BLACK STALINGRAD

Bij bestudering van de gemechaniseerde oorlogvoering worden vaak de inzet en tactieken van eenheden in de Tweede Wereldoorlog, de Midden-Oosten oorlogen en de Golfoorlogen bestudeerd. Zo af en toe komen de India-Pakistan oorlogen voorbij, maar er wordt nauwelijks aandacht besteedt aan de gemechaniseerde oorlogvoering in zuidelijk Afrika. En die is er wel degelijk geweest.

Niet alleen heeft Zuid-Afrika gemechaniseerde eenheden ingezet tegen opstandelingen (zoals het ANC, het Afrikaans Nationaal Congres, en de SWAPO, de South West Africa People’s Organisation) op eigen grondgebied, maar ook bij gemotoriseerde raids tegen de opleidingskampen van deze organisaties in de buurlanden van Zuid-Afrika. Hierbij kwam ook vaak tot gevechten met de geregelde legers van deze buurlanden die immers deze organisaties militair vaak steunden. Deze gewapende conflicten wordt ook wel de ‘borderwar’ genoemd. Onderdeel van deze ‘borderwar’ is ondermeer een grootschalige Zuid-Afrikaanse interventie in Angola om dat land te behouden voor communistische machtsovername en te voorkomen dat SWAPO vanuit zuidelijk Angola het toenmalige Zuid-Afrikaanse Zuidwest-Afrika (nu Namibië) zou destabiliseren. Angola werd als dreiging gezien, temeer omdat het land naar lokale maatstaven relatief veel olie en mineralen bezat. Omdat Zuid-Afrika geen economische machtsmiddelen kon inzetten tegen Angola, bleef alleen een militaire interventie over. De grootschalige Zuid-Afrikaanse inval in Angola leidde echter tot de inzet van een omvangrijk Cubaans expeditieleger om de Angolese machthebbers in het zadel te houden. Dientengevolge hebben de Zuid-Afrikaanse, Cubaanse en Angolese gemechaniseerde eenheden onderling een paar grotere gevechten gevoerd. Dit artikel belicht specifiek deze groep grotere gemechaniseerde militaire confrontaties. In de vorige editie van de VOC-Mededelingen schonk de redactie aandacht aan de politieke aanleiding van het conflict en operatie MODULER. Nu volgt het tweede en laatste deel: operatie HOOPER tot en met de vredesakkoorden en een nabeschouwing.

Operatie HOOPER

Cuito Cuanavale werd nu feitelijk belegerd door UNITA (Uniao Nacional para a Independence Total de Angola) en de SADF (South African Defence Forces). De FAPLA (de Forças Armadas Populares de Libertaçao de Angola), de legereenheden van de Angolese regeringspartij Movimento Popular de Libertaçao de Angola (MPLA), had haar eenheden op de hoge grond ten oosten van de stad gegroepeerd en haar troepen ingegraven. De FAPLA luchtmacht had bovendien geleerd van haar eerdere verliezen en een luchtverdedigingsring rond de stad gelegd, gesteund door gevechtsvliegtuigen van nabij gelegen vliegvelden in midden Angola. De SAAF (South African Air Force) vliegtuigen daarentegen moesten grote afstanden afleggen vanaf hun bases om het gevechtsterrein rond Cuito Cuanavale te bereiken. Met andere woorden: de sortie rate van Angolese en Cubaanse vliegtuigen was aanmerkelijk groter dan die van de SAAF. Ook werden FAPLA troepen uitgerust met draagbare luchtdoelraketten. Bovendien moesten SAAF piloten dieper in Angola steeds lager vliegen om de Angolese radarsystemen te omzeilen. Ook dit kwam de fitheid van de piloten niet ten goede. Kortom: het eerdere Zuid-Afrikaanse luchtoverwicht was langzamerhand verdwenen.

Omdat 32 Buffalo bataljon (32 Bat) voor andere taken was teruggetrokken, bleven feitelijk alleen de 61 Gemechaniseerde Bataljonsgroep (61 Mech) en 4 Gemechaniseerde Infanteriebataljon (4SAI) over om ingezet te worden. Wel was er inmiddels een tweede tankeskadron aangetrokken. De FAPLA had haar brigades in drie verdedigingslinies georganiseerd. De eerste linie lag op de hoogterand van Chambinga, van noord naar zuid: 21 Brigade, 59 Brigade en 25 Brigade. De tweede linie lag dichter bij de Cuito rivier, van noord naar zuid 16 Brigade, 66 Brigade en 3 Tankbataljon. De derde linie lag west van de Cuito rivier en bestond uit de 13 Brigade. De Cubaanse eenheden waren verdeeld over de linies. De zuidelijke nadering werd slechts bewaakt door één FAPLA infanteriecompagnie, maar dit werd niet uitgebuit door de SADF.

