7,5 cm Bofors bergkanon, 1935 (Collectie NIMH).
7,5 cm Bofors bergkanon, 1935 (Collectie NIMH).

De Commissie van Proefneming in Nederlands-Indië

Eind oktober 2021 werd op de Legerplaats bij Oldebroek door de beproevingsgemeenschap en oudgedienden feestelijk stilgestaan bij de 155e jaardag van de Commissie van Proefneming (CvP). Dat blijkbaar in het voormalige Nederlands-Indië op een schietkamp bij Bandoeng (Java) een soortgelijke commissie als in Nederland beproevingen uitvoerde aan het geschut lijkt echter nauwelijks in de (militaire) geschiedschrijving aandacht te hebben gekregen. Met dit artikel beoog ik de lezer meer inzicht te geven in het beproevingswerk wat ver weg, onder vaak uitputtende tropische omstandigheden, door zeer bevlogen artilleristen voor de artillerie van het Nederlandse Oost-Indische leger (KNIL) werd verricht. Het artikel stoelt hoofdzakelijk op berichten in de Indische kranten van destijds en publicaties die verschenen in het Indisch Militair Tijdschrift en de Militaire Spectator.

 

 

Een Indische CVP

Onderzoek naar de effectiviteit van het artilleriewapen kwam al voor vanaf het moment dat er geschut op het slagveld aanwezig was. Bij de artillerie, en ook de infanterie, werden tijdelijke commissies samengesteld om proeven uit te voeren. In Indië waren proefnemingen eveneens een bekend verschijnsel. In commissieverband werden proeven genomen met geschut om de effectiviteit ervan onder Indische omstandigheden te testen en schootstafels te bepalen. Officieren van het Oost-Indische Leger woonden in Nederland of bij fabrikanten testen bij. Ook kwam men tot voorstellen voor een verbeterd ontwerp van het geschut of de munitie.

Om de specifieke technische kennis te borgen die voor proefneming benodigd was en vooral in de praktijk werd opgedaan, ontstond de behoefte aan een commissie met een meer permanent karakter. De ‘Hollandse’ CvP kreeg op 15 december 1866 met een ministeriële aanwijzing van de minister van Oorlog een formele status in Nederland.1 De ‘Indische’ CvP werd vermoedelijk ingesteld in 18712 . Drie jaar later kreeg de ‘president’ van deze commissie pas een formatieve basis doordat door het ministerie van Koloniën een kapitein aan de sterkte van de Indische artillerie werd toegevoegd.3 Deze kapitein werd opgenomen in het hoofdbureau der artillerie (Stafafdeling III) van het departement van Oorlog van de Legercommandant. De samenstelling van de commissie beperkte zich jarenlang tot slechts drie leden. De voorzitter had twee luitenants ter beschikking die voor een korte periode werden gedetacheerd. Hoewel de Indische artillerie een factor drie kleiner was, stond toen de omvang niet in verhouding tot haar Hollandse evenknie waar een (luitenant-)kolonel met twee kapiteins en twee luitenants organiek de commissie vormden.

Viering 50 jarig bestaan schietkamp Batoedjadjar, nabij officiersmess, 1931. De artillerievlag werd gemaakt door mevr. van Boldrik, echtgenote van de latere voorzitter CvP (Collectie NIMH).

Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw nam de organieke omvang van de CvP toe als gevolg van de aankoop van materieel in verband met de Japanse dreiging in Zuidoost Azië. Zo resulteerde de opkomst van het luchtwapen in de instelling van een luchtdoelcommissie dat op Batoedjadjar de introductie van luchtdoelartillerie moest voorbereiden.4 De Japanse invasie en de hierop volgende bezetting (1942-1945) onderbrak de werkzaamheden van de CvP. De toenmalige voorzitter majoor J. Th. G. van Boldrik5 werd krijgsgevangen gemaakt en in Batoedjadjar geïnterneerd. Na de heroprichting van het KNIL in 1946 groeide de commissie uit tot wel 70 functies waarvan de helft voor burgerpersoneel. Een aanzienlijk aantal bleef echter door de chaotische omstandigheden in de jaren na de Japanse capitulatie ongevuld. De CvP werd aanvankelijk ondergebracht in de opgerichte Leger Technische Dienst, maar kreeg in 1947 bij de aanstelling van een Kwartiermeester-Generaal weer een onafhankelijke positie. Naast de voorzitter CvP (luitenant-kolonel ballisticus) was er een vicevoorzitter in de rang van majoor aangesteld die de dagelijkse aansturing van de proeven verzorgde. De organisatie was opgedeeld in commissies voor de techniek en ballistiek van de artillerie en infanterie. Er was een commandant terreinploeg (onderluitenant) met personeel voor het beheer van het schietterrein Batoedjadjar, een rekenbureau, een vuurwerkerij voor munitiehandelingen en een kleine (timmerman)werkplaats. In verband met de opheffing van het KNIL na de Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië beëindigde de CvP in mei 1950 haar werkzaamheden.

Schietkamp Batoedjadjar

Oorspronkelijk hield de (vesting)artillerie haar schietoefeningen op terreinen nabij de garnizoenen maar met de komst van vuurmonden met een grotere dracht waren deze locaties niet meer geschikt. Er werden op Java schietterreinen te Tjikarang bij Batavia en te Simo bij Soerabaja gehuurd. Vanaf 1875 gebruikte de mobiele (bereden) artillerie een meer centraal gelegen terrein in Adiredjo bij Babakan aan de zuidkust van Midden-Java. Ook de CvP was hier aanvankelijk werkzaam. Het hete, drukkende klimaat in combinatie met een forse (zee)wind was echter een te zware opgave voor de oefende troepen. Bij het dorpje Batoedjadjar dat vanaf de hoofdweg van Batavia naar Bandoeng na Tjimahi via kronkelige, in het regenseizoen glibberige, bergwegen lastig te bereiken was, bevond zich een zeshonderd meter breed nagenoeg vlak stuk terrein met een lengte van vijf kilometer. De achterzijde was begrensd door een ravijn waarachter nog een vlak gedeelte lag. Dit maakte het gebied voor proeven tot aan zeven kilometer zeer geschikt. Met de bouw van een kampement voor de huisvestiging van een batterij vestingartillerie, de schietschool, een depot en magazijnen voor opslag van buskruit kreeg aldaar een Indisch Artillerie Schietkamp vanaf 1881 verder vorm. De CvP kreeg in 1909 toestemming het terrein het gehele jaar door te gebruiken, behoudens de maanden augustus, september en oktober. Dan vonden onder gunstiger weersomstandigheden de jaarlijkse schietoefeningen van de (vesting) artillerie plaats.

Kaart schietkamp Batoedjadjar, 1904 (Collectie KITLV)

In 1933 werd op Batoedjadjar een compagnie luchtdoelartillerie opgericht. Hiervoor was naar Indië een proefbatterij gezonden met 10,5 cm Bofors geschut. De eenheid was voorbestemd om later te verplaatsen naar de haven van Soerabaja. Tijdens de Japanse bezetting fungeerde het kampement tijdelijk als krijgsgevangenkamp. Na de capitulatie vestigde in november 1947 het Depot Speciale Troepen van de beruchte kapitein Raymond Westerling ‘De Turk’, zich op het afgelegen Batoedjadjar. Vele jaren later zou het plaatsje Batoedjadjar weer in de Nederlandse pers worden genoemd. Eind jaren dertig werd een mosterdgasfabriek bij de Artillerie-Inrichtingen in Hembrug ontmanteld en bij Batoedjadjar wederom opgebouwd onder de dekmantel van de productie van kaneelolie. Er waren namelijk hardnekkige geruchten dat Japan bij de inval in Mantsjoerije dergelijk strijdgas had gebruikt De geproduceerde vloeistoffen zijn nimmer gebruikt. Pas in 1979 werd met hulp van TNO de lekkende ingegraven voorraad ter plekke vernietigd.6

