van het Korps mariniers en het Opleidings- en Trainingscentrum Vuursteun (OTCVust).

Op 25 januari 2013 was de oprichting van het VustCo een feit en werd als joint eenheid in de organisatie van het Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL) ingebed. Het eindresultaat was dat met de beperkingen van de opgelegde personele en materiële reducties en het opgerichte Vuursteuncommando zo effectief en efficiënt mogelijk invulling gegeven kon worden aan de defensie brede operationele vuursteunbehoefte, waarbij één afdeling als zwaarste optie operationeel kon worden ingezet (NB: HK Bt en AfdStaf dienden geformeerd te worden uit het VustCo). Tevens werd het Vuursteuncommando verantwoordelijk voor het beheer en uitvoeren van opleiding, training en kennisproductie op het gebied van grondgebonden vuursteun. Aangezien de intensiveringsmaatregel “Joint Fires” al eerder was gestart, werden de waarnemersgroepen van 11 AfdRA en 14 AfdVA, benodigd voor de vorming van de Fire Support Teams (FST) en Joint Fire Support Coordination Cells (JFC) niet meegenomen in de reorganisatie van de grondgebonden vuursteun, maar in die van de manoeuvre-eenheden. Voor de door de Vuursteunschool te verzorgen opleidingen werd de waarnemerstrainer vervangen door een moderne, voor Joint Fires Support ingerichte simulator, genaamd Joint Fires Training and Exercise System (JFTES).

Bij het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC) startte men ongeveer gelijktijdig met het project Counter Rocket Artillery and Mortar (C-RAM). Aangezien de mortieropsporingsradarpelotons tijdens missies meer dan voldoende kennis en ervaring hadden opgedaan in het onderkennen van raket- en mortieraanvallen, werd deze capaciteit dan ook naar het DGLC overgebracht om uiteindelijk te integreren in het totaalconcept C-RAM.

In 2014 werd een aanvang gemaakt met de vervanging van de M577 als commando- en vuurregelingsvoertuig van de vuurmondpelotons. De M577 werd vervangen door de Boxer, een wielvoertuig met een modulaire opbouw en een onbemand wapenstation waar voor de vuursteun-eenheden het AFSIS-systeem was ingebouwd. Ook op het niveau van de afdelingsstaf en de batterij werden Boxer voertuigen ingevoerd ter vervanging van de minder mobiele sheltervoertuigen.

In 2015 werden de eerste 100 XM982 Excalibur granaten aan Nederland geleverd. De invoering van deze precisiemunitie maakte deel uit van het veranderingsproces dat de artillerie op dat moment doormaakte. Na beproeving werd het AFSIS-systeem ingericht voor het verschieten van Excalibur. Vanaf 2018 was de Excalibur Full Operational Capable. Van een oppervlaktewapen ging de artillerie naar een wapensysteem met grote precisie, waarmee ook doelen op grote afstand (tot 52 km) geraakt konden worden.

Om tot een betere opleiding en training te komen, werd binnen het Vuursteuncommando de noodzaak gevoeld in vredestijd de afdeling beter te organiseren. Immers, bij een dergelijke inzet moest uit het Vuursteuncommando een staf en een staf- en verzorgingsbatterij onttrokken worden. Om hierop beter afgestemd te zijn, werd de afdeling artillerie als geheel uit het Vuursteuncommando ontvlochten en ging bestaan uit een hoofdkwartierbatterij en drie vuurmondbatterijen. Op 18 januari 2019, tijdens de formering van de zelfstandige afdeling, werd deze tevens voorzien van een nummer, namelijk 41 Afdeling Artillerie.

Het Vuursteuncommando zelf richtte zich hiermee met zijn staf en resterende sub-eenheden op doctrine, planning, opleiding en trainingsondersteuning.

