Het Nederlands Artillerie Museum is ‘sinds mensenheugenis’ een begrip, zowel binnen het Wapen der Artillerie als daarbuiten, niet alleen door wat er te zien en te leren valt, maar ook door de centrale rol die het speelt op het gebied van traditiehandhaving en ondersteuning van ceremoniën. Wat bij weinigen bekend is, is dat de basis voor het huidige museum 75 jaar geleden werd gelegd. We zullen in een terugblik bekijken hoe het allemaal begonnen is en hoe het zich ontwikkeld heeft tot wat het nu is. Er is in feite sprake van een geleidelijke ontwikkeling van lokale informele initiatieven die steeds meer steun kregen en werden aangevuld, tot de Stichting Nederlands Artillerie Museum (NAM) met haar status van geregistreerd museum van vandaag de dag. Vervolgens zullen we, in het licht van de ontwikkelingen binnen Defensie, de huidige situatie en het toekomstperspectief beschrijven.
De aanzet werd gegeven door medewerkers van het Artillerie Schietkamp (ASK) en van de Artillerie School Oldebroek (ASO) die een munitieverzameling aanlegden. Het gros van de objecten kwam aanvankelijk uit het doelengebied van het ASK. In de jaren erna groeide de verzameling langzaam uit en werd ook steeds meer divers, onder andere door aanvullingen met fotomateriaal en documenten die beschikbaar kwamen door een initiatief van de VOA (Afdeling ’s Gravenhage) uit eind 1949 om een archief in te richten. De verzameling groeide zo voorspoedig dat al in 1961 de Stichting Artillerieverzameling Oldebroek werd opgericht voor de verdere ontwikkeling ervan. In 1964 werd aan de verzameling gebouw 217, de voormalige fietsenstalling op de Legerplaats bij Oldebroek (LbO) en tot voor kort het eerste paviljoen van de expositie, ter beschikking gesteld. Eind jaren 70 volgden andere gebouwen zodat de Artillerieverzameling verder kon worden uitgebouwd om de gehele geschiedenis van de Nederlandse artillerie in beeld te brengen. In de jaren 80 ontwierp Luitenant-kolonel der Artillerie bd Yso van der Meer als voorzitter van de Artillerieverzameling plannen voor wat het Artilleriemuseum zou worden. Hierbij vormde de reizende tentoonstelling in het kader van ‘300 jaar Artillerie’ in 1977 een soort startpunt. Door zijn inzet, perfectionisme en gevoel voor chronologische inrichting gaf hij de verzameling een kwaliteitsimpuls.

Op grond van de grootte en de kwaliteit van de artillerieverzameling die al als een echt museum kon worden gekwalificeerd, kende de bevelhebber der landstrijdkrachten in 1997 er de zogenaamde A-status aan toe (Bundel KL Museaal Beleid 2003-2010). Dat had onder andere tot gevolg dat er in 1998 een voltijds museummanager werd aangesteld, de heer Gerald Wilmink, die in 2000 werd opgevolgd door de heer Paul van Brakel. Tot dan hadden alleen vrijwilligers zich met het museum beziggehouden al kon het museum voor de dagelijkse gang van zaken regelmatig beschikken over een beroepsonderofficier. Een belangrijke stap in het ontwikkelingsproces was de omvorming van de Stichting Artillerieverzameling Oldebroek naar de Stichting Nederlands Artillerie Museum in september 2002. Een logisch gevolg daarvan was dat het bestuur van de stichting de beoogde ontwikkeling van het museum ging vastleggen in een beleidsplan voor een periode van vijf jaar. Het eerste beleidsplan omvatte de periode 2002 – 2007. Mede op basis van dit beleidsplan kreeg het museum in 2003 de voorlopige status van geregistreerd museum; in 2005 werd die status definitief en als laatste in 2017 verlengd. Om die te verkrijgen en behouden moet een museum voldoen aan de volgende definitie:
Een museum is een permanente instelling in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, niet gericht op het maken van winst, die de getuigenis van de mens en zijn omgeving verwerft, registreert, documenteert en wetenschappelijk onderzoekt, behoudt en presenteert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen.

Het spreekt vanzelf dat voor het NAM deze definitie zich toespitst op onderzoek naar, behoud en presentatie van militair cultureel erfgoed dat onlosmakelijk is verbonden met het Wapen der Artillerie.