10,5 cm Bofors luchtdoelgeschut, ca 1939 (Collectie NIMH)

Artillerie-Inrichtingen

Net zoals het geval was in Nederland – er waren daar vestigingen in Delft en later in Hembrug, nabij Zaandam – bestonden vanaf 1876 bij Bandoeng militaire werkplaatsen – de zogeheten ‘Artillerie-Inrichtingen’ – waar geschut toebehoren, zoals het affuit, en ook munitie werd geproduceerd. Deze productiefaciliteiten waren in Indië aanwezig om niet geheel afhankelijk te zijn van leveringen overzee. Door de invoering van het repeteergeweer Mannlicher Model 1895 voor de infanterie was de behoefte aan inlandse productie van de grote hoeveelheid benodigde patronen sterk toegenomen. Terwijl in Nederland de Inrichtingen een staatsbedrijf werd, bleven in Indië de werkplaatsen ressorteren onder de artillerie.

Artillerie Constructie Winkel, Bandoeng, 1926 (Collectie KITLV)

Voorafgaande aan hun uitzending naar Indië volgde de jonge luitenants van de artillerie na de KMA een stage bij de constructie werkplaats (Artillerie Constructie Winkel genoemd) of de pyrotechnische werkplaats. Sommige getalenteerde luitenants werden geselecteerd om, gedurende twee jaar nog een cursus te volgen aan de Delftse Polytechnische School. De loopbaan van Indische artillerieofficieren verliep over het algemeen volgens een vast patroon. Er bestond een ranglijst zodat men van tevoren wist wanneer een promotie aanstaande was. Aangekomen in Indië werd men bij voorkeur eerst geplaatst bij de vestingartillerie en vervolgens bij een batterij veld- en of bergartillerie. Van hieruit werden luitenants bij de CvP gedetacheerd. Daarna volgde gewoonlijk een plaatsing bij één van de technische werkplaatsen om diepgaander technische kennis van het materieel en de munitie opdoen. Bij de operationele eenheden keerde een artillerieofficier vaak pas in de kapiteinsrang terug. Na een tussenstap als stafofficier (zoals voorzitter CvP) op het hoofdbureau der artillerie, werd men veelal vervolgens als majoor weer bij één van de directies van de werkplaatsen geplaatst.7 Door afwisseling met operationele plaatsingen bleef men toch voldoende toegerust voor de dienst als troepenofficier, zo was de heersende gedachte. In de functie van batterijcommandant kwam er op de jaarlijkse schietoefeningen een belangrijk meetmoment voor de verdere carrière. Kapiteins die te velde uitmuntend functioneerden, konden in aanmerking komen voor de ‘Hoogere Krijgsschool’ en doorgroeien tot de rang van kolonel of zelfs generaal. Het merendeel van de artillerie officieren ging vanuit de Artillerie-Inrichtingen met pensioen.

Indische proeftuin

Het beproevingsaanbod voor de CvP was te omvangrijk voor een leesbare beschrijving. De voormalige kolonie was voor de artillerie immers een rijk gevarieerde proeftuin. Vele typen aangekochte ‘proefbatterijen’ kwamen vanuit Nederland over en moesten in het sterk geaccidenteerde terrein onder de tropische omstandigheden worden beproefd. Ik beperk mij tot een relaas over de proefnemingen met vuurmonden voor de veld- en bergartillerie van het kaliber 7-7,5 cm om daarmee de relatie van de CvP met de belangrijkste technologische ontwikkelingen in het geschut en de invloed van politieke besluitvorming te illustreren. De bergartillerie nam daarbij een bijzondere positie in. Het Indische berglandschap met haar sawa’s, steile hellingen en smalle paden waarover dit geschut met pakpaarden en muildieren moest worden vervoerd, was van een geheel andere orde dan het polderlandschap in Nederland. Het terrein stelde hoge eisen aan de demontabele constructie en de degelijkheid van het affuit. Tijdens de intensieve rijproeven bleek het voor de fabrikanten vaak lastig om aan de strenge eisen van de behoeftestellers te voldoen.