Door de in 2018 uitgebrachte Defensienota “Investeren in onze mensen, slagkracht en zichtbaarheid” kwam er voor het eerst na jaren van bezuinigingen weer meer geld beschikbaar voor Defensie. Eén van de speerpunten was verbetering van de vuursteun. Als één van de maatregelen werden zes PzH’s uit de verkoop genomen en op stand gebracht om in te stromen bij 41 Afdeling artillerie, die daarmee zijn organisatie zag groeien van 18 naar 24 vuurmonden. Deze vuurmonden werden in de op te richten D-batterij ondergebracht, waarbij tevens het aantal vuurmonden per peloton van drie naar vier ging. De C-batterij werd daarmee dan ook permanent de mortierbatterij. Naast een wijziging in de organisatie van de artillerie-afdeling en vernieuwing van de munitie, werd ook aandacht besteed aan de doelopsporing.

De aangekochte Multi Missie Radar (MMR) zal met grote nauwkeurigheid en betrouwbaarheid complexe luchtdoelen kunnen detecteren, zoals snelle jachtvliegtuigen en kleine, langzaam vliegende en op afstand bestuurbare systemen (RPAS). Tegelijkertijd is deze radar in staat om raketten, artillerie en mortieren op te sporen. Hoewel de techniek het mogelijk maakt om alles te analyseren wat door de lucht vliegt, is er wel een operationeel verschil tussen de inzet voor luchtverdediging en grondwapensysteembestrijding (GWSB). Voor luchtverdediging is het toegestaan om de MMR langer statisch in te zetten in een 360 graden-beveiliging, bij GWSB treedt de radar uit zelfbescherming dynamisch op.

Erkenning van de vuursteun in 2019

Per Koninklijk besluit van 11 september 2019 werd aan de opschriften van de standaard van het Korps Veldartillerie en Korps Rijdende Artillerie resp. toegevoegd het opschrift: “Uruzgan 2006 – 2007” en “Uruzgan 2007 – 2009”.

In 2020 werd de A-Bt 41 als eerste vuursteuneenheid uitgezonden voor de eFP-missie in Litouwen. De Nederlandse artillerie stond in 2023 acht PzH2000NL af aan Oekraïne en verzorgt samen met Duitsland de opleiding en Training voor Oekraïense bemanningen in Idar-Oberstein. Daarnaast worden er in 2023 ook UKR Forward Observers opgeleid door Nederlandse Artilleristen in Idar-Oberstein. Met de intensiveringsmaatregelen voor defensie na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne werd de weg geplaveid om de Nederlandse krijgsmacht weer uit te rusten met raketartillerie en daaraan gerelateerd de benodigde sensorcapaciteit. In 2023 stromen de eerste PULS (ISR) (Precision and Universal Launching System) systemen bij het VustCo binnen. Niet veel later zullen de sensoren instromen.

Grondgebonden Luchtverdediging

Op 1 januari 2004 kreeg 25 AfdLua de drie voor de brigades bestemde 11, 12 en 13 PaLuaBt onder bevel. Daarnaast kreeg de afdeling twee mobilisabele batterijen, namelijk 42 en 52 PaLuaBt. In januari 2005 smolt 25 AfdLua samen met de School luchtdoelartillerie. Hiermee kreeg commandant Commando Luchtdoelartillerie (CoLua) zowel parate als opleidingseenheden en was daarmee verantwoordelijk voor opleiding, trainen en inzetgereedheid van zijn personeel. Het CoLua was eigenlijk een interim-eenheid, ontdaan van zijn mobilisabele eenheden en afgestemd op de beoogde organisatie op vliegbasis De Peel.

Vanaf 2004 leverde ook het CoLua een bijdrage aan de ISAF-missie in Afghanistan. Net als eerder bij de inzet als Crowd and Riot Control (CRC) in Bosnië, maakten de luchtdoelartilleristen zich ook hier een neventaak eigen, in dit geval het uitvoeren van psychologische operaties of PsyOps. Daarmee werd getracht om de tegenstander of de houding van de bevolking te beïnvloeden. Omdat voor deze specialistische taak moeilijk individuele militairen vrijgemaakt konden worden, werd deze taak bij één eenheid neergelegd. Aangezien 25 Afdeling luchtdoelartillerie al PsyOps personeel had geleverd voor NATO Response Force 4 en ook aan het PRT in Baghlan (Kunduz), kreeg de afdeling deze neventaak toebedeeld. Deze taak ging bij de reorganisatie dus over in het Commando luchtdoelartillerie. In eerste instantie verzorgde het commando de opleidingen voor de PsyOps Support Elements (PSE) zelf. In 2005 vormden de instructeurs de opleidings- en trainingsrichting PsyOps en werd het ondergebracht bij het Defensie Inlichtingen- en Veiligheidsinstituut (DIVI) op de Legerplaats bij Oldebroek.