De groeiende collectie van het artilleriemuseum was in de loop der tijd een verzameling geworden van materieel en voorwerpen van en informatie over zowel de veldartillerie als de luchtdoelartillerie. Het lag voor de hand dat op een goed moment het deel van de collectie dat zag op de luchtdoelartillerie werd ondergebracht bij de eenheden van de luchtdoelartillerie in Ede op de Mauritskazerne. De verzameling in Ede bracht alleen de geschiedenis van de luchtdoelartillerie in beeld, terwijl toch ook op de locatie Oldebroek nog luchtdoelartilleriematerieel en -voorwerpen achterbleven, naast uiteraard die van de veldartillerie. Zo kon in Oldebroek toch een compleet beeld van de artillerie worden gegeven. Na het afstoten van de Mauritskazerne ging de verzameling van de luchtdoelartillerie in 2009 over naar de toenmalige luchtmachtbasis De Peel, waar het samen met de Traditiekamer van de Groep Geleide Wapens van de Koninklijke Luchtmacht de Historische Verzameling Grondgebonden Luchtverdediging (HVGLVD) ging vormen. Gezien de afstand tussen Oldebroek en De Peel leek het raadzaam dat de HVGLVD zelfstandig zou worden, wat al dat jaar leidde tot de oprichting van de Stichting HVGLVD.

In de periode van 2009 tot heden heeft het Nederlands Artillerie Museum tal van veranderingen ondergaan, zowel wat inrichting betreft als organisatorisch. De binnenkant van de gebouwen waarin de expositie was ondergebracht werd door de vrijwilligers stap voor stap grondig opgeknapt en de expositie zelf werd gemoderniseerd, voortbouwend op het fundament dat door Yso van der Meer was gelegd. Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van het museum was de oprichting in 2014 van het Nationaal Militair Museum (NMM) in Soesterberg. De gedachte erachter was dat de oprichting van het NMM alle kleinere musea binnen het CLAS overbodig zou maken en dat per regiment of korps zou kunnen worden volstaan met een ‘traditiekamer’. Tegelijkertijd werd niet gesneden in wat er was op het gebied van beheer van militair cultureel erfgoed binnen het CLAS en konden nagenoeg alle voormalige musea, collecties en verzamelingen op dezelfde voet doorgaan binnen een soort gedoogconstructie. Het NAM ging binnen het CLAS voortaan ‘Historische Collectie Korps Veldartillerie’ (HCKVA) heten, maar bleef voor externe bezoekers (die volgens de richtlijnen welkom bleven in het kader van goed nabuurschap) wel het Nederlands Artilleriemuseum als sterke merknaam. Om deze constructie te kunnen duiden kwam het bestuur van de Stichting NAM tot de volgende formulering: de Stichting NAM beheert voor C-KVA de HCKVA ter ondersteuning van de traditiehandhaving en opleidingen en stelt voor bezoekers van buiten het artilleriemuseum open als verzameling van militair cultureel erfgoed. Met deze omslag kwam het NAM-schip in woeligere wateren door beleidsdiscussies over nut, noodzaak en omvang van de historische collecties binnen het CLAS gelet op de prominente status van het NMM en sindsdien is de wind veelvuldig aangewakkerd maar nooit geheel tot bedaren gekomen. Een formele relatie tussen historische collecties en NMM werd nooit vastgesteld, pogingen om het verouderde museale beleid aan te passen kwamen op dood spoor, vooral door gebrek aan prioriteit en capaciteit binnen staf CLAS en niemand had ook veel last van die historische collecties die voor een appel en een ei toch eigenlijk wel goed werk deden. Nu lijkt er alle aanleiding te zijn de stormbal te hijsen en moet het NAM meer dan ooit scherp aan de wind zeilen om te kunnen voortbestaan, maar daarover zo meer. Voor het NAM betekende de omslag naast de naamsverandering dat afscheid moest worden genomen van de museummanager en dat het beheer van het museum volledig in handen kwam van vrijwilligers. Door de vereiste koppeling van elke historische collectie van het CLAS aan een regiment of korps was het een logische stap dat het NAM het deel van de collectie dat te maken had met de luchtdoelartillerie en niet was meeverhuisd naar Ede, overdroeg aan wat nu werd genoemd de Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging (HCGLVD) in plaats van HVGLVD in De Peel. De ruimte die daarmee vrijkwam in het museum werd benut om de rol van de veldartillerie in WOII beter voor het voetlicht te brengen. Een andere belangrijke ontwikkeling van de afgelopen jaren was de oprichting van wat eerst ‘de Stichting Veteranenhuis Artillerie’ werd genoemd en die thans als Stichting Veteranen Ontmoetings Centrum LbO (VOC-LbO) een plaats heeft in gebouw 217 van het NAM. De Stichting NAM en de Stichting VOC-LbO werken nauw samen vanuit het besef van het belang van veteranenzorg en -ondersteuning.

Waar staan we nu? Als een rode draad liep door de afgelopen 15 jaar de van hogerhand opgelegde discussie over de gebouwen die aan het NAM beschikbaar waren gesteld. Ging het er aanvankelijk om zoveel mogelijk ‘nutteloze’ infra te slopen uit kostenoverwegingen, waarvoor het inmiddels beruchte NOVA-rapport een belangrijke rol speelde, vandaag de dag is er een grote behoefte aan nieuwe infra. Nieuwe gebouwen, evenals noodvoorzieningen mogen of kunnen blijkbaar niet snel en eenvoudig worden neergezet, waardoor zoveel mogelijk extra personeel in de bestaande infra moet worden ondergebracht. In beide invalshoeken kwam het NAM er bekaaid af: eerst was de dreiging dat het gebouwen moest ontruimen zodat ze gesloopt konden worden, nu moeten gebouwen een andere bestemming krijgen. De sloopdreiging die de afgelopen jaren en tot voor kort als een soort knipperlicht initiatieven binnen het NAM stopte of juist op gang bracht, is afgewend. Maar de roep om gebouwen voor extra opleidingen als gevolg van uitbreiding van de krijgsmacht heeft zijn tol al geëist. Het NAM moet indikken en ontkwam er niet aan de expositie over de vroegste geschiedenis van de artillerie in gebouw 217 (Paviljoen 1) af te stoten om ruimte te maken voor bibliotheek, archief en Kenniscentrum. Het veteranenontmoetingscentrum behoudt zijn plek in het gebouw. Doordat ook ruimtes die geschikt zijn voor geconditioneerde opslag door het museum moesten worden ingeleverd, is de rek er uit. Er blijven drie paviljoens over die een samenhangend beeld geven van de geschiedenis van de artillerie vanaf de oprichting van het Korps Artillerie in 1677 tot heden, met zelfs een blik in de toekomst. Dat past ook bij de taak die het Korps Veldartillerie kreeg bij oprichting: voortzetten van de traditie van het Korps Artillerie. Zouden nog meer gebouwen moeten worden afgestaan, dan houdt het Nederlands Artillerie Museum in feite op te bestaan. Een dan noodzakelijke grondige herindeling van de expositie in wat mogelijk aan ruimte overblijft is voor een volgende jonge generatie.

Dat brengt mij ten slotte bij de vrijwilligers van het museum. Vele vrijwilligers hebben in de loop van vele jaren hun ziel en zaligheid gestopt in het museum om het zo mooi mogelijk te maken en gastvrijheid te bieden aan de vele bezoekers. Dankzij al die vrijwilligers, momenteel zo’n 90, kon het museum zijn goede naam vestigen en bijdragen aan een positief beeld van Defensie. Daarnaast is en was het voor de vrijwilligers een plek van samenkomst, een gelegenheid om zinvol actief te blijven. Dat gold en geldt niet alleen voor de oud-artilleristen, maar ook voor de vrijwilligers met een niet-militaire achtergrond. Zij zijn zeer begaan met de toekomst van het museum.

Het spreekt vanzelf dat de operationele capaciteit van de krijgsmacht voorop staat en het kunnen uitvoeren van hoofdtaak 1 prioriteit heeft, maar dat maakt de historische collecties van het CLAS, zelfs met de ongewisse status die ze hebben zoals hiervoor beschreven, nog niet overbodig. Zij leveren een essentiële bijdrage aan traditiehandhaving, saamhorigheid en eenheidsvorming binnen de respectieve regimenten en korpsen. Zij houden specifieke (historische) kennis in stand die nergens anders te vinden is, ook niet, of slechts ten dele in het NMM. Bovendien hebben zij een belangrijke regionale functie en dragen zij bij aan de actieve werving van nieuw personeel binnen de Defensieorganisatie. Ik wil er dan ook voor pleiten ze een formele status te geven naast en als verlengstuk van het NMM; zij zijn de vakspecialisten, het NMM geeft een totaalbeeld. De overwegingen die bij de oprichting van het NMM de beleidsmakers er toe noopten de diverse verzamelingen en musea van het CLAS in de schaduw te stellen, zijn niet langer relevant. Die historische collecties moeten geen sluitpost op de begroting zijn, het wisselgeld dat je makkelijk weg kunt geven: zij verdienen hun eigen plek in een welomschreven en vastgelegde relatie met het NMM. Daarnaast toont het CLAS zich een goed werkgever door de zorg voor zijn medewerkers voort te zetten als zij de actieve dienst hebben verlaten en zich als vrijwilliger voor de organisatie blijven inzetten. Zij zijn Defensie zeer toegedaan en leveren praktisch om niet een waardevolle bijdragen voor zaken waarvoor CLAS geen capaciteit of tijd heeft; betere ambassadeurs zijn niet denkbaar voor de defensieorganisatie.
