‘Stalen batterijen’

De eerste voorzitter van de CvP, kapitein C. M. Gude, was nauw betrokken bij de introductie van achterladers met een getrokken schietbuis. Hierdoor nam de nauwkeurigheid en vuursnelheid ten opzichte van gladloops vuurmonden toe. De nog bronzen kanonnen sleten echter te snel. Inmiddels had het duurdere gietstaal zich als materiaal internationaal bewezen en de Haagse departementen richtten de verwerving op de ‘Duitschen kanonnenkoning, de firma Krupp te Essen’ die het van oorsprong Engelse productieproces verder had geoptimaliseerd. Indische artillerieofficieren bezochten regelmatig met hun Hollandse collega’s de fabriek en ook het schietterrein te Meppen, dat in 1877 werd geopend en heden ten dagen nog in gebruik is door de Duitse materieeldienst. Na uiteindelijk vijf jaar van intensieve beproeving werd het 7,5 cm nikkelstalen Krupp veldgeschut (later 7 cm L.A. genoemd) vanaf 1884 in dienst genomen bij de vier batterijen van de Indische veldartillerie. Het berggeschut volgde pas drie jaar later.

Snelvuurgeschut

Het begin van de twintigste eeuw kenmerkte zich door de ontwikkeling van effectiever snelvuurgeschut. Voor de Franse firma Schneider & Cie (Le Creusot) had ingenieur Canet voor het sluitstuk een schroefafdichting ontworpen waarmee een betere gasafdichting werd verkregen ten opzichte van de bij Krupp gangbare wigsluiting. Schneider kwam tevens met een hydraulische rem- en pneumatische vooruitbrenginrichting op de markt waardoor na het schot het kanon terug ‘in batterij’ kwam en het niet opnieuw moest worden na gericht. De vuursnelheid van het kanon kon zo opgehoogd worden van zes naar twintig schoten per minuut en dientengevolge hadden in plaats van organiek zes stukken van dit snelvuurgeschut vier al voldoende uitwerking voor het batterijniveau. Omdat het kanon op die wijze los van het affuit bewoog, was men bovendien in staat op het affuit een effectiever schild aan te brengen ter bescherming van de bediening. De firma Ehrhardt uit Düsseldorf (het latere Rheinmetall) ontwikkelde eveneens een dergelijke terugloopconstructie voor de Duitse markt. Krupp bleef aanvankelijk vasthouden aan ‘veerspoor’, maar voerde onder de marktdruk toch uiteindelijk ook zelf de ‘kanonterugloop’ in haar geschut door. Van beide typen stuurde Koloniën 7 cm Krupp geschut voor proeven naar Indië. Het leverde een conflict met Ehrhardt op over de patentrechten. Naast het geschut was ook de samenstelling van het buskruit onderwerp van intensief onderzoek. Met de introductie van op nitroglycerine gebaseerd ‘Nobelkruit’ kwam krachtiger rookzwak buskruit ter beschikking. In tegenstelling tot in Indië geproduceerd zwart buskruit moest dit type kruit vanuit Nederland worden aangevoerd. Vanwege de temperatuur en hoge vochtigheid was er al snel sprake van degradatie en bewaakte de CvP via ‘conservatie-proeven’ de kwaliteit van het in magazijnen opgeslagen kruit.