De eerste fase van BMC4I verliep voorspoedig en op 6 oktober 2006 stroomde het eerste materieel in bij het inmiddels geformeerde CoLua. Meest opvallende element van het systeem was de 27 ton wegende TRML-radar.

Op 27 augustus 2009 stroomde de rest van het materieel binnen, waaronder nog twee TRML-radars. De radars en wapensystemen werden ingedeeld bij 11 en 13 LuverdBt (voorheen 11 en 13 PaLuaBt) en heette vanaf die dag Army Ground Based Air Defense System (AGBADS). Met zeven radars en zes lanceerinrichtingen met elk 6 AMRAAM’s kon het CoLua zich voortaan weer doen gelden.

Vanaf de zomer van 2009 beschikte het CoLua dus eindelijk over de benodigde SHORAD-capaciteit. De VSHORAD-capaciteit, de Cheetah, de 40Lang70 en de Stinger, was echter aanzienlijk verminderd. Op 17 december 2003 had het laatste schot van de 40Lang70 geklonken en op 1 januari 2004 werden de parate 105 BtLua en de mobilisabele 115 en 125 BtLua opgeheven. Hiermee bleef slechts één kanonsysteem over, namelijk de Cheetah, gemoderniseerd en ingevoerd vanaf 19 oktober 2000.

Door de gedachtenontwikkeling over een expeditionair optredende krijgsmacht paste deze zware, munitie verslindende systemen niet langer. De eerste maatregel was de afstoot van de Cheetah´s van de mobilisabele batterijen. Alleen 11, 12 en 13 PaLuaBt hadden nog de beschikking over deze systemen, die echter niet lang hierna ook uitfaseerden, met de mededeling dat deze zouden worden vervangen door achttien Stinger Weapon Platforms (SWP).

Deze systemen waren uitstekend te plaatsen op de binnen de KL overtollig geworden Fennek voertuigen. Het CoLua meende echter dat achttien systemen volstrekt onvoldoende waren en dat zesendertig systemen toch wel het uiterste minimum was. Er was op dat moment echter geen financiële capaciteit om deze 36 wielvoertuigen te bekostigen, waardoor gekozen werd voor een alternatief plan: voor de helft zou het Fennek voertuig worden gebruikt, de andere achttien benodigde systemen zouden worden geplaatst op een Mercedes terreinvoertuig onder de naam SWP Light.

Om de uitfasering van de Cheetah snel te laten verlopen, werd besloten een SWP “off the shelf” aan te schaffen. Echter, het meest goedkoop aangeboden systeem deed het budget nog fors overschrijden, waardoor de enige mogelijkheid was de SWP Light te voorzien van een andere, eenvoudiger afvuurinrichting: Twee Stinger systemen gemonteerd op een statief, waarmee de kosten gedrukt konden worden. De SWP Medium stroomde vanaf 2008 in en de SWP Light in september van hetzelfde jaar bij het CoLua in. Daarmee werd Stinger MANPAD slechts een van de inzetopties.

11 PaLuaBt werd per 1 juli 2007 11 LuverdBt en ging bestaan uit twee pelotons SWP Medium en één peloton SWP Light. 13 PaluaBt kreeg vanaf juli alle Stingers ondergebracht en stond enige tijd bekend als 13 MANPAD-Bt, maar ging weldra 13 LuverdBt heten. Doordat de Stinger MANPAD uitfaseerde, kreeg deze batterij twee pelotons SWP Light en één peloton SWP Medium, zodat het CoLua een “zware” en een “lichte” eenheid kon leveren. Het AGBADS kwam na levering bij 13 LuverdBt terecht. 12 LuverdBt, welke pas op de vliegbasis De Peel zou worden geformeerd, kreeg alle AGBADS radar- en vuurleidingsapparatuur onder beheer.