Fase 1

Op 13 januari 1988 werd de aanval ingezet. Na een zwaar artilleriebombardement vielen UNITA brigades aan met het zwaartepunt op 21 en 59 FAPLA brigades. De UNITA eenheden waren echter niet in staat om door te breken. Op 2 januari slaagde de SAAF er wel in om de brug bij Cuito zwaar te beschadigen, maar met Cubaanse hulp legde de Angolezen een houten pontonbrug ten zuiden er van om de logistieke aanvoerlijnen open te houden. De Cubanen doopten deze brug ‘Patria o Muerte’ (vaderland of dood). 4 SAI, versterkt met tankeskadrons, viel nu 21 FAPLA Brigade aan, ten zuiden afgeschermd door 61 Mech. Ondanks hevig FAPLA verzet en interventie van de Cubaanse luchtmacht, slaagde de aanval. Desondanks was er nog altijd geen gat in de FAPLA verdedigingslinie en ook 61 Mech kon het succes niet uitbuiten door gebrek aan eigen tanks. De SADF trok daarom haar eenheden terug en gaf de gewonnen posities over aan UNITA eenheden. Een paar dagen later versterkte de FAPLA de 21e Brigade en heroverde haar positie op de UNITA.

Fase 2

Op 14 februari probeerde de SADF het opnieuw. Nu was de middelste 59 FAPLA Brigade het voornaamste doelwit. De SADF hoopte dat de vernietiging van deze (sterke) FAPLA brigade de Angolezen zou doen besluiten de twee buitenste brigades terug te trekken op de tweede verdedigingslinie in de zogenaamde Tumpo-driehoek. Intussen was echter de brug over de Cuito gerepareerd en stroomden Angolese en Cubaanse versterkingen over de rivier. De Zuid Afrikaanse aanval, vooraf gegaan door zwaar artillerievuur, veroorzaakte paniek onder 21 en 59 FAPLA brigades. 4 SAI veegde zonder veel moeite door de posities van 59 Brigade. Maar de Angolese leiding hield het hoofd koel en gaf 3 Tankbataljon en de bij 66 Brigade ingedeelde Cubaanse tanks opdracht 4 SAI richting noord in de flank aan te vallen. De SADF had echter rekening gehouden met deze dreiging en 61 Mech ten zuiden van 4 SAI ingezet. Dit resulteerde in een hevig tankgevecht, waarbij een Cubaanse tankcompagnie aanvallende SADF gemechaniseerde eenheden in de val lokte. Slechts superieure gevechtsleiding en tankgunnery redde de SADF eenheid. Een versterkte aanval van 59 Brigade om haar posities te heroveren werd afgeslagen. De SADF had echter weer genoeg en trok haar eenheden terug. De SADF aanval had de eerste FAPLA verdedigingslinie doen instorten, maar de tweede verdedigingslinie was nog intact en werd nu de hoofdweerstandslijn.

FAPLA en de Cubanen hadden posities gekozen in de zogenaamde Tumpo-driehoek. Een gebied van ongeveer 30 km2 tussen de Dala rivier (noord), de Tumpo rivier (zuid) en de Cuito rivier (west). Dit beperkte gebied beroofde de SADF dus van haar grootste troef, haar tactische beweeglijkheid. FAPLA eenheden ruimden schootsvelden en legden uitgestrekte mijnenvelden aan om zich voor te bereiden op een nieuwe SADF aanval. FAPLA en de Cubaanse artillerie waren bovendien op de hooggelegen gebieden ten westen van de rivier de Cuito instelling gegaan met goed zicht op de verwachte SADF naderingen.