Krupp-monopolie

In 1904 werd na nog enige vergelijkende beproevingen tussen 7,5 cm veldgeschut van Schneider, Ehrhardt en Krupp bij de Hollandse CvP, door het ministerie van Oorlog het besluit genomen om voor Nederland 204 stukken bij Krupp aan te schaffen en daarbij nog eens 88 stuks, in licentie geproduceerd bij de Artillerie-Inrichtingen. Het 7,5 cm geschut voor de veldartillerie werd algemeen bekend onder de benaming ‘7-Veld’. De minister van Koloniën vond pas vanaf het begrotingsjaar 1909 de financiële ruimte om de Indische veldartillerie van een zelfde kanon te voorzien. De rijproeven met de proefbatterij met het lichtere 7 cm kanon in Indië hadden al eerder aangetoond dat met gebruik van krachtiger Australische paarden, die vanaf 1903 instroomden, een zwaarder gewicht mogelijk was en derhalve kon volgens Koloniën zonder verdere proeven het kaliber ook voor Indië worden opgehoogd van 7 naar 7,5 cm. De behandeling van zowel de begroting van Koloniën als van het ministeries van Oorlog en Marine leidde evenwel tot felle discussies in de Kamer. Centraal stond hierbij een felle discussie over de vermeende invloed van een monopolist tot op regeringsniveau bij wapenaankopen voor de artillerie. Kamerlid Lodewijk W.J.K. Thomson (Liberale Unie)8 introduceerde eind 1908 in het begrotingsdebat met minister van Koloniën Idenburg (ARP) over de voorgenomen verwerving bij de firma Krupp de term ‘Krupp-monopolie’. Hij verweet de minister dat het kanon met het kaliber 7,5 cm en vooral de combinatie met het bijbehorende affuit niet in Indië was beproefd. Verder ontstond zijn inziens, zonder proeven met concurrerende aanbieders, een veel te sterke, en daardoor prijsopdrijvende, afhankelijkheid van de Duitse fabrikant. De minister verweerde zich door te stellen dat de artillerieleiding in Indië nu eenmaal een ‘Krupp-stelsel’ (lees : de vertrouwde wigsluiting) wenst en men vanwege patenten daardoor ook bij Krupp moest bestellen. Bij de Indische vestingartillerie was er bovendien al een Krupp 7,5 cm snelvuurkanon in gebruik. Onder druk van de Kamer stelde de minister het besluit uiteindelijk uit totdat een commissie, middels bezoeken aan vijf fabrikanten, onafhankelijk had vastgesteld dat Krupp inderdaad voor zowel de veld- als bergartillerie de beste keuze was. De Kamer besloot een enquêtecommissie samen te stellen om het verwervingsproces van het geschut en de relatie met Krupp nader te onderzoeken. Thomson had hierin zitting naast onder meer de antirevolutionair en latere minister van Oorlog en premier Hendrik Colijn. Beiden hadden als beroepsmilitair in Indië gediend. De ‘Krupp-commissie’ kwam in de zomer van 1910 met haar eindrapport. Hoewel de kranten volop speculeerden over de uitkomst en vooral over wie daarbij de meeste reputatieschade had opgelopen, is het rapport nimmer openbaar gemaakt. Voor- en tegenstanders van Krupp onderbouwden in pamfletten, al dan niet anoniem, hun argumenten.9 Deze ‘Krupp-affaire’ was van grote invloed was op het werk van de Indische CvP, die al het geleverde geschut moest beproeven. Indië ontving in 1910 voor de veldartillerie de 7-Veld van Krupp, type ‘L/30’.

 

Het bergkanon

De vervanging van de bergartillerie met een kanon van zelfde kaliber zou daarna echter nog zestien jaar duren. Bij Koloniën bleef men volharden in het voornemen ook bij Krupp twee kortere kanonnen 7,5 cm L/20 met demontabele affuiten voor proefneming te bestellen. Bij de kamerbehandeling van de begroting voor de bergartillerie in november 1910 spitste de discussie zich verder toe op twee door Indische officieren ontworpen vuurmondconstructies. Voor Krupp was dat kapitein Anthony J. Gooszen en voor het concept van Schneider tekende de in de Constructie Winkel werkzame kapitein Johannes de Boer.

