C.F. Gey van Pittius (1866-1945), NMM.
C.F. Gey van Pittius (1866-1945), NMM.

De kruitgeneraal

Een generaal der Artillerie die zijn leven lang begeesterd was door explosieven was toch zeker generaal-majoor C. F. Gey van Pittius (1866-1945). Hij was begin twintigste eeuw een internationaal erkende autoriteit op het gebied van kruitsoorten en springstoffen en reisde de hele wereld door om zijn kennis te delen en te verbreden. Ook vervulde hij een pioniersrol in de ontwikkeling van de chemische oorlogsvoering in Nederland ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Uiteindelijk ging hij als directeur Artilleriematerieel met pensioen. Gey van Pittius kwam voort uit een roemrijk geslacht wat veel hoge militairen voortbracht waaronder talrijke artilleristen. Zo was een familielid uit de Indische tak Commandant van het Oost-Indische Leger.

Carel Frederik werd op 8 juni 1866 in Utrecht geboren als zoon van luitenant ter zee Jan Karel Lodewijk Gey van Pittius (1829-1897) en de Zeeuwse Regina Elisabeth Isebree Moens (1841-1921). Hij kwam voort uit het welgestelde geslacht Gey (Geij). Voorvader Adriaen, kolonel der Artillerie, had met zijn huwelijk met Jkvr. Johanna von Pittius in 1780 haar achternaam aan zijn nageslacht toegevoegd. Zijn beide zoons, de latere luitenant-generaal der Genie RMWO Carel Frederik (1790-1866) en kolonel der Indische Artillerie RMWO Adriaan Rudolph Willem (1787-1865), kregen in 1837 de formele toestemming die naam te voeren maar opname in de adelstand was een stap te ver. Met een familie die doordrenkt was met officieren, een rijk gedecoreerde oud-geniegeneraal als grootvader en een vader bij de Marine, kon het haast niet anders of de jonge Carel koos ook voor het militaire beroep. Na de Haagse HBS werd Gey van Pittius in 1881 toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In 1885 zette de jonge luitenant in Amsterdam zijn eerste stappen bij de 2e compagnie van het 2e regiment vestingartillerie.

Kruit

De werking van rookzwak buskruit en springstoffen fascineerde hem. Hij wilde er dan ook alles van weten. In 1888 werd eerste luitenant Gey van Pittius gedetacheerd bij de pyrotechnische werkplaatsen in Delft waar hij in het scheikundig laboratorium naar hartenlust kon experimenteren. Als autodidact leerde hij de chemische en fysische beginselen van explosieven in de dagelijkse praktijk. Pas in de jaren twintig van de hierop volgende eeuw zou de mogelijkheid worden geopend aan officieren een studie te volgen aan een technische universiteit. Proeven aan munitie waren toen uiterst risicovol. In juli 1892 raakte de luitenant zelf gewond aan arm en buik. Bij elektrische werkzaamheden aan een buis vond een ontploffing plaats maar hij herstelde snel. Hij zou bij de werkplaatsen bijna 20 jaar verblijven.

A.R.W. Gey van Pittius (1838-1896), Bronbeek.
A.R.W. Gey van Pittius (1838-1896), Bronbeek.

Gey van Pittius ging veelvuldig op dienstreis om in buitenlandse munitiefabrieken het productieproces te aanschouwen. Nadat hij al in 1891 naar Silezië in Midden-Europa was getrokken voor de keuring van dynamiet voor torpedoladingen ging hij twee jaar later met zijn toenmalige chef majoor J.G. van Gennep naar Engeland en Duitsland voor informatie over rookvrij buskruit waarvan de kwaliteit toen nog te wensen overliet. Samen met hem publiceerde hij de resultaten van vergelijkende proeven van het gangbare schietkatoenkruit, dat uit geperst genitreerd katoen bestond, met het minder gevoelige Nobelkruit van de firma Krupp, geperst schietkatoen met gelatineerde nitroglycerine. Tevens deed hij voorstellen voor de veilige inrichting van de munitieopslag. In de Militaire Spectator schreef hij, uiteraard met het nodige formulewerk omkleed, theoretische beschouwingen over springstoffen.