In 2006 werd het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot een daadwerkelijke integratie van het CoLua en de Groep Geleide Wapens (GGW) in een Commando Grondgebonden Luchtverdediging (CGLVD), waarbij werd aangegeven dat “het nieuwe commando gaat beschikken over verschillende soorten luchtverdedigingssystemen en leiding moet geven aan de uitvoering van luchtverdedigingstaken variërend van de bescherming tegen ballistische raketten op lange afstand tot het beschermen van uitgezonden eenheden tegen doelen zeer nabij”.

Over de inbedding in de organisatie liet men zich op dat moment nog niet uit. Ondertussen ging de verhuizing naar De Peel gestaag door, waarbij het gros van het personeel in de zomer van 2007 op locatie was aangekomen. Nadat ook het Museum Luchtdoelartillerie was verplaatst, nam het CoLua definitief afscheid van de Johan Willem Friso – Maurits kazerne en van de stad Ede.

Het besluit was ophanging in single servicemanagement onder het Commando Landstrijdkrachten (CLAS). De nieuwe organisatie zou gaan bestaan uit een staf, een kenniscentrum, 11 en 13 LuverBt, 802 en 803 Squadron geleide wapens, de Opleidings- en trainingsbatterij (OTBt) en 800 Squadron voor de ondersteuning van het Patriot systeem.

11 LuverBt werd opgeheven en de resterende Fenneks ingedeeld bij 13 LuverBt. Bij de GGW werd 803 Squadron opgeheven en de Patriot-systemen ondergebracht in 802 Squadron. Hoewel de nieuwe luchtverdedigingsorganisatie flink was gereduceerd, kwamen er wel meer taken bij. Als eerste werden de mortieropsporingsradars van 101 DoelopsporingsBt overgeheveld, waarmee de organisatie zich ook begaf op het terrein van de grondwapensysteembestrijding. Na vervanging van de benodigde sensoren kon daarmee ook een bijdrage geleverd worden aan C-RAM operaties. Ook keerde de Stinger terug naar De Peel, afkomstig van het Tegen luchtdoelen-peloton van het Korps Mariniers en van 11 LuverdCie, die in mei 2011 was opgeheven. De C-RAM en Stinger taak kwamen bij 13 LuverdBt terecht, dat in mei met de overgebleven SWP’s op Fennek, NASAMS en AGBADS materieel een behoorlijk zware eenheid was geworden. Ook de Deployable Integrated Sensors for Compound Security (DISCUS) werd onder C-RAM geschaard en daarmee bij 13 LuverdBt ingedeeld.

Een positieve uitwerking op verdere integratie tussen KL en KLU waren de uitzendingen als joint eenheid. Op 31 juli 2012 werd een DGLC-detachement ingezet als Compagnie in de West (CidW). Hier ontstond een hecht samenwerkingsverband. Andersom gebeurde hetzelfde: medio november 2012 riep Turkije de hulp van NAVO in vuureenheden ter beschikking te stellen, welke begin 2013 op de luchtmachbasis Inçirlik ingezet werd als 1(NLD) Ballistic Missile Defense Task Force (1 NLD BMDTF). Ondanks het negatief advies werd deze missie onder de naam Operatie Active Fence half november dat jaar met zes maanden verlengd, waardoor er zeer flexibel met rotatie van de beperkte hoeveelheid specialistisch personeel moest worden omgegaan om het systeem toch operationeel inzetbaar te houden. Zo werden ook luchtdoelartilleristen, omgeschoold op het Patriot systeem, ingezet. In 2015 werd de uitzending afgerond.