De Boer had als artillerieofficier in Atjeh operationele ervaring opgedaan bij de bergartillerie en was in Nederland al intensief betrokken geweest bij de beproevingen van het veldgeschut. Met kapitein W.A. Blits was hij lid van de commissie geweest die na bezoeken aan Schneider, Ehrhardt en Krupp in 1908 had vastgesteld dat naast Krupp zeker ook Schneider geschikte bergkanonnen kon leveren. Een jaar eerder had de artillerist kapitein C.J.M. Collette in de Militaire Spectator al verslag gedaan van de verwerving van Schneider snelvuurgeschut door Portugal, Bulgarije en Spanje.10

Kapitein der infanterie L.W.K. Thomson (1869-1914)(Collectie NIMH)

Gooszen’s ontwerp was gebaseerd op een bergkanon van de (toenmalige) Oostenrijkse Skodawerken. Deze kapitein der infanterie was door de voormalige minister Idenburg, die in 1909 als gouverneur-generaal naar Indië vertrok, belast zijn ontwerp, dat de volledige instemming had van de Indische artilleriegeneraals, in samenwerking met Krupp verder te ontwikkelen. Hij was het ook die langs potentiële fabrikanten werd gestuurd om daar eenduidig vast te stellen dat er geen beter concept was dan Krupp. Het was echter niet vreemd dat het bezoek van deze ontwerper aanvankelijk door de voornaamste concurrent Schneider werd geweigerd. Hem werd geen kijkje in haar keuken gegund.

De nieuwe minister van Koloniën de Waal Malefijt (ARP) werd onder politieke druk van de Kamerleden Colijn, Thomson en Van Karnebeek (Vrije Liberalen) uiteindelijk gedwongen voor de bergartillerie toch een vergelijkende beproeving met fabrikant Schneider uit te voeren. Hier werd het berggeschut van de Duitse firma Ehrhardt nog aan toegevoegd.

In maart 1912 waren er Duitse monteurs aanwezig in Batoedjadjar voor de vergelijkende beproeving van het 7,5 cm berggeschut tussen Krupp en Schneider die in juli zou starten. Krupp had inmiddels in haar ontwerp ook het hardnekkig probleem van kernverschuiving opgelost met een nieuw gietprocedé. Kernverschuiving is het fenomeen dat bij langdurig gebruik van Krupp-kanonnen de kern van de schietbuis ten opzichte van de mantel naar achteren schoof. De levering van proefkanonnen door Schneider bleef evenwel uit. Majoor de Boer werd naar Schneider gezonden voor nader overleg over zijn ontwerp. Kranten speculeerden over de voorkennis die Krupp via Gooszen al dan niet zou hebben gehad waardoor in de ontwikkeling Krupp een voorsprong ten opzichte van concurrenten werd gekregen. Schneider eiste echter dat als haar geschut als beste uit de test kwam, zij ook meteen de order kreeg. Hier wilde de regering niet aan. In Indië is er derhalve geen berggeschut van Schneider meer beproefd. Vermoedelijk lagen financiële redenen ten grondslag aan het uiteindelijk terugtrekken van de firma.

Geen van de concepten van Krupp en Ehrhardt voldeed echter, maar er bestond wel vertrouwen dat de fabrikanten verbeteringen konden doorvoeren. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou het project echter opnieuw grote vertraging oplopen. Krupp ging tijdens en na de oorlog door met een verbeterd ontwerp waarin de oorlogservaringen van ingezet Krupp-geschut werden verwerkt. Koloniën besloot in 1918 tot gunning over te gaan. Door de aan Duitsland na de oorlog opgelegde exportbeperkingen kon het geprefereerde Krupp-kanon uiteindelijk toch niet worden aangeschaft. Krupp had inmiddels de ontwerprechten overgedragen aan het Zweedse Bofors. In opdracht van Koloniën werd in 1922 onder voorzitterschap van kolonel Blits een commissie gevormd voor de beproeving van het 7,5 cm Bofors L/20 bergkanon. De CvP behartigde hierin de ballistische aspecten. Pas in 1926 (!) werd voor de Indische bergartillerie dit in acht pakketten demontabele 7,5 cm kanon ingevoerd.