In commissie

Zijn diepgaande kennis over de materie werd alom gewaardeerd en veelvuldig ook door de burgermaatschappij aangesproken. In 1890 werd de hulp van Gey van Pittius ingeroepen toen onrust ontstond over de plannen op Charlois bij Rotterdam 500 kg dynamiet (nitroglycerine) op te slaan. Met een recente ontploffing in Antwerpen en de ramp in Muiden van 1883 in het achterhoofd was de gemeente bevreesd voor het ontploffingsgevaar voor de nabijgelegen petroleumtanks en de haven. Hij kon met een lijvig rapport aantonen dat er mede door de constructie van het gebouw bij eventuele ontploffing er geen direct gevaar bestond voor de omgeving. Bovendien was er geen sprake van opslag van het veel explosiegevoeligere schietkatoen, zoals in Muiden wel het geval was geweest. Ook trad hij op als getuige-deskundige in rechtszaken. Zo speelde in 1894 een zaak tegen een bergingsmaatschappij die zonder vergunning ‘toniet’ (mengsel nitrocellulose met schietkatoen) en ontstekingspijpjes vervoerde. Gey van Pittius verklaarde dat het hier weldegelijk zeer explosief materiaal betrof. In 1895 was er de zaak tegen een hofmeester die door op hoogte een kist met ontplofbare stoffen naar beneden te werpen een West-Indische mailboot wilde laten zinken. Gey van Pittius toonde met jaargenoot L.A. Van Roijen die eveneens in Delft werkzaam was met valproeven aan dat dat inderdaad mogelijk was.

Artillerie-Inrichtingen, ca 1930, Zaandam.
Artillerie-Inrichtingen, ca 1930, Zaandam.

Luitenant Gey van Pittius had als internationaal erkend materiedeskundige veel contacten in het bedrijfsleven en de universitaire wereld. Met directeur A. Bredius van de Verenigde Buskruitfabrikatie in Muiden had hij een innige band. Hij correspondeerde in 1895 en 1896 met de bekende hoogleraar Heike Kamerlingh Onnes. Deze wilde in het Physische Laboratorium in Leiden voor zijn onderzoek naar het absolute nulpunt proeven doen met ontplofbare stoffen maar botste met de lokale autoriteiten over de hinderwetvergunning voor een degelijk cryogeen laboratorium. Gey van Pittius kon zijn ervaring in de pyrotechnische werkplaatsen – hij was er inmiddels formeel geplaatst – delen en gaf hem technische adviezen voor de behandeling en opslag. Kamerlingh Onnes, bekend van zijn adagium ‘Door meten tot weten’, kreeg in 1913 de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor zijn onderzoek naar supergeleiding. Gey van Pittius bezocht later de internationale congressen over koeltechniek waar Kamerlingh Onnes eregast was.

Stabiliteitsproeven, Scheikundig Lab, ca 1915, NMM.
Stabiliteitsproeven, Scheikundig Lab, ca 1915, NMM.

Ook in de ‘Commissie van Advies voor de Herziening der Bepalingen omtrent het Vervoer van Ontplofbare Stoffen’ (1897-1904) was de inbreng van Gey van Pittius noodzakelijk. Deze commissie had tot doel met buurman Duitsland (toen nog Pruisen) tot een overeenkomst te komen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn. De directe aanleiding daartoe was de ontploffing van een schip met 20 ton dynamiet in 1895 tijdens het overladen bij het over de grens gelegen Griethausen. Maandelijks moest er voor de mijnbouw in Zuid-Afrika namelijk grote hoeveelheden dynamiet worden getransporteerd over de Rijn naar Rotterdam waarbij vanwege Nederlandse beperkingen op de hoeveelheid per schip er bij de grens diende te worden overgeladen. Gey van Pittius onderzocht de explosie. Hij concludeerde dat vermoedelijk nitroglycerinekristallen in combinatie met een ruwe behandeling van de dynamietkisten bij de overslag de oorzaak zou kunnen zijn. Over dat niet altijd de vermoedelijke oorzaak kon worden bepaald, schreef hij in zijn verslag: ‘Dit punt is het meest duistere bij alle ongevallen met springstoffen. De personen, die de oorzaak zouden kunnen weten, zijn bijna onmiddellijk dood en de overlevenden, zoo zij nog iets bemerkten, hebben doorgaans een zoodanigen hevigen schok gekregen en zijn dermate ontsteld, dat zij meestal tegenstrijdige verklaringen afleggen, waaraan men slechts eene betrekkelijke waarde mag toekennen. Wanneer men bovendien nagaat, dat bij sommige springstoffen soms periodiek ongelukken gebeuren, zonder dat men er in slaagt de oorzaak weg te nemen, dan is het al heel moeilijk voor een geval als het onderhavige de oorzaak te ontdekken en die in de toekomst weg te nemen. Naar mijne meening zullen waarschijnlijk dergelijke rampen moeten worden toegeschreven aan eene combinatie van ongunstige toestanden’.

Saluutbt, geheel re kap Gey van Pittius, 1909, Archief Adam.
Saluutbt, geheel re kap Gey van Pittius, 1909, Archief Adam.

In 1899 leidde hij een Italiaanse delegatie rond op de nieuwe pyrotechnische werkplaats bij Amsterdam. Omdat de werkplaatsen in Delft niet konden uitbreiden waren de Artillerie Inrichtingen in haar geheel verhuisd naar Zaandam. In 1901 werd Gey van Pittius in de rang van kapitein toegevoegd aan het hoofd van de Munitiefabriek. Vijf jaar later was hij, als enige Nederlandse gedelegeerde, in Rome bij het Internationaal Congres voor Toegepaste Scheikunde. Daar was hij lid van een commissie die onderling onderzoeksmethoden deelden naar de stabiliteit van springstoffen. Niet alleen de scheikunde was favoriet. Zijn naam prijkte ook op de ledenlijst van het Genootschap voor Natuur, Genees- en Heelkunde in Amsterdam.

Saluutbatterij

In 1906 kwam een einde aan zijn verblijf bij de Artillerie Inrichtingen en keerde hij terug naar de troep. Er was kort sprake dat hij naar het 1e regiment vestingartillerie in Utrecht zou verhuizen maar het werd toch weer het vertrouwde 2e regiment (4e compagnie) in Amsterdam. Daar commandeerde hij op 30 april 1909 de saluutbatterij ter gelegenheid van de geboorte van Prinses Juliana: ‘Te kwart voor elven klonk het eerste “vuur”, uit den mond van den bevelvoerenden officier, kapitein C. F. Gey van Pittius. De vreugdeschoten, die wijd over de omgelegen weiden, tuinen en akkers daverden, werden beurtelings uit twee veldstukken gelost, waarvan een van 6 c.M., speciaal voor saluutschoten.’ .

Fabrieken in Indië

Begin 1912 waren er plannen om in Nederlands-Indië een eigen springstoffenfabriek op te richten om in tijden van oorlog niet afhankelijk te zijn van het buitenland. Gey van Pittius vroeg een jaar verlof om proeven te kunnen uitvoeren en een studiereis door Java en Sumatra te maken. Hij had nauwe contacten met het stuwadoors- en scheepvaartbedrijf Fa. Wm. H. Müller & Co die hem in de gelegenheid stelde om in de ijzerertsmijnen in Zweden en Marokko praktijkervaringen met het opblazen van rotsen te doen onder veel minder stringente veiligheidseisen die elders wel werden gesteld. Gey van Pittius synthetiseerde op basis van ‘romaniet’ (Indisch barnsteen) verschillende soorten minder hygroscopisch chloraatspringstof voor toepassing in de mijnbouw zonder aan de uitwerking te tornen. De vermogende Indische theeplanter K.A.R. Bosscha onderzocht samen met Müller & Co en haar directeur Anton Kröller, later bekend van het Kröller-Müller museum, en de Buskruitfabriek Muiden van Bredius de mogelijkheden voor de bouw van een fabriek. Bij de haven Tandjong Priok van Batavia werd grond aangekocht en in 1913 een N.V. Romanietfabriek gerealiseerd met de gepensioneerde majoor G.M. Scherer van de Pyrotechnische Werkplaats in Bandoeng als technisch directeur. Gey van Pittius was één van de commissarissen. Hij publiceerde later nog met de industrieel P.M. van Bosse uit Bandoeng een brochure ‘De moderne processen tot binding van de luchtstikstof en zijn belang voor Ned. Indië’ (1923) waarin scheikundige technieken zoals van Haber-Bosch werden behandeld om stikstof te binden met uit elektrolyse verkregen waterstof ten behoeve van de productie van kunstmest. Na zijn terugkeer uit Indië werd hij bevorderd tot majoor en kwam hij bij het 1e regiment vestingartillerie. Hij vestigde zich kort in Willemstad en trok later in bij zijn jongere ongehuwde zus Susanna Cornelia (1870-1965) in Den Haag.

Het Munitiebureau

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Gey van Pittius, inmiddels luitenant-kolonel, lid van het Munitiebureau. Dit zelfstandig bureau dat zetelde in Den Haag was eind juni 1915 door het Ministerie van Oorlog en Marine opgericht om in binnen- en buitenland aankopen te doen bij de wapenindustrie teneinde in tijden van oorlog de productie van munitie en materieel doorgang te laten vinden omdat dan de staatsbedrijven naar verwachting onvoldoende zouden kunnen leveren. In New York was een dependance gevestigd ten behoeve van het benaderen van de Amerikaanse markt. Het bureau stond onder leiding van artillerie jaargenoot Van Roijen, die de militaire dienst in 1906 had verlaten om een leerstoel te aanvaarden als professor in de mechanische techniek aan de TH Delft. Een van de eerste opdrachten was een inventarisatie van de staalvoorraad bij bedrijven en de spoorwegenmaatschappijen. Naast activiteiten voor de Luchtmacht was ondertussen door het gebruik van strijdgassen op het slagveld ook in het gemobiliseerde Nederland belangstelling ontstaan voor dit wapen en