alle-beschikbare-artillerie
Alle beschikbare artillerie...

Alle Beschikbare Artillerie

Het doel van de rubriek is verschillende interpretaties, argumenten en standpunten in een discussie naar voren te brengen – het gaat dus niet om goed of fout. Door kennis te nemen van elkaars overwegingen, kunnen lezers eigen vakinhoudelijke inzichten slijpen.

In deze rubriek introduceert één van de leden een discussie in relatie tot vuursteun, welke gebaseerd kan zijn op (operationele) vraagstukken of lopende discussies binnen een eenheid. Door vervolgens op een prikkelende wijze stelling te nemen in de gepresenteerde discussie, nodigt de auteur u nadrukkelijk uit om daarop te reageren met uw eigen kijk op het vraagstuk.

Reacties kunnen op persoonlijke titel of namens een eenheid worden ingediend. Een reactie bevat een standpunt in de discussie en geeft weer welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen. Mocht u het vraagstuk benaderen vanuit een specifieke positie (bijv: C-JFS of PC 155mm) of vanuit een wijze van optreden (bijv: MOT of LMB), dan dit graag in de reactie opnemen. De redactie ontvangt uw reactie voor het verstrijken van de deadline voor kopij (zie colofon).

In het volgende nummer worden de ingezonden reacties geplaatst en licht de auteur van het discussiestuk haar of zijn standpunt en argumenten toe. Daarnaast wordt het volgende discussiestuk geïntroduceerd. Wilt u zelf een discussiestuk aandragen om de vakinhoudelijke discussie aan te jagen? Dat stelt de redactie op prijs. Voorstellen kunt u via de mail onder de aandacht brengen bij de redactie. Als blijk van waardering biedt de Commandant van het Vuursteuncommando de auteurs van de discussiestukken per jaargang een gezamenlijke lunch aan om verder te spreken over de opgedane inzichten.

In deze editie vindt u 7 reacties op discussiestuk 4 uit SB 2023-2. Ook de indiener van het discussiestuk reageert hier weer op bij het onderdeel Afwachtingsgebied.

4.1 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Als luchtmobiel artillerist in hart en nieren is de eerste vraag die mij te binnen schoot: waarom worden alleen 13X en 43X in de stelling betrokken. Ik ben van mening dat de stelling voor 11X net zo relevant is. Om in te gaan op de stelling. Ik denk het lastig is om een éénduidig eens of oneens te formuleren omdat er voor en nadelen zitten aan beide opties.

Er zitten veel voordelen aan het centraliseren van de vuursteuncapaciteit onder een afdeling. Vuursteuncapaciteit is per definitie schaars en ik denk dat de prioriteiten beter gesteld kunnen worden door een ‘onafhankelijke partij’ zoals een afdeling. Om een voorbeeld te noemen: een CC kan geneigd zijn om zijn FST bij zich te houden voor zijn eigen O&T programma terwijl daarmee misschien elders de kans op goede leerwinst bij een niveau 4 of 5 oefening verloren gaat.

Een ander voordeel van centralisatie is dat trainingen voor vuursteunpersoneel beter ingeregeld kunnen worden. Ik heb zeven jaren mogen dienen binnen het FST van de D-cie van 12 Infbat en mijn ervaring is dat je een FST nodig hebt om een ander FST goed te kunnen trainen. Hetzelfde geldt voor de 81mm mortiergroepen. De FST’s en mortiergroepen zijn op elkaar aangewezen omdat niemand anders binnen de eenheid de juiste kennis en ervaring heeft om de rol van OTE’er in te vullen. Door centralisatie wordt tevens bereikt dat trainingstijd effectiever kan worden ingevuld. Niveau 4/5 oefeningen zijn vaak gericht op de manoeuvre en dat leidt ertoe dat CS en CSS soms onderbelicht zijn. Wanneer er specifieke vuursteunoefeningen worden uitgevoerd is de leerwinst voor de vuursteunketen vaak groter. Een voorbeeld hiervan is de jaarlijks terugkerende GRIFFIN STRIKE oefening in Baumholder.

De argumenten voor effectieve training en meer training binnen de eigen vuursteunketen hebben in mijn beleving direct verband met de belangrijkste reden om het vuursteunpersoneel niet te centraliseren en de situatie ongewijzigd te laten.