 

Ere wie ere toekomt

Toen de laatste voorzitter van de CvP luitenant-kolonel J. Klein met zijn Indonesische ranggenoot M.O. Parlindungan van het Komisi Penjelidik dan Pertjobaan Tehnik het overdrachtsprotocol in mei 1950 ondertekende was de Commissie van Proefneming in Nederlands-Indië ruim 75 jaar voor de artillerie actief geweest.11 Deze CvP van overzee verdient net als dat al het geval was bij haar Hollandse tegenhanger een plek in de militair-historische geschiedschrijving. Onder het door de beproevingsinstanties gehanteerde motto ‘bonum eligere’ (latijn: het goede kiezen) leverde de voorzitter met zijn commissieleden met talloze proefnemingen een belangrijke bijdrage aan de verwerving van veilig en geschikt geschut en munitie voor het toenmalige koloniale leger.

3.  Defensie beëindigde de formele status van deze technische commissie in 2016. Haar taken als beproevings- en keuringsinstantie op het gebied van wapensystemen en munitie waren toen reeds ondergebracht bij het Kenniscentrum voor Wapens en Munitie (KC W&M) dat thans deel uitmaakt van het Munitiebedrijf van de Defensie Materieel Organisatie.
4.  Bij de festiviteiten ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het schietterrein Batoedjadjar, zou de toenmalige Inspecteur der Artillerie, generaal-majoor R. Schuursma, in zijn speech ook de Indische CvP met haar 60-jarig jubileum feliciteren en daarmee het jaar 1871 verbinden met haar oprichting (De locomotief, 24 oktober 1931).
5.  Begrooting van Nederlandsch Indië voor het dienstjaar 1874, Tweede Kamer 1873-1874, Kamerstuknummer 4, onder nummer 22.
6.  De ervaren ballonvaarder en piloot majoor H. Ter Poorten werd in 1931 bij de CvP gedetacheerd. Ter Poorten stond aan de basis van de militaire luchtvaart (ML-KNIL). Hij zou later in 1942 als legercommandant de capitulatie aan Japan ondertekenen.
7.  Van Boldrik was de langst dienende voorzitter CvP waar hij ook als luitenant vele jaren had doorgebracht. Na de Japanse bezetting bekleedde hij als reservist het voorzitterschap.
8.  De Volkskrant, 14 november 1981
9.  Als lid van de CvP en later werkzaam bij de constructiewerkplaats publiceerde luitenant H.L. Maurer veel artikelen in de militaire tijdschriften. Hij pleitte onder meer dat, in tegenstelling tot de werkplaatsen, bij de CvP ‘actieve troepenofficieren’ moeten dienen en geen ‘officieren met bijzondere technische opleidingen’ omdat ‘de troep zelf zijn eigen materieel keurt en beproeft’. Generaal-majoor Maurer sloeg als inspecteur der Artillerie op het hoofdkwartier in Bandoeng de hand aan zichzelf bij de Japanse invasie.
10.  De kapitein der infanterie Thomson stond als politicus bekend om zijn eigenzinnig optreden in het publiek debat. Hij sneuvelde in 1914 als majoor in Albanese krijgsdienst tijdens de allereerste vredesmissie die in opdracht van de Nederlandse regering werd uitgevoerd.
11.  In ‘de Avondpost’ verscheen in 1910 ‘Een weinig geslaagde verdediging van het Krupp-monopolie’ van ‘Artillerist’ (vermoedelijk was Thomson zelf de auteur) en ‘Het vermeende Krupp-monopolie’ van luitenant K.E. Oudendijk, lid van de ‘Hollandse’ CvP.
12.  Collette, C.J.M., Militaire Spectator, De levering van snelvuurveldgeschut door de firma Schneider & Cie aan Portugal, Bulgarije en Spanje, 1907-0298-01-0050, 1907.
13.  Nationaal Archief, Processen-verbaal van overgave/overname van de CvP. C-23 Archief van de Commissie van Proefneming in Nederlands-Indië 1946-1950, nr 4835.

Andere artikelen

VETERANEN

VETERANEN Nederland kent in totaal ongeveer 130.000 militaire veteranen. Deze groep bestaat uit ongeveer 100.000

Lees verder »
Login ledengedeelte VOAWEB