Eerste aanval op Tumpo

Op 25 februari viel de SADF voor het eerst de zuidelijke stellingen van 25 Brigade rond Tumpo vanuit het oosten aan. De aanval werd uitgevoerd door 61 Mech, versterkt met een eskadron tanks. UNITA voerde misleidingsaanvallen uit. 32 Buffalo bataljon viel vanuit het zuiden aan. De aanval verliep niet volgens plan. Hoewel de FAPLA soldaten van 25 Brigade in sommige gevallen naar achteren vluchtten, liep de aanval van 61 Mech vast in een mijnenveld en het vastgelopen bataljon werd hevig geraakt door aanvallende MIG vliegtuigen en hevig FAPLA en Cubaans artillerievuur. Hoewel de daadwerkelijke verliezen meevielen, was de SADF gedwongen om zich terug te trekken. Het operationele doel, de Angolese en Cubaanse troepen naar het westen van de rivier de Cuito te drijven, was niet bereikt.

Naast de langzaam oplopende gevechtsverliezen werd het ook steeds moeilijker de nu al maanden ingezette SADF gevechtsvoertuigen en artillerie (G5, G6), Ratels pantservoertuigen en Olifant tanks inzetbaar te houden. Bovendien misten de SADF luchtdoelartillerie om de Cubaanse en Angolese MIG vliegtuigen van zich af te houden. De FAPLA luchtmacht bezat min of meer plaatselijk luchtoverwicht, waardoor SADF manoeuvres vroegtijdig werden gespot en gehinderd.

Tweede aanval op Tumpo

Op 29 februari probeerde de SADF het tegen beter weten in, opnieuw. Dit maal met een nachtaanval. 4SAI plaatste een schijnaanval in het zuiden, terwijl het zwaar versterkte 61 Mech het nu vanuit het noordoosten aanviel. Na een eventuele doorbraak zou een flankaanval worden ingezet en een speciale UNITA commando-eenheid zou worden ingezet om de brug te vernietigen. Maar de Cubanen hadden dit verwacht en de avond ervoor een speciale genie-eenheid naar die plaats gestuurd en anti-tank mijnen op de naderingen gelegd. De nachtaanval begon goed, maar het regende pijpenstelen en de mijnenrollers die op de tanks gemonteerd moesten worden, waren nog niet gearriveerd. De nachtaanval werd uitgesteld tot dagaanbreken. De voorste stellingen van de FAPLA waren verlaten en de aanvalsmacht kwam tot op 4 km van de brug over de Cuito rivier. Maar toen de regen stopte en de lucht opklaarde, stegen de MIG’s op en al snel was de lucht verzadigd met aanvallende vliegtuigen. Ook de Cubaanse en FAPLA artillerie en mortieren werden massaal ingezet. De SADF aanval werd desondanks voortgezet en maakte voorgang totdat ze in een zorgvuldig opgezet Cubaanse killzone terechtkwamen en meerdere voertuigen treffers ontvingen. Meldingen dat een Cubaanse tegenaanval met tanks op handen was, deed 61 Mech terugtrekken. Wonderbaarlijk was geen enkele SADF soldaat gedood.

Operatie PACKER

De SADF probeerde het op 23 maart nog een keer. Maar niet nadat verse troepen van 82 Brigade vanuit Zuid-Afrika waren ingebracht. Deze brigade nam het over van de oude 10 TF (Task Force). Twee nieuwe Olifant eskadrons van het Regiment President Steyn werden aangetrokken, evenals twee nieuwe gemechaniseerde bataljons van Regiment De La Rey en Regiment Groot Karoo om 61 Mech en 4SAI te vervangen. Ook de artilleriebatterijen werden vervangen. 32 Buffalo bataljon bleef ter plaatse. De sterkte van de 82 Brigade was dus ongeveer even groot als die 10 TF. Alleen bestond ze voor het merendeel uit reservisten, die veelal adequate training miste.

De Angolezen en Cubanen benutten de drie weken tussen de tweede en derde SADF aanval goed. Nog meer mijnenvelden werden gelegd en meer tanks werden aangetrokken. Ook stond een speciale tankeenheid gereed voor de directe beveiliging van de Cuito-brug. Het SADF aanvalsplan van operatie PACKER leek op dat van de vorige poging, met 32 Buffalo bataljon ingezet bij een misleidingsaanval ten zuiden van de Tumpo rivier om een bruggenhoofd over de Cuito rivier te vormen. Daarna zouden de twee nieuwe gemechaniseerde bataljons en de twee verse tankeskadrons weer vanuit het noordoosten aanvallen en proberen de brug te bereiken. In de nacht van 22 op 23 maart werd de aanval ingezet, maar het ging vanaf het begin af aan mis, doordat gidsen de weg kwijt raakten en een tank met mijnroller op zijn zijkant kwam te liggen. Zware bewolking hinderde enigszins de inzet van Cubaanse MIG vliegtuigen. Rond het middaguur op 23 maart ging de aanval nog steeds voorwaarts, maar de Cubanen en Angolezen zetten wederom massaal artillerievuur in en dit maal ook raketvuur van BM-14 en BM-21 raketwerpers. Ook liepen de SADF eenheden in een tweede onbekend mijnenveld en de verliezen liepen op, vooral onder de op de tanks meerijdende UNITA soldaten. Omstreeks 13.30 uur klaarde de lucht en de snel opstijgende MIG’s vergrootten de Zuid-Afrikaanse problemen. De aanval moest weer worden afgebroken en drie kapotte Olifant tanks moesten worden achtergelaten, mooie trofeeën om de Cubaanse overwinning aan de wereld te tonen.

Na de mislukte SADF aanval voerde de FAPLA wederom verse eenheden aan in de Tumpo-driehoek. Vooral veel tanks, waaronder enkele T-62 tanks. Ook werd de zuidwest nadering naar Cuito Cuanavale beter afgeschermd. De SADF reorganiseerde haar eenheden en ruilde 82 Brigade om voor de oude en ervaren 20e Brigade. Deze eenheid had slechts tot taak Angolese en Cubaanse uitbraken uit het bruggenhoofd te voorkomen. Deze situatie duurde tot augustus, waarna de SADF eenheden zich terugtrokken naar Zuid-West Afrika.

Laatste gevechten en vredesakkoorden

De SADF nederlaag rond Cuito Cuanavale was natuurlijk een enorme opsteker voor het Angolese bewind en de Cubanen. De nieuw gearriveerde 50e Cubaanse Divisie werd ontplooid in de Cunene provincie om een dreiging voor te stellen richting Zuid-West Afrika. In totaal werden drie Cubaanse Task Forces ontplooid met zes infanterieregimenten en een speciale tankbrigade met 40 T-62 tanks. De eenheden waren ruim van luchtverdedigingsmiddelen en (raket) artillerie voorzien. Van de 50.000 in Angola aanwezig Cubanen waren maar liefst 20.000 in deze regio gepositioneerd. De SADF voelde zich bedreigd en begon verdedigingsplannen op te stellen en eenheden samen te trekken. Op 18 april liepen eenheden van 101 Mech in de Cunene provincie in een Cubaanse val. Dit gevecht werd echter nog wel gewonnen door 101 Mech.

Op 24 juni volgde een groter Cubaans offensief, dat slechts gestopt kon worden door zware gevechten door 61 Mech en 32 Buffalo bataljon (Operatie EXCITE). Hoewel de meeste verliezen aan Cubaanse zijde vielen, eindigde de slag onbeslist. De Cubanen wilden vermoedelijk niet de grens met Zuid-West Afrika oversteken maar zochten naar een manier om de SADF te intimideren en uit Angola te doen terug trekken. Dit lukte want de SADF trok vrijwel alle eenheden terug uit Angola. Het besef groeide dat de intensiteit van deze oorlog niet langer vol te houden was. Achter de schermen werd echter intensief onderhandeld en in ruil voor Cubaanse terugtrekking uit Angola was Zuid-Afrika bereid verkiezingen toe te staan in Zuid-West Afrika. Medio 1988 werd overeenstemming bereikt en op 22 december werd in New York tussen Angola, Cuba en Zuid Afrika een formeel vredesakkoord gesloten. Zuid-Afrika staakte haar steun aan UNITA. De oorlog om Angola was na 23 jaar vrijwel over.

Maar niet nadat op 1 april 1989 nog een grote SWAPO actie werd uitgevoerd. 2000 SWAPO strijders infiltreerden vanuit Angola naar Zuid-West Afrika. Er werd onmiddellijk een militaire tegenactie gestart waaraan de beruchte anti-guerrilla politie-eenheid ‘Koevoet’ deelname, samen met 101, 102 en 61 Mech. Na 9 dagen was SWAPO verslagen en de rust voorlopig weergekeerd. Op 21 maart vonden uiteindelijk verkiezingen plaats die SWAPO won. De vrede keerde terug in Namibië. Helaas nog niet in Angola, want het duurde nog enkele jaren tot de dood van UNITA leider Savimbi, voordat de MPLA UNITA definitief had verslagen.

Nabeschouwing

Er vallen een paar dingen op bij de inzet van de SADF eenheden. Over het algemeen waren de gemechaniseerde SADF eenheden in staat door hun superieure techniek en tactiek de overhand te houden op grotere Angolese en Cubaanse eenheden. Er werd vaak gebruik gemaakt van misleidingsaanvallen die over het algemeen goed werden doordacht en opgezet, en ook significante gevechtskracht kregen toegewezen om de afleidingsdoelstelling te kunnen bereiken. De gevechtsdiscipline en vuurverdelingstechnieken waren bewonderenswaardig en ook onder zware vijanddruk behielden de SADF eenheden hun cohesie. Die gold echter niet voor de reserve eenheden van de 82ste Brigade die tijdens Operatie PACKER geen standvastigheid tijdens het gevecht vertoonden. De gevechtsvoertuigen van de SADF (Ratel en Cassir pantservoertuigen, Olifant tanks) waren van goede kwaliteit en in staat treffers of mijnexplosies te incasseren en toch in inzetbaar te blijven.

Opvallend was daarnaast het gebrek aan eigen gespecialiseerde SADF verkenningseenheden. Over het algemeen werd vertrouwd op UNITA gidsen en gevechtsveldverkenning door de voorste eenheden. Dit resulteerde in een aantal onaangename verrassingen, zoals plompverloren in mijnenvelden en Cubaanse vuurzakken rijden. Ook was er te weinig SADF artillerie. Met name in de latere operaties waren er niet genoeg stukken om tegelijkertijd vuursteun aan de oprukkende eenheden én grondwapensysteembestrijding in de diepte uit te voeren. Ook logistiek was er het nodige aan te merken. De SADF planning ging uit van kort durende anti-guerrilla raids (max 30 dagen) en was nooit voldoende toegerust om gedurende maanden grotere gemechaniseerde operaties te ondersteunen. Bovendien waren de aanvoerwegen te lang en in slechte staat, waardoor het moeilijk was de SADF eenheden inzetbaar te houden. Luchttransport werd in latere fase door het Angolese en Cubaanse luchtoverwicht steeds moeilijker.

Daarnaast werden ook de Olifant tanks verkeerd ingezet. Ze werden ingezet om zelfstandig door de mijnenvelden te breken (met een tekort aan mijnenrollers) in front van vijandelijke opstellingen. Er werd uit angst voor teveel verliezen daarnaast verzuimd om SADF infanterie en genie in te zetten om doorgangen te creëren. Ondanks de uitstekende mogelijkheden om in de Angolese bush met uitgestegen infanterie omtrekkende bewegingen te maken, bleef dit vaak uit angst voor verliezen achterwege. Tekenend hiervoor is de favoriete SADF tactiek van ‘firebelt’: er werd een vuurwals van indirect en direct vuur gecreëerd, waarbij uit alle macht met de boordwapens werd gevuurd, terwijl de gevechtsvoertuigen langzaam voorwaarts rolden. Ook de infanterie vuurden hun handvuurwapens dan bovenluiks af. De SADF had dus de neiging dicht in de buurt van hun Ratel-pantservoertuigen te blijven en vooral door middel van superieure vuurkracht en vuurdiscipline voorwaarts te gaan.

Een ander nadeel was dat de SADF na 1985 de slag in het elektromagnetisch spectrum verloor. Aanvankelijk was men in staat FAPLA en Cubaanse transmissies te intercepteren, maar in de latere jaren slaagde men daar niet meer in. Hierdoor gingen waardevolle inlichtingen over de intenties van de tegenpartij verloren. Over het verliezen van het luchtoverwicht en gebrek aan luchtverdedigingsmiddelen is al voldoende opgemerkt. Het verliezen van het luchtoverwicht was echter doorslaggevend. Hierdoor konden de beweeglijke gemechaniseerde SADF eenheden hun superieure mobiliteit en gevechtstactieken niet langer ten volle benutten en eindigden operaties vaak in infanterie-gevechten rondom bunkers, stellingen en loopgraven, compleet met zwaar artillerievuur. En de angst om blanke dienstplichtige Zuid-Afrikaanse soldaten teveel risico te laten lopen, maakte dat de SADF dergelijke gevechten nooit kon winnen.

Een paar opmerkingen moeten gemaakt worden over de Cubaanse gevechtskracht. De eerste confrontaties met Cubaanse eenheden hadden niet veel indruk op het SADF-personeel gemaakt, maar dat veranderde daarna snel. De Cubanen bleken goede leerlingen te zijn en ook bereid tot massale hulp aan FAPLA. Alles werd uit de kast gehaald om de SADF te weer te kunnen stellen. Ze bleken al snel (nog beter dan de eerste Sovjet-Russische adviseurs) in staat te zijn goede verdedigingsstellingen te organiseren, compleet met vuurzakken en optimaal gebruik van alle wapens. Ook was hun vuursteun systeem goed georganiseerd. Misschien niet altijd accuraat, maar massaal genoeg om indruk te maken op de SADF infanterie. De Cubanen waren ook agressief en snel bereid tot tegenaanvallen. De Cubaanse tanks bleken ook een geduchte tegenstander, zeker na de introductie van de T-62 tanks. Opvallend was ook de kwaliteit van de lagere officieren. In tegenstelling tot hun Sovjet-collega’s vertoonden ze veel gevechtsveldinitiatief.

Op de hogere SADF leiding was het nodige aan te merken. De tactische bevelvoering op bataljonsniveau was vaak uitmuntend maar door bemoeienis van de SADF leiding in Pretoria (en soms politieke interventie) was de speelruimte van de hogere SADF officieren ter plaatse gering. Kansen om operationeel voordeel te behalen door SADF eenheden ten westen van de Cuito rivier in te zetten werden uit politiek oogpunt niet benut, waardoor frontale aanvallen ten oosten van de rivier op het bruggenhoofd overbleven. Ook werden naderingsmogelijkheden vanuit het zuiden niet uitgebuit met infanterieaanvallen en bleef men vast houden aan het meer open (en dus geschikt voor gemechaniseerde eenheden) terrein ten noorden van de Tumpo-driehoek. En er werd geen mission command toegepast. Generaals bemoeiden zich met de kleinste tactische details. Aanvalsplannen van de SADF brigades moesten zelfs goedgekeurd worden door Pretoria en Pretoria moest zelfs geconsulteerd worden voor het nemen van zwaarwegende tactische besluiten op het gevechtsveld!

Maar het ergste was dat de SADF topleiding altijd op twee gedachten hinkte. Men wilde UNITA in de oorlog houden en de FAPLA een knock-out verkopen. Maar er werden teveel troepen ingezet om UNITA in de oorlog te houden, maar te weinig voor een complete knock-out. Zeker niet toen ook Cubaanse troepen zich in de strijd mengden. De dreun die FAPLA verkocht werd, was overigens stevig. Pas in 1989/1990 kon de FAPLA haar offensief tegen de UNITA opnieuw beginnen. Maar de verkochte dreun had ook tot uitputting van Zuid-Afrika geleid en tot een politiek isolement. En dat leidde op haar beurt tot verlies van Zuid-West Afrika. De verloren legitimiteit van het Zuid-Afrikaanse optreden beschadigde internationaal en nationaal de geloofwaardigheid van het regime en zou één van de oorzaken worden van de ineenstorting van het apartheidsregime. Ondanks de geweldige Angolese en Cubaanse verliezen aan voertuigen en personeel, was het stuklopen van de SADF aanvallen op het bruggenhoofd van Cuito Cuanavale feitelijk de ommekeer in de Zuid Afrikaanse betrokkenheid in de oorlog. De betiteling ‘Black Stalingrad’ is dus begrijpelijk en terecht. Net zoals de Duitse suprematie vastliep op de taaie Russische verdediging in Stalingrad, bezweek ook de Zuid-Afrikaanse militaire superioriteit onder de taaie Angolese en Cubaanse verdediging, het vermogen van deze landen om verliezen te accepteren en zich militair te herstellen, en de gemaakte foute strategische en tactische beslissingen aan Zuid-Afrikaanse zijde.

Verder lezen?

Dit artikel is gebaseerd op het boek van Leopold Scholtz, ‘The SADF in the Border War’, Helion & Company, Solihull, 2015. Een aanrader voor geïnteresseerde militairen. Voor de diepere politieke achtergronden: Paul L. Moorcraft, ‘African Nemesis’, Brassy’s, London, 1990, en Al. J. Venter, ‘Battle for Angola, the End of the Cold War in Africa 1975-89’, Helion & Company, Solihull, 2017. Verder: Frank Welsh, ‘A History of South Africa’, Harper Collins Publishers, London, 1998.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB
X