Op 29 maart 2012 werd het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC) opgericht. Voorafgaande aan de oprichtingsplechtigheid werd bij de voorpoort van de vliegbasis de naam van Vliegbasis de Peel omgedoopt in Luitenant-Generaal Bestkazerne. In maart 2014 is het Nederlandse AGBADS-systeem ingezet voor de daadwerkelijke luchtverdediging. Tijdens de Nuclear Security Summit (NSS) werd een vuurleidingseenheid, een TRML, een Sentinel radar en vier lanceerinrichtingen geplaatst in Den Haag en omgeving. Tijdens de inzet werd samengewerkt met AWACS-vliegtuigen en het luchtverdedigings- en commandofregat Zr. Ms. De Zeven Provinciën die, liggend voor de kust, de bewaking over zee voor zijn rekening nam. Het was voor de eerste maal sinds de Tweede Wereldoorlog dat de luchtdoelartillerie op Nederlands grondgebied werd ingezet. Toch kwam er aan de groeiende organisatie van DGLC geen einde. In aanwezigheid van de Duitse en Nederlandse minister van Defensie, werd op 4 april 2018 de Duitse FlugabwehrRaketenGruppe 61 (FlaRakGrp) onder bevel gesteld van het Nederlandse DGLC. FlaRakGrp 61 bestond uit ongeveer 450 militairen en beschikte over radargeleide kanon- en raketsystemen voor vliegtuig- en projectielbestrijding op de korte afstand. De Duitse eenheid bleef gehuisvest in Todendorf, Duitsland, aan de Oostzee. Wel versterkten Duitse collega´s de staf, het kenniscentrum en de opleidingseenheid van het DGLC.

Op 1 oktober 2020 kreeg het DGLC de beschikking over nog een extra eenheid, namelijk een peloton voor dedicated optreden als Stinger MANPAD. Net als de andere eenheden kreeg deze nieuwe eenheid een naam gerelateerd aan activiteiten of gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog, namelijk “Ravesteijn”. Deze naam is afkomstig van de scheepswerf “Van Ravesteijn” uit Leidschendam. Het nieuwe peloton bij DGLC werd een schakel tussen 13 LuverdBt en snel inzetbare hoogmobiele eenheden. De taakstelling bestond uit het bieden van luchtverdediging bij amfibische- en maritieme operaties en luchtmobiele operaties.

Met de intensiveringsmaatregelen voor defensie in de Defensienota 2022 na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne mag het DGLC verder in omvang groeien en moderniseert en vervangt defensie tal van luchtverdedigings systemen. Zo is op 1 juni 2023 de 11e luchtverdedigings batterij opgericht en volgen in 2024 nog de 12e luchtverdedigings batterij en wordt de 4e Fire Unit PATRIOT weer bemenst. De Staf, het Opleidings- en Trainingscentrum en Kenniscentrum van het DGLC groeien naar rato mee en het 800 Squadron wordt een volwaardig command & control (C2) en Logistiek ondersteunings Squadron. Op materieel gebied wordt het PATRIOT-systeem compleet gemoderniseerd en op de modernste standaard gebracht. Hierdoor wordt de capaciteit voor de lange dracht luchtverdediging bij de bestrijding van luchtdoelen en dan vooral ballistische raketten sterk verbeterd. De medium range en short range-luchtverdedigingssystemen, waarmee de toekomstige en identieke 12e en 13e batterij gaan werken, worden volledig vervangen. De bestaande systemen naderen het einde van hun operationele levensduur en hebben daarnaast onvoldoende bereik tegen de moderne luchtdreigingen. Bij de nieuwe mobielere Medium- en Short Range Air Defence (MRAD & SHORAD) is de bescherming tegen dreigingen als vijandelijke helikopters, vliegtuigen, drones en kruisraketten sterk geoptimaliseerd en verbeterd. Een SHORAD-wapenplatform bestaat uit vier hoofdcomponenten die volledig geïntegreerd zijn: een dragend voertuig, de raketten, de radar en informatietechnologie voor de command en control van het systeem. Het platform is zelfstandig in te zetten of in groter verband met meerdere SHORAD-systemen en geïntegreerd met luchtverdedigingssystemen voor de middellange afstand. De Multi Missie Radar (MMR) zal de primaire sensor worden van het MRAD-systeem, in de basis dezelfde sensor die, weliswaar in een andere rol, bij de vuursteun dienst gaat doen. Tot slot ontvangt de 11e batterij een compleet nieuw Counter Unmanned Airial System (C-UAS) ter bescherming tegen en bestrijding van kleinere drones in Nederland en daarbuiten.

Andere artikelen

VETERANEN

VETERANEN Nederland kent in totaal ongeveer 130.000 militaire veteranen. Deze groep bestaat uit ongeveer 100.000

Lees verder »
Login ledengedeelte VOAWEB