De Westerse duiders maken het ontzettend duidelijk. Naast Rusland is China één van onze grootste bedreigingen. Ik ga het in deze Eigen Troepen niet hebben over Rusland. Ik heb zo mijn twijfels over de manier waarop dat land wordt neergezet als de potentiële bedreiging van het NATO-grondgebied. Hoe dan? Totaal niet in staat om zelfs maar een paar vierkante kilometers terrein te veroveren, bezetten en behouden in Oekraïne en toch zouden ze over Europa heen walsen…?
Wie het nieuws volgt, krijgt gemakkelijk de indruk dat China de nieuwe grote bedreiging van de wereldorde is. Chinese oorlogsschepen rond Taiwan, spierballentaal van diplomaten, invloed in Afrika en Zuid-Amerika, miljarden-investeringen in havens en infrastructuur over de gehele wereld. Het beeld ontstaat van een macht die stap voor stap de wereld naar haar hand wil zetten. Toch is dat beeld maar ten dele juist. China is zonder twijfel opportunistisch in het verdedigen van haar eigen belangen, maar dat maakt het nog niet automatisch een expansieve militaire bedreiging zoals sommige commentatoren suggereren.
Om China te begrijpen, helpt het om niet uitsluitend met een westerse bril te kijken. De Chinese buitenlandse politiek is namelijk geen simpel product van een communistische ideologie of van modern nationalisme. Zij wortelt diep in een eeuwenoude strategische cultuur waarin harmonie, stabiliteit, hiërarchie en staatsmacht centraal staan. Juist wij als militairen, die maar wat vaak verwijzen naar Sun Tzu zouden hier meer begrip voor moeten hebben. Of hebben we de oude Meester toch iets minder goed gelezen en vooral begrepen…
In de Confucianistische traditie draait het leven en dus ook de politiek om harmonie en orde. Confucius zag wanorde als het grootste gevaar voor samenleving en staat. Internationale relaties werden historisch beschouwd als een hiërarchisch systeem waarin China de centrale macht vormde en omliggende staten zich daarnaar voegden. Dat klinkt arrogant, maar hiërarchie was in het klassieke Chinese denken een manier om het vertrouwen te organiseren. Dit is eigenlijk heel vergelijkbaar met hoe de militaire hiërarchie in elkaar zou moeten zitten. Dit hiërarchische systeem van vertrouwen maakte dat de noodzaak van gewapende conflicten om verhoudingen af te dwingen, afwezig was. Oorlog was in het oude China dus zeker geen voortzetting van de politiek met andere middelen. Ik zou durven beweren dat dit het in het nieuwe China ook niet zo is.
Daartegenover staat een andere invloedrijke Chinese traditie: het legalisme. Die stroming laat weinig of geen ruimte aan ethiek. Denkers als Han Feizi gingen ervan uit dat macht uiteindelijk belangrijker is dan moraal. Een sterke centrale staat, controle en wantrouwen tegenover rivalen zijn daarin essentieel. In veel opzichten herkennen we dit nog steeds in het huidige China. De nadruk op territoriale integriteit, interne stabiliteit en een sterke krijgsmacht als laatste garantie van veiligheid vertellen allemaal het verhaal dat macht datgene is wat werkt en wat uiteindelijk ook de ethiek bepaald. “als een zakenman er in slaagt om een geel vloerkleed te verkopen terwijl het een rood exemplaar is en de koper is tevreden, dan heeft hij niet gelogen maar succesvol zakengedaan”. De controle-maatschappij die het huidige China kenmerkt is een direct uitvloeisel van deze filosofie. Hoewel dit denken in feite behoorlijk haaks staat op het Confucianisme, heeft het wel hetzelfde doel namelijk, het bevorderen van Harmonie.
Daarbovenop kwam in de twintigste eeuw het communisme van Mao. Anti-imperialisme en wantrouwen tegenover het Westen werden vaste onderdelen van het Chinese denken. Maar zelfs het communisme werd uiteindelijk pragmatisch ingevuld. Deng Xiaoping koos vanaf de jaren zeventig nadrukkelijk voor economische ontwikkeling boven ideologische strijd. Zijn beroemde advies “hide your strength, bide your time” vat decennia Chinees buitenlands beleid goed samen. Het vertelt ook waarom China in staat is om echt op de lange termijn te denken en te beslissen. Iets waarin de steeds hijgeriger wordende Westerse politiek, gedreven door X en andere sociale media, ontzettend slecht in is geworden. President Roosevelt begreep waarschijnlijk veel van de Chinese filosofie toe hij zei: “speak softly and carry a big stick”.
Onder president Xi is de toon onmiskenbaar veranderd. China is assertiever geworden. Maar lijkt ook terug te gaan in de tijd. President Deng gaf ruimte aan individuele ondernemers, hij stond particulier bezit in beperkte mate toe en gaf boeren de gelegenheid om op kleine stukjes grond gewassen te verbouwen voor eigen gebruik. Dit is voor een groot deel teruggedraaid door Xi. Of dat slim is valt te bezien want een belangrijk deel van het economische succes kwam mede voort uit dat particuliere initiatief. AliExpress en Temu zijn daar sprekende voorbeelden van.
Geopolitiek lijkt de tijd van bescheidenheid voorbij. Het Belt and Road Initiative, de enorme wereldwijde investeringsstrategie in havens, spoorlijnen en infrastructuur, is daar een voorbeeld van. Dit is geen kolonialisme in de klassieke zin. Het is wel investeren in invloed op de lange termijn. Het feit dat China-town in Khartoem (Sudan) groter is dan die in New York zegt hierbij voldoende. Dat de haven van Hamburg grotendeels Chinees is ook…
Diplomatiek en militair is China een speler van belang geworden. De zogenoemde “wolf warrior diplomacy” maakt China een belangrijke speler op de achtergrond. Wolf Warrior staat weer haaks op de “Bide your time” filosofie van Deng. Vrij vertaald is het de “Diplomatie met de Grote Bek”. Een hele ander “grote Bek” dan die van Trump overigens. De Chinese is namelijk zeer consistent, vasthoudend en daardoor geloofwaardig en invloedrijk.
De conflicten in Oekraine, Iran maar ook in de rest van het Midden Oosten worden sterk beïnvloed door China, juist door de invloed die zei hebben op belangrijke spelers in die conflicten. Daarnaast moderniseert China zijn leger in hoog tempo, met bijzondere aandacht voor marine, raketten, AI en cyber. Rond Taiwan en in de Zuid-Chinese Zee neemt de militaire druk zichtbaar toe.
Toch is het belangrijk onderscheid te maken tussen assertiviteit en expansionisme. China gebruikt macht primair om zijn directe omgeving en eigen regime veilig te stellen, niet om wereldwijd gebieden militair te bezetten. Dat verschil wordt in het Westen soms onderschat. Even terug naar de Confuciaanse traditie: China streeft naar de afwezigheid van wanorde in internationale relaties en doet dit door zichzelf neer te zetten als machtig en vooral stabiel (betrouwbaar).

Historisch gezien heeft China zeker wel militair geweld gebruikt. De interventie in de Koreaanse Oorlog, de korte oorlog met India in 1962 en het conflict met Vietnam in 1979 laten zien dat Beijing bereid is geweld in te zetten wanneer het vitale belangen bedreigd ziet. Maar opvallend genoeg waren dit meestal begrensde conflicten met concrete regionale doelen. China kent, anders dan veel Europese koloniale mogendheden of zelfs de Verenigde Staten in de twintigste eeuw, nauwelijks een traditie van langdurige militaire interventies ver van huis.
Dat betekent niet dat China “lief” of ongevaarlijk is. Integendeel. Voor Taiwan is de dreiging zeer reëel. Ook kleinere landen in de Zuid-Chinese Zee ervaren Chinese druk dagelijks. Bovendien gebruikt Beijing economische afhankelijkheid soms als politiek drukmiddel. China voert een machtspolitiek die opportunistisch gebruikmaakt van zwaktes in de internationale orde. Waar hebben we dat meer gelezen? Sun Tzu wees er ook meermalen op dat het voorkomen van oorlog de beste manier was om deze te winnen. De zwakte van de tegenstander, als er dan al gevochten moest worden, moet worden gedefinieerd als aangrijpingspunt.
China is natuurlijk geen fijn land als je puur kijkt naar de controle-staat die het is geworden. Het is een ronduit verschrikkelijk land als je kijkt naar hoe men omgaat met etnische en religieuze minderheden.
Het is echter ook een land met een enorme historische en culturele traditie. Een land dat zich in relatief korte tijd heeft opgewerkt van een enorme armoede naar een land dat zich op het gebied van economie, wetenschap en cultuur kan meten met ieder Westers land.
Het is bovendien een land waar wij als Westerlingen een hoop van kunnen leren als het gaat om het op lange termijn kunnen denken, investeren en daadwerkelijk realiseren van doelen die ver voorbij de volgende verkiezingen of voorbij het laatste talkshow-optreden liggen.
Maar opportunisme is iets anders dan ideologische expansiedrift. China lijkt minder geïnteresseerd in het exporteren van een wereldrevolutie dan de Sovjet-Unie ooit was. Het wil vooral erkenning als grote mogendheid, veiligheid rond de eigen grenzen en toegang tot markten, grondstoffen en technologie. Veel Chinese strategie draait uiteindelijk om het voorkomen van instabiliteit — intern én extern.
Daarom is het riskant om China uitsluitend neer te zetten als een nieuwe existentiële vijand van het Westen. Zo’n benadering kan gemakkelijk leiden tot een self-fulfilling prophecy waarin wantrouwen wederzijds escaleert. Wie elke Chinese investering interpreteert als een voorbode van overheersing, ziet uiteindelijk alleen nog dreiging.
Een realistischer beeld is dat China zich gedraagt zoals opkomende grootmachten zich vaker gedragen: ambitieus, zelfbewust en opportunistisch. Niet fundamenteel altruïstisch, maar ook niet per definitie gericht op mondiale militaire overheersing.
Misschien is dat wel de belangrijkste les. China hoeft niet geromantiseerd te worden, maar ook niet gedemoniseerd. Het is geen onschuldige handelspartner, maar evenmin een staat die morgen Europa wil binnenrollen. Het is vooral een beschavingstaat met een lange geschiedenis, een sterk ontwikkeld gevoel van eigen belang en een leiderschap dat machtspolitiek bedrijft zoals grootmachten dat altijd hebben gedaan.
Dat vraagt niet om angst, maar om nuchterheid. Misschien moeten we ons ook eens afvragen of we ook iets kunnen leren…






