Ik ben van mening dat een goede relatie met de commandant van essentieel belang is om vuursteun effectief in te zetten. Wij als vuursteunpersoneel voeren immers niet ons eigen gevecht maar zijn te allen tijde in dienst van het manoeuvreplan. Om die taak goed uit te kunnen voeren is een goede verstandhouding met de commandant van levensbelang. In mijn beleving wordt die enkel bereikt door veelvuldig samen te werken en goede afspraken te maken over de inzet van vuursteun. In mijn tijd bij het 12e bataljon heb ik ervaren dat de vuursteun het zwaarste middel is wat een luchtmobiele BC/CC tot zijn beschikking heeft. Die zware middelen worden ook nagenoeg altijd in een danger close situatie ingezet. Ik hoef geen enkele artillerist uit te leggen dat er geen verschil van opvatting mag zijn tusen de BC/CC en zijn C-FST bij de inzet van vuursteun in een danger close situatie. Omdat elke situatie anders is moeten commandant en vuursteunadviseur elkaar blind vertrouwen en snel begrijpen om vuursteun snel en veilig in te zetten.

Nu zou gesteld kunnen worden dat bovenstaand argument niet opgaat omdat een BC/CC tegenwoordig ook geen beschikking meer heeft over zijn eigen genieadviseur of medisch specialist. Dit is in mijn beleving echter corrigeren naar de fout toe omdat ik van mening ben dat die genieadviseur net zo belangrijk als de vuursteunadviseur. Ook die capaciteit zou een commandant gewoon vast ter beschikking moeten hebben. De combinatie van manoeuvre, vuursteun en genie is bewezen effectief op het slagveld en komt in mijn beleving het best tot zijn recht als de mensen die deze effecten moeten brengen goed op elkaar zijn ingespeeld.

Al schrijvend merk ik dat mijn voorkeur neigt naar een oneens met de stelling. Ja, het is efficiënt om de vuursteun te centraliseren maar ik denk dat het minder effectief is. Binnen ons werk is de teameffort hetgeen wat het succes bepaald. Een effectief team kan niet worden gevormd als de samenstelling continu veranderd. Binnen een team moet vertrouwen groeien en die kan in mijn beleving niet ontstaan als je niet bij dezelfde eenheid zit, er zal dan altijd een bepaalde afstand blijven die de prestatie niet ten goede komt. Mijn standpunt is meer gebaseerd op gevoel dan op ratio, het gevoel is echter weer gebaseerd op ervaring en ik denk dat, met name, FST personeel het gevoel zal erkennen, voor hetzelfde geld zit ik er echter helemaal naast. Ik ben benieuwd naar de andere reacties.

Majoor Gert Wibbelink

4.2 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Met de huidige schaarste van personeel (waarvan ik verwacht dat dit niet binnen enkele jaren wordt opgelost) ben ik wel een voorstander van centralisatie van specialistisch personeel. De vraag is waar dit personeel gecentraliseerd zou moeten worden. Ik begrijp dat er vanuit het Vustco wordt gekeken naar de Afdeling(en). Er bestaat al een commandostructuur binnen de Afdelingen waar de FST relatief gemakkelijk onder gehangen zou kunnen worden. De afdeling echter ‘vecht 2D’. De Afdeling heeft een afhankelijkheidsrelatie met de Forward Observers (en visa versa), maar de Afdeling heeft geen belang om TACP’s onder bevel te krijgen. Dit zou kunnen resulteren in een verkeerde prioriteit binnen O&T-activiteiten. Daarbij zou centralisatie onder een Afdeling er voor kunnen zorgen dat er (nog) minder infanteristen belangstelling krijgen in een functie bij het FST.

Het FST zou mijns inziens gecentraliseerd moeten worden waar zowel 2D als 3D bij elkaar komt. Daarom ben ik een voorstander van centralisatie van FST’s binnen een manoeuvre-eenheid. Dit zou Bataljons- of Brigadeniveau kunnen zijn. Ik ben me bewust dat veel collega’s voorstander zijn van centralisatie op Bataljonsniveau. Echter een Bataljon is mijns inziens niet groot genoeg om te centraliseren, we vechten minimaal met Brigades. De Brigadecommandant moet een zwaartepunt kunnen leggen, daarom moet hij ook direct de beschikking hebben over deze middelen waaronder FST’s. Een FST-peloton op Brigadeniveau lijkt mij de beste oplossing. De prioriteiten tussen 2D en 3D kunnen op dit niveau goed worden gemaakt. Daarbij kan Brigadeniveau garanderen dat er altijd gevulde en opgeleide FST’s gereed staan. Zelf het vullen van FST’s met een zelfde DEF-datum kan hierdoor relatief gemakkelijk kunnen zijn. verder ben ik er van overtuigd dat als we vanuit Brigadeniveau, gevulde en opgeleide FST’s leveren aan eenheden, dit bijdraagt aan vulling van de FST’s vanuit de manoeuvre.

Majoor Chris Geldof

4.3 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Het is of het één, of het ander. Onderbevelstellingen zoals TACOM, ADMINCOM, FULLCOM etc. werken in een tactische situatie, maar dat is lastiger in de vredesbedrijfsvoering omdat programma’s zoals peoplesoft hier niet op ingericht zijn. Ik zie eigenlijk maar drie activiteiten: sensor, shooter en vuurverdelers. Ik ben voorstander om terug te gaan naar de oude situatie en dat dan in het tactisch scenario de sensoren worden uitgeleend aan de vechtende eenheden (bataljon en lager !). Dit geldt in sommige gevallen ook voor de shooters. De brigade, als laagste tactisch niveau, kan en mag een coördinatiecel houden. Dit is ook bij 90% van de buitenlandse partners het geval. De oplossing wordt daarmee universeel in plaats van perfect.

De afdeling is verantwoordelijk voor gehele planspectrum Joint Fires, dus ook Grond-Lucht samenwerking en eventueel een toegevoegde Air Defence. We moeten streven om het geheel te simplificeren; nu is de coördinatie tot kunst verheven en zitten we erg ruim in coördinatie-elementen gericht op 3D deconflictie. Daarnaast vind ik dat alles onder gezamenlijke verantwoordelijklheid moet komen: instrgp FAC, alle JF opleidingen, GLO bij de SQDN, DEC 3D/GLS en evt ook een JKB-JF.

Majoor Marcel Doree

4.4 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Ik ben het oneens met de stelling, gebaseerd op drie argumenten. Ik zal deze hieronder kort aangeven en ik sluit af met een beeld hoe ik de indeling van de FSTs en JFSCCA zie.

Allereerst over de stelling zelf: het woord ‘beter’ impliceert dat de huidige situatie van de FSTs en JFSCCa een probleem oplevert, en dat met dit voorstel het probleem wordt opgelost. Maar wat is precies het probleem? De huidige problematiek m.b.t. FSTs en JFSCCa is naar mijn mening vooral gericht op PG en MG, en minder op commandantenverantwoordelijkheid en/of steunrelaties. Het simpelweg vervangen van de huidige commandostructuur (FSTs en JFSCC organiek binnen een infanterie-eenheid) voor een nieuwe commandostructuur (zoals aangegeven in de stelling) verandert hier weinig aan want een afdelingscommandant heeft niet meer middelen of bevoegdheden op het gebied van PG en MG dan een infanterie-commandant. En in de huidige situatie is een bataljons- of brigadecommandant al in staat een zwaartepunt te verleggen door het tijdelijk verbreken van organieke verbanden en het onderbrengen van (delen) van) FSTs en JFSCCa bij een andere eenheid.

Ten tweede een argument van praktische aard: de afdeling blijft in ’t Harde, de brigades in Havelte/ Oirschot. Waar gaan, in het voorstel van het DEC JFS, de FST’s en JFSCCa werken? Plaatsing in Havelte/ Oirschot betekent veel contact met de eenheden en goed voor de vulling door infanteristen en cavaleristen (die hebben doorgaans weinig zin om te ‘verhuizen’ naar ‘t Harde). Maar werken in Havelte/ Oirschot betekent ook ver van ‘t Harde, in hoeverre kan de batterij/ afdeling dan aan de FSTs en JFSCCa (dagelijkse) leiding geven? Plaatsing in ‘t Harde lijkt mij ook niet wenselijk want ver van de eenheid en slecht voor de vulling door infanteristen en cavaleristen.

Tenslotte een argument van persoonlijke aard; ik heb zowel binnen een afdeling als FO opgetreden (JEOG-peloton, 11AFdRA) als bij een manoeuvre-eenheid (12 Infanteriebataljon RvH). De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik in ’t Harde technisch een betere waarnemer was dan in Schaarsbergen. Maar in Schaarsbergen heb ik geleerd hoeveel voordeel het oplevert als je binnen een manoeuvre-eenheid werkzaam bent. Mijn tactische kennis en afstemming van vuursteun op de manoeuvre was veel beter dan in ‘t Harde en ik had een betere verstandshouding met mijn commandant en staf. Binnen hoofdtaak 1, waar snelle commando- en bevelvoering essentieel zijn, zijn dit aspecten die niet ondergewaardeerd mogen worden.

Maar wat is dan mijn oplossing voor het oplossen van de huidige problematiek? Zoals ik al aangaf liggen de problemen vooral op het gebied van PG en MG; de FSTs worden niet eenheidsgewijs gevuld, er zijn te weinig cursusplaatsen, er zijn nog geen officiële TSPs op niveau 2 en 3 en de kwaliteit en kwantiteit van het materieel is onvoldoende (vtgn, radio’s, optiek etc.). Om dit op te lossen is geen nieuwe commandant voor de FSTs en JFSCCa nodig maar gecoördineerde actie! Actie vanuit het PLC voor een gesynchroniseerde vulling, vanuit de VUSTSchool (en SGLS) voor voldoende cursusplaatsen en TSPn, vanuit de logistieke lijn voor een goede MG etc. De aansturing hiervan moet m.i. vanuit de Bde JFSCC komen. De C-JFSCC is binnen de brigade namelijk al hét aanspreekpunt op het gebied van vuursteun en daarmee de link tussen vuursteun en manoeuvre. Hij (zij) heeft de autoriteit vanuit de brigadecommandant om met andere eenheden/ afdelingen te overleggen en te coördineren. Met de komst van de afdeling binnen de brigade kan de C-JFSCC steun zoeken bij de afdelingscommandant en samen optrekken om de gehele vuursteunketen te verbeteren, maar waarbij de scheiding duidelijk is: afdelingscommandant voor de achterzijde van de kogelbaan, C-JFSCC voor de voorzijde van de kogelbaan.

Majoor Guust Linders

4.5 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Door de Jaren heen heb ik het denk ik ‘allemaal al meegemaakt’.

Bij het LMB Bat wilde de VSO ook de ‘lusten’ van ons als Team FSO/FAC en de Mrn 81. (1998) De ‘lasten’ werden dan wat slechter gedragen, die waren dan voor de Cie.

Als Kap DO binnen het KCEN destijds schreef ik het JEOG concept. (2007)

Ik heb toen geprobeerd objectief te blijven en een consensus te bewerkstelligen tussen de relevante eenheden incl KMARNS.

Het lijstje voordelen waren ongeveer even lang als het lijstje nadelen

De doorslag kon vaak gevonden worden in personen

Wie kon het beter beargumenteren

Schreeuwde het hardste

Of had een betere timing

Het was destijds een groot verschil tussen het JEOG bij 14AfdVA en 11AfdRA.

Dat lag dan vaak aan de C van het Pel, de S3 van de Afd, de brig staf (incl vso/S3 enz) of een combinatie van dat alles.

Toen veel zaken gedaan met C-verk esk van 43, deze wilde de capaciteit graag bij hem onder gebracht hebben.

Misschien omdat dit extra oogjes waren?

Schaarsbergen is bijna altijd half buiten beschouwing gelaten en had geen prio binnen ons KCEN

Had geen eigen afdeling

Maj MR Cie

Geografisch gescheiden in Assen

Daar plukte ik bij 13 Bn wel weer de vruchten van en was het makkelijk coördineren en samen te trainen

Er werd geen besluit genomen door de vuursteun autoriteit.

13MechBrig hield zijn capaciteit (en kwam daar mee weg)

Als Brig VSO had ik daardoor mijn eigen FAC(ers) nog. (2009)

Havelte (43MechBrig) t Harde (14AfdVA en 11AfdRA) lagen dicht bij elkaar en het was voor personeel ‘makkelijk’ om te switchen van standplaats (boven de rivieren)

Oirschot (13MechBrig) had veel meer problemen met behoud door lokale werving (onder de rivieren)

Tweede toer VSO, we hadden geen afdeling meer (2011)

Nieuwe generatie Brig VSO’n ik was OTE niv 6 Vust (2015)

Deze waren geen afd meer gewend en ook niet een eigen Afd –C (ondercommandant van de Brigadier en Vust adviseur)

Ook hier weer conflict door persoonseigenschappen en locatie

14AfdVA bleef veel doen met 43MechBrig (geografisch?)

13MotBrig zag Afd-C niet als adviseur (persoonlijkheden?)

Nieuwe 41 Afd (2018)

Veel integratie tussen de afdeling en 13LtBrig

Ondanks geografie?

Dankzij persoonseigenschappen?

Waar staan we dan nu:

Laten we beginnen (als het kan) met de emotie en ja maar toen……… weg te laten.

Dan is mijn mening nog steeds dat het lijstje voordelen nog even lang is als de nadelen

Er blijven verschillen tussen de eenheden waardoor de weegschaal naar de ene of andere kant over helt (maar dat was vroeger met nog veel meer eenheden niet anders, ook al wilde ik vroeger weglaten).

4. Het belangrijkste is denk ik dat we met één stem blijven spreken als Artillerist gericht op de toekomst en houden aan gemaakte afspraken.

Daarom ben ik het dan ook eens met de stelling, met een kanttekening bij de laatste zin:

De Afd C blijf ondercommandant van de Brigadier en die zal dan het laatste woord hebben m.b.t. prioriteiten i.r.t. oefeningen en inzet. Wel blijft deze dan bepalen wie binnen de Afd en hoe het beste….

Uiteindelijk zitten we in een militaire organisatie en kan deze ook weer overruled worden, helemaal wanneer deze brigades een Zwaar of Medium commando worden.

Wat het ook wordt zal ik uitdragen.

Luitenant-kolonel Jon Wingelaar

4.6 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Het is mij niet helemaal duidelijk of het personeel als standplaats Oirschot, Havelte, Schaarsbergen of Assen zullen hebben. Of dat het personeel als standplaats ’t Harde krijgt en alleen voor oefeningen en inzet TACOM naar de Brigades/Bataljons/ compagnieën gaat.

Persoonlijk denk ik dat het een slecht plan is om al het vuursteunpersoneel in ’t Harde te plaatsen. Mijn inziens is het namelijk zeer belangrijk dat in ieder geval het personeel op compagnies- en bataljonsniveau vast onderdeel is van de gevechtseenheden. Zij zorgen dat de vuursteun ook buiten ’t Harde bekend is. Onbekend is onbemind en dat moeten we natuurlijk voorkomen. Daarnaast is afgelopen jaren postcodeplaatsing steeds belangrijker geworden. Centraliseren in ’t Harde kan betekenen dat minder mensen een functie bij de Art willen.

Dinsdag 13 juni bij de vuursteunmeeting heeft C-VustCo uitgesproken dat centraliseren altijd ten koste gaat van kwaliteit. Daarnaast heeft hij gezegd dat de tekorten aan de achterzijde nog groter zijn dan de te korten aan de voorzijde. Als het centraliseren van personeel als doel heeft om meer balans te brengen in voor- en achterzijde, dan moet dit ook zo gecommuniceerd worden.

Het gebruik van Mr en Art waarnemers vind ik een interessant concept. Voor mij is dit echter niet gelijk een scheidslijn tussen Manoeuvre personeel en Artillerie personeel. Mijn inziens zou dit allemaal Art personeel moeten zijn. Of nog beter gezegd; wapen- en dienstvakken zijn een farce. De juiste mensen op de juiste plek ongeacht label maar gebaseerd op competenties en ervaringsopbouw zou het moeten zijn. Krijgers moeten knokken. Personeel dat goed is in coördineren moet coördineren. En dat is de kracht van de waarnemer meestal.

Waarnemers geplaatst bij de gevechtscompagnieën en JFSCC geplaatst bij het manoeuvrebataljon. Voornamelijk vuren aanvragen/-leiden voor eigen cie met 81mm en bataljons 120mm. wanneer beschikbaar vuuraanvragen/-leiden 155mm. Het vust personeel wat nu werkzaam is als onderdeel van het brigade/divisie gevecht (FST BVE en brigade JFSCC) zouden mijn inziens niet per se direct onder de gevechtsbrigades geplaatst hoeven zijn. Deze zouden onderdeel kunnen zijn van een afdeling/vustco en in een TACOM relatie bij het BHK de brigade met vuuraanvragen/-leiden kunnen voorzien met 155mm en RktArty. Uiteindelijk valt en staat dit wel met de exacte middelen/taken/verantwoordelijkheden van bijvoorbeeld BVE en het FST.

Majoor Thomas van Santen de Hoog

4.7 Reactie op discussiestuk 4: vuursteun

Dit lijkt mij dé manier zodra de afdelingen weer onder de brigade vallen. Hierdoor ook meer mogelijkheid tot sturing zwaartepunt vuursteun vulling, borging van training van de keten, talentherkenning, minder voorzijde – achterzijde sentiment. Personeel aan de DO&VSC kant kan zich focussen op wat er echt toe doet, goed worden in leveren vuursteun in plaats van projectofficier van niet vuursteun gerelateerde zaken.

Majoor Bert Biezeman

Afwachtingsgebied: Reactie op reacties 4.1-4.7 discussiestuk 4: vuursteun

Als eerste wil ik iedereen bedanken die de moeite heeft genomen om een reactie in te zenden, ik zal kort reageren op de reacties. Maj Gert Wibbeling geeft duidelijk argumenten voor beide zijden van de stelling en kiest uiteindelijk voor de teamvorming op compagnies niveau. Hij geeft aan dat dit op gevoel is gebaseerd maar dat is zeker niet onbelangrijk; tenslotte is oorlog voeren een kunst. Maj Chris Geldof kiest voor centralisatie maar vraagt zich af op welk niveau en is bang dat de JTACs ondergesneeuwd zullen raken. Omdat na onderbevelstelling van de afdelingen bij 13X en 43X de afdelingscommandant verantwoordelijk is voor de gehele vuursteunketen ben ik daar persoonlijk niet bang voor. Chris ziet centralisatie bij voorkeur op brigadeniveau zodat de BrigC kan beslissen over inzet en bijv. een zwaartepunt. Maj Guust Linders verwacht dat het wijzigen van de commandostructuur weinig zou veranderen op het gebied van vulling en materiele inzetbaarheid en denkt dat met name de vulling verbeterd kan worden als er eenhoofdige leiding is. Het is niet de bedoeling om alle vuursteuncoördinatie-elementen in ‘t Harde te plaatsen, het is juist de bedoeling om ze dicht bij de manoeuvre eenheden te laten om de band in stand te houden. Hij ziet vooral kansen tot verbetering als de vulling, O&T en de materiele inzet in de huidige organisatie wordt verbeterd. De scheiding voorkant – achterkant kogelbaan zie ik als doctrinair onjuist. “Eenhoofdige leiding” door de afdelingscommandant is essentieel zodat de vuursteun op de juiste wijze t.b.v. het brigadegevecht wordt ingezet. Dat het daarbij belangrijk is dat de afdelingscommandant voldoende kennis heeft van alle zijden van de kogelbaan is evident en bij voorkeur heeft hij zelfs aan beide zijden gediend. Lkol Jon Wingelaar schetst hoe het de afgelopen 25 jaar is gegaan en spreekt uiteindelijk zijn voorkeur uit voor de stelling met als kanttekening dat de brigadecommandant het laatste woord heeft m.b.t. inzet; dat kan ik alleen maar onderschrijven. Ik ben het met Maj Thomas van Santen de Hoog eens dat FSTs zo dicht mogelijk bij de eenheden moeten zitten om een goede band te houden, in principe een vaste relatie met, en een locatie bij, de eenheden lijkt mij prima zolang de AfdC beslissingsbevoegdheid houdt over vulling, O&T, inzet etc. Ik ben het zeker met hem eens dat niet alleen artilleristen in een FST kunnen dienen, het heeft gezien ervaringsopbouw wel mijn voorkeur. Maj Marcel Doree wil graag centraliseren maar is bang dat het werken met een bevelsrelatie naar manoeuvre eenheid en afdeling in de vredesbedrijfsvoering niet gaat werken. Vooralsnog hebben we dit inderdaad nog niet goed ingeregeld en ben ik ook op zoek naar de juiste oplossing hiervoor. Maj Bert Biezeman wil alles centraliseren zodat de focus van FSTs etc volledig gericht is op hun vak en niet op bijzaken. De meningen zijn, zoals het hoort, behoorlijk divers maar ik heb voor beide zijden van de stelling goede argumenten gelezen en zal deze zeker meenemen in de lopende FST evaluatie.

Lkol Rein van der Werf

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB