Generaal-majoor titulair der Artillerie Cornelis Marius Gude (1841-1906), roepnaam Kees, was halverwege de tweede helft van de 19de eeuw de eerste voorzitter van de Commissie van Proefneming in het voormalige Nederlands-Indië. Na zijn pensioen was hij rond de eeuwwisseling bij het Haagse Ministerie van Koloniën nog vele jaren actief in verschillende materieelprojecten. Bij mijn onderzoek naar de levensloop van deze persoon kwam ik in de archieven nog een artillerist tegen met de naam Kees Gude die ik ook graag voor het voetlicht wil brengen. Het betreft Cornelis Jan Gude (1916-1943), een tweede luitenant die in mei 1940 gevochten had bij de Grebbeberg en later in Duitse gevangenschap werd gefusilleerd vanwege verzetsactiviteiten. Beiden ‘Kezen’ waren nazaten van meesterbakkers die eind achttiende eeuw vanuit het Duitse Ippinghausen (Hessen) naar Amsterdam trokken om daar hun geluk te beproeven.
Cornelis Marius Gude werd in 1841 in Amsterdam geboren. Zijn moeder Debora Maria Vermande (1808-1846) stierf al toen hij pas vijf jaar oud was. Vader Hendrik Rudolf (1806-1856) was belastingambtenaar en hertrouwde met Jeannette Henriette Lamaison (1820-1876). Kees Gude meldde zich in het jaar dat ook zijn vader stierf aan op de KMA en werd ingedeeld voor de artillerie in Oost-Indië. In 1860 vertrok de jonge tweede luitenant met twee jaargenoten naar Batavia waar hij in de kazernes in Weltevreden enige tijd verbleef. Hij werd vervolgens als eerste luitenant geplaatst bij de 17e Kompagnie Vestingartillerie op Oost-Java en trouwde eind 1865 in Ngawi met Helen Wilson (1846-1883). Samen zouden ze twee dochters en twee zoons krijgen. In 1869 bereikte Gude er de rang van kapitein. In 1872 werd hij overgeplaatst naar de 20e Kompagnie in Makassar als artilleriecommandant van Celebes (Sulawesi). Omdat hij tot de notabelen behoorde bracht dit tevens het lidmaatschap van de plaatselijke Raad van Justitie mee. Ook hield hij zich met de luitenant van het cavalarie detachement bezig met de selectie van Makassar rijpaarden, een sterk paardenras bestemd voor de legereenheden op Java.
Indische CvP
De Nederlandsche Staatscourant bracht in maart 1874 het bericht dat de kapitein C. M. Gude in Batavia benoemd was tot ‘president der commissie belast met het nemen van proeven met het geschut’. Acht jaar later dan de oprichting van de CvP in Nederland waren er pas in Indië gelden beschikbaar voor een organieke functionaris bij de Artillerie voor het aansturen van de talloze proefnemingen. De commissie bestond verder uit twee luitenants uit Batavia die hun beproevingstaak in deeltijd moesten verrichten. Gude was in zijn zittingsperiode (1874-1876) voornamelijk bezig met proeven van stalen achterladers ter vervanging van de 8 cm bronzen voorladers.
Inspecteur draagbare wapenen
Na de CvP aanvaarde hij het inspecteurschap der draagbare wapenen dat eveneens zetelde in Batavia. De toekenning van de hierbij horende majoorsrang lag echter ter discussie. De legercommandant wilde dit uit bezuinigingsoverwegingen voor technische functies uitstellen hoewel Gude bovenaan de ranglijst stond. De Java-bode: ‘Op zo’n manier echter maakt men de betrekkingen van inspekteur der draagbare wapenen en onderdirekteur bij den artillerie konstruktiewinkel, die lastig en druk doch zonder geldelijk voordeel van eenig belang zijn sedert het afschaffen en verminderen van de toelagen dier officieren, niet aanlokkelijk en zal den lust en ijver dier heeren, welke men zonder iemand in het minste te benadeelen kan bevorderen, wel niet erg worden opgewekt.’ Een jaar later volgde de bevordering tot majoor. In die periode schreef Gude voor de opleiding van infanterieofficieren een handig boekje over de kogelbaan van een projectiel verschoten met het dan gangbare achterlaadgeweer Beaumont. In 1883 verloor hij zijn echtgenote. Kort hierop werd hij directeur van de Artillerie Constructiewerkplaats in Soerabaja.
Post-actief
Lang bleef hij niet in Soerabaja. Inmiddels bevorderd tot overste moest hij twee jaar later al vanwege gezondheidsproblemen met ziekteverlof terugkeren naar Nederland. Indië zou Gude zelf echter nooit meer terugzien. Drie jaar na zijn terugkeer vroeg hij zijn pensioen aan. Hij bleef nog wel voor het Indische Leger actief. Het Ministerie van Koloniën benoemde hem tot technisch adviseur voor de aankoop van nieuw materieel. Zo vertegenwoordigde hij het ministerie bij tal van proefnemingen en was hij lid van de examencommissie bij de opleiding tot militair werktuigbouwkundig ingenieur voor officieren die voorbestemd waren voor de werkplaatsen in de kolonie.
Nieuw geschut
In 1886 was overste Gude betrokken bij proeven bij de Hollandse CvP met het door de Zweedse ingenieur Nordenfelt ontworpen 57 mm geschut als kandidaat voor nieuw vestinggeschut in Atjeh. Hoewel de schietprestaties ruim aan de verwachtingen voldeden, werd het ontwerp toch afgewezen voor inzet in Indië omdat het meegeleverde cirkelaffuit hiervoor niet geschikt werd geacht. Ook een aangeboden lichter 47 cm kanon met veldaffuit bleek naast een te geringe effectiviteit nog steeds te zwaar.

In 1896 schreef de Java-bode dat de gepensioneerde Gude in de rang van kolonel-titulair door de minister was verzocht om in een commissie bij de firma Krupp toezicht te houden op de productie van 12 cm stalen kanonnen vestinggeschut en dito mortieren, ter vervanging van de verouderde bronzen achterlaadkanonnen en 20 cm mortieren. Ook de keuring en verdere beproevingen moesten door de commissie worden begeleid.

Gude was als ambtenaar bij Koloniën invloedrijk. De jaren gingen dan wel tellen en de afstand tot de operationele praktijk nam toe, maar hij bleef zich zoals de kranten schreven ‘met jeugdige kracht’ op het ministerie bezighouden met verwervingsaangelegenheden: ‘Gude is (en blijft voorlopig) een man met wiens inzichten zorgvuldig rekening wordt gehouden’. Vier jaar later werd door Koloniën weer een commissie gevormd om met Krupp de aankoop van vernieuwd geschut voor zowel de veld- als de bergartillerie voor te bereiden. Gude werd naar het Duitse Essen gezonden om te bezien of het reeds ingevoerde stalen 7,5 cm kanon door modificatie omgebouwd kon worden tot een ‘snelvuurkanon’. Inmiddels had Krupp namelijk een nieuw type in productie met een vuursnelheid van zes schoten per minuut dat geladen werd met patroonmunitie. Het affuit kon via aan de achterzijde bevestigde bladen of ‘sporen’ zich door de kracht van het schot ingraven in de ondergrond, wat de stabiliteit tijdens het vuren aanzienlijk verbeterde. Met behulp van een veer kwam het geheel na het vuren dan weer los. Een modificatie van de oude kanonnen werd echter door Krupp niet wenselijk geacht. In 1902 leek het volgens de Sumatra-bode nogal logisch dat de aankomende legercommandant in Indië, generaal-majoor W. Boetje, tijdens diens bezoek aan Koloniën, ook uitgebreid met Gude sprak over de verwerving van het nieuwe geschut. Door het ministerie werden dat jaar van Krupp een proefbatterij veld 7 cm L/28 en een proefbatterij berg 7 cm L/14, in totaal twaalf stukken, met veerspoor, voor beproeving naar Indië gezonden hoewel de ballistische eigenschappen niet geheel aan de Indische eisen voldeden. Koloniën koos namelijk voor een lichter kaliber van 7 cm omdat men verwachtte dat een kanon met kaliber van 7,5 cm in Indië te zwaar voor de inheemse paarden zou zijn en bovendien meer bemanning zou vergen waardoor extra kanonniers geworven moesten worden. In feite was het aangeboden geschut in technisch opzicht al verouderd vanwege ontwikkelingen op het gebied van een hydraulische rem- en pneumatische vooruitbrenginrichting. Krupp bleef aanvankelijk afwijzend, maar voerde onder de marktdruk toch ook zelf de verbeterde ‘kanonterugloop’ in haar geschut door. Van dit vernieuwde type 7 cm kanon werden medio 1903 ook secties voor de veld- en bergartillerie (totaal acht stuks) voor de beproevingen naar Indië gezonden. Tevens stuurde Krupp van het type ‘veerspoor’ en ‘kanonterugloop’ een 10,5 cm houwitser mee. De beproevingen zouden vele jaren in beslag nemen. Pas in 1910 voerde men in Indië de 7-Veld in. De bergartillerie moest zelfs wachten tot 1926 tot er een geschikt kanon kon worden besteld.
Het Mitrailleurvraagstuk
Nadat hij zich ook al bemoeid had met het repeteergeweer Beaumont en de invoering van rookzwak buskruit nam Gude deel aan een commissie die van het Ministerie van Oorlog het ‘mitrailleurvraagstuk’ op haar bordje kreeg. Mede als gevolg van de ontwikkeling door de uit Amerika afkomstige Britse uitvinder Hiram S. Maxim van een automatisch machinegeweer dat de energie van de terugslag bij het afvuren kon gebruiken voor de aanvoer van patronen, ontstond de behoefte aan een dergelijk snelvuurwapen voor de infanterie en cavalerie. Gude’s ruime technische ervaring als oud-inspecteur draagbare wapenen kwam goed van pas. In 1902 vonden op het Indische schietterrein Batoedjadjar vergelijkende beproevingen plaats tussen de zware mitrailleurs van Maxim, Hotchkiss en Skoda. Hoewel de Maxim-mitrailleur als beste uit de beproeving kwam, besloot men tot een nieuwe proef met de Maxim en een goedkoper Duits watergekoeld machinegeweer van Schwartzlose dat inmiddels in een fabriek in het Oostenrijkse Steyr werd geproduceerd. Van deze fabriek kwam ook het in Nederland en Indië ingevoerde standaardgeweer M95. Ook dit maal bleek Maxim een betere mitrailleur, maar Schwartslose kreeg wel de mogelijkheid een verbeterd concept in te brengen. In 1908 werd uiteindelijk de bestelorder aan Steyr gegund. De kosten waren doorslaggevend. Gude zou dit allemaal niet meer meemaken.

Hij was in 1902 op Koninginnedag nog tot generaal-majoor-titulair bevorderd. Maar dit oogstte meteen ook stevige kritiek. Het Bataviaasch Nieuwsblad hekelde de snelle promotie van gepensioneerde Indische officieren tot opperofficieren-titulair, maar het was gunstig volgens de krant ‘dat al die mutaties de staat geen cent kosten, onder die omstandigheden toch is de manie nog al onschuldig’. Oud-generaal (tit) (OIL) Cornelis M. Gude, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, overleed in 1906 op 65-jarige leeftijd. De begrafenis was overeenkomstig zijn laatste wens uiterst sober maar werd bijgewoond door twee oud-legercommandanten. Slechts één krans prijkte op het graf, die van de firma Krupp.
In vaders voetsporen
Beide in Batavia geboren zoons volgden de voetsporen van hun vader en meldden zich aan bij KMA in Breda. Ze kozen de infanterie. De oudste zoon Pieter Karel Marie Oscar Gude (1874-1960) diende als infanterieofficier bij verschillende regimenten in Nederland en nam in 1922 als kapitein ontslag. Zijn jongere broer François Henri Gude (1882-1962) diende in Indië al als aspirant-vaandrig bij het reservepersoneel voordat hij in 1901 naar Breda trok. Hij keerde na zijn officiersexamen in 1904 terug naar Indië en nam deel aan krijgsverrichtingen in Bali en Timor. In 1926 nam hij eveneens als kapitein ontslag.
Schermerszoon Kees
In 1916 zag in Soerabaja Cornelis Jan Gude (1916-Berlijn/Tegel 1943) het levenslicht. Kees bleef de enige zoon van de eerste luitenant der Artillerie Jan Laurens Gude (1887-1937) die in de Constructiewerkplaats als onder-constructeur werkte. Vader Jan was van het KMA-promotiejaar 1909 en vertrok na de toen gebruikelijke twee jaarlijkse detachering bij de werkplaatsen in Delft in 1912 naar Indië. Daar werd hij geplaatst bij de 2e bergbatterij in Salatiga om daarna naar de Constructiewerkplaats te gaan. Hier keerde hij steeds naar terug na tussentijdse plaatsingen bij onder meer de Geweermakersschool in Fort Meester Cornelis. Het gezin kwam in 1921 met verlof naar Nederland. Ze zouden niet meer naar Indië terugkeren. Het Ministerie had namelijk andere plannen. Kapitein Gude werd gedetacheerd bij de Artillerie Inrichtingen in Hembrug. In 1926 was hij lid van de commissie voor aanschaf van 10,5 cm geschut voor Indië waarvoor hij de fabrieken van Schneider & Co en Bofors bezocht. Het socialistische dagblad Het Volk hekelde later het grote bedrag aan reis- en verblijfskosten van de commissie dat volgens de Rekenkamer nagenoeg gelijk was aan wat de Staat de leveranciers al moest betalen voor de munitie voor de proefnemingen. Het Zweedse Bofors zou uiteindelijk de order gegund worden. In 1928 ging Jan Gude met pensioen. Hij bleef daarna nog bij de Inrichtingen werkzaam waar hij chef technische zaken was en optrad trad als secretaris van de directie. Voldoende tijd kon hij toen steken in zijn grote passie, het schermen. Vele jaren bekleedde hij bestuursfuncties bij de Nederlandsch-Indische Schermbond, de Koninklijke Nederlandse Amateur Schermbond en de Officiersschermbond. In 1931 werd hem de titulaire rang van majoor toegekend. Na een kort ziekbed overleed hij zes jaar later in Amsterdam. De Telegraaf roemde de overledene: ‘[Majoor Gude] was een bezadigd doch tevens uiterst sportief mensch. Zijn oordeel in schermkringen was toonaangevend en hoewel hij nimmer op den voorgrond trad, had deze sympathieke figuur zich een groote schare schermvrienden verworven.’
Eervol op de Grebbeberg
Zoon Kees kreeg in het jaar dat zijn vader overleed de officiersbul uitgereikt. De jonge tweede luitenant werd geplaatst bij 3e schoolbatterij 8 RVA in de Van Essenkazerne te Ede. Daar bekwaamde hij zich in de voor officieren van de bereden artillerie voorgeschreven dressuurproeven en nam deel aan concoursen. In mei 1938 volgde Gude de A-cursus in Oldebroek. Tijdens de mobilisatie kwam hij bij de 1e Afdeling 8 RA als luitenant-toegevoegd in de 2e batterij. Het batterijcommando lag in handen van de 35-jarige reservekapitein Mr. E.A. Caspers die reserve eerste luitenant P.M.R. Versteegh toegewezen kreeg als batterijofficier. De beroepsluitenant L.C. van Heukelom die oorspronkelijk die functie was toebedeeld werd kort voor het uitbreken van de oorlog overgeplaatst naar de 1e batterij. In de meidagen 1940 stond de 2e batterij met vier stukken 7-Veld in (verwissel)stelling in het Ouwenhands Dierenpark bij Rhenen waar in het parkrestaurant de commandopost was gevestigd. Directeur Ouwenhand had zelf de gevaarlijkste dieren van het park gedood en een deel van de rest vrijgelaten.

De taak van het artillerieregiment was het gelijknamige infanterieregiment dat voor de Grebbeberg verdedigende opstellingen had betrokken in directe steun te steunen. Luitenant Gude schreef in een uitvoerig gevechtsverslag dat hij met een wachtmeester waarnemer en een telefonist vanuit de uitkijktoren op het park steeds doortastend het vuur van zijn batterij wist te leiden in het zicht van de vijand. Er was sprake van vooral voorbereide vuren. Het eerste schot van de batterij werd afgegeven op zaterdag 11 mei ’s ochtends om 09.09. Het laatste vuur, op Gude’s initiatief, was op maandag 13 mei om 13.10. De batterij was met drie stukken op dat moment al teruggevallen op de normaalstelling aan de Beukenlaan in Rhenen. Het vierde stuk was vernield door vijandelijk vuur. Inmiddels had afdelingscommandant majoor A. van der Wiel het bevel tot terugtrekking gegeven. Door het wegvallen van de telefoonverbindingen met de afdelingsstaf kwam dit bericht niet door. Gude bleef op zijn waarnemingspost en leidde het vuur totdat Duitse bommenwerpers de aanval inzetten op de stellingen. De 2e batterij was uiteindelijk de laatste batterij die haar stelling verliet en uitweek richting Elst. Daarbij werden de twee overgebleven stukken onklaar gemaakt door het vullen van de schietbuis met zand waarna met een lang afvuurkoord het aangezette projectiel werd afgevuurd. Het laatste stuk was al defect geraakt door een vroegtijdige springer. Na een lange terugtocht via Wijk bij Duurstede tot achter de Waterlinie hoorden ze in Utrecht dat het Nederlandse leger had gecapituleerd.

Ter nagedachtenis aan de dienstplichtig korporaal B.H. Unland (1906-1940) van de gevechtstrein die door vijandelijk artillerievuur om het leven was gekomen stelde Gude kort na de terugtocht een lovend herinneringsboekje op over de gevechtsacties van de 2e batterij: ‘het was ONZE BATTERIJ. Voor ons was het DE BATTERIJ. Die Batterij heeft in de oorlogsdagen getoond wat een fut en wat een geest er heerschte. Er mocht in de mobilisatie de lijn getrokken zijn, in den oorlog waren we in één woord goed en was het niet noodig er achter heen te zitten, uitknijpers op te sporen en standjes uit te deelen.’

De inzet van de Nederlandse artillerie bleek toch van geen doorslaggevende betekenis. Onder meer was er sprake van een falende commandovoering die enerzijds veroorzaakt werd door een starre bevelsstructuur en anderzijds door slechte verbindingen. Kort na de capitulatie onderzocht een ‘Commissie voor Korpsonderzoek’ onder leiding van de Artilleriecommandant Veldleger kolonel D.M. Lucardie de gevechtshandelingen op de Grebbeberg waarbij vooral gekeken werd naar laakbaar gedrag. Lucardie vroeg ook naar de ervaringen van luitenant Gude. Met name de vuren die hij zelfstandig had geleid hadden de aandacht van de kolonel. Het onvermogen van bepaalde commandanten leiding te geven onder stressvolle oorlogsomstandigheden was een doorn in het oog van de beroepsluitenant. Eind juli 1940 schreef Gude in een brief aan de voormalige afdelingscommandant, waarmee hij poogde erkenning voor het optreden van hem en zijn mannen te krijgen, dat zijn batterijcommandant ‘in de oorlogsdagen niets waard was’ en ‘al zijn zinnen kwijt’ zodat hij daardoor ‘geheel alleen voor de taak van Bt.C. stond’.
Verzetsman van het eerste uur
Na de capitulatie wilde Kees Gude de dienst verlaten en ging in juli 1940 naar Delft om een studie tot werktuigbouwkundig ingenieur te volgen. Hij deed enkele tentamens tot in december ’40 de Hogeschool door de Duitse bezetter gesloten werd na een studentenstaking. Gude, die bij zijn moeder Wilhelmina Maria van der Brugge (1888-1966) in Scheveningen woonde, sloot zich hierop aan bij het verzet. Hij raakte nauw bevriend met J.A. (Han) Stijkel (1911) die in Den Haag een groep getrouwen om zich heen had gevormd. Stijkel was een jonge academicus, diep gelovig maar ook overtuigd vrijmetselaar, en een charismatisch leider die lokale verzetsgroepen wilde verenigen. Hij onderhield daarvoor contact met de Haagse bestuurlijke elite. Zo ook met oud-premier Colijn die het nog te vroeg vond voor een georganiseerd verzet. Begin april 1941 voeren Stijkel, zijn rechterhand Gude, student Jhr J.C. Baud (1919) en anderen met een Katwijkse viskotter de haven van Scheveningen uit om met spionagemateriaal, na overstap op een onderzeeër, naar Engeland te gaan. Gude had de overtocht minutieus voorbereid. Door intern verraad werd het schip echter al snel door de Gestapo ingesloten. Stijkel en Gude waren gekleed in kostuum want hen was verteld dat zij in Londen de Koningin zouden ontmoeten. Een sprong in het water om te ontkomen mocht niet baten. In totaal werden 47 verzetsleden waaronder vier vrouwen gearresteerd en vastgezet in het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen. Daar bleven zij een jaar gevangen onder relatief milde omstandigheden. Hieronder waren ook J.F. Helmers (1910) die nog als dienstplichtig korporaal in Gude’s oude batterij had gediend en diens broer. Eind maart 1942 werd de groep in het geheim vervoerd naar een militaire gevangenis in Berlijn. Daar was voor de dan ‘Nacht und Nebel’-gevangenen geen enkel contact meer mogelijk met de buitenwereld.
Tot in den dood
In september 1942 veroordeelde het Reichskriegsgericht, de hoogste militaire rechtbank, 39 verzetslieden vanwege spionage en/of ‘feindbegünstigung’ tot de dood. De gevangen militairen kregen bovendien al de doodstraf opgelegd omdat zij na hun krijgsgevangenschap hun erewoord hadden gebroken geen subversieve activiteiten te verrichten. Dit gold naast luitenant Gude onder meer voor generaal-majoor der Artillerie Hendrik Dirk Stephaan Hasselman (1880) en diens naaste medewerker reserve luitenant-kolonel der Infanterie Jean Pierre Bolten (1883). Hasselman was één van de oprichters van de Ordedienst in Den Haag. Vermoedelijk benaderde Gude deze voormalige Directeur Materieel Koninklijke Landmacht om ook bij de ‘Stijkelgroep’ militaire aangelegenheden te behartigen. Generaal Hasselman had trouwens vader Jan Gude nog gekend van de Schermbond. Bij de arrestatie zouden bij Stijkel en Gude aanbevelingsbrieven voor de Koningin van de hand van Hasselman en Bolten zijn aangetroffen. Verder had Bolten die werkzaam was geweest bij de inlichtingendienst van de Marine de code meegegeven voor radiocontact met Engeland.

Er werd via de Zweedse ambassade nog een poging ondernomen om de veroordeelde gevangenen te ruilen tegen Duitse krijgsgevangenen maar dit liep op niets uit. Op de ochtend van 4 juni ’43 werden 32 doodvonnissen voltrokken op een schietbaan in het Berlijnse stadsdeel Tegel. De 27-jarige Gude werd als tweede gefusilleerd, 5 minuten na zijn kameraad Stijkel. Het bij het NIOD gearchiveerde aanvraagformulier ‘Erelijst voor gevallenen’ vermeldde: ‘ongeboeid en ongeblindoekt, in volle overgave, offerde hij zijn leven voor Koningin en Vaderland’. Het formulier was ondertekend door zijn moeder. Andere bronnen noemen dat de gevangenen onder het zingen van het Wilhelmus en geestelijke liederen hun dood tegemoet gingen. Pas in 1947 konden de stoffelijke resten van de gevallenen worden teruggebracht naar Nederland. In 1953 werd op Haagse begraafplaats Westduin bij Ockenburgh een grafmonument voor de gevallenen van de Stijkelgroep onthuld dat bestaat uit een bakstenen muur met daarop een gedenkplaat voorzien van hun namen geflankeerd door thans hardstenen kruizen. Zo ook voor de verzetsstrijder luitenant Kees Gude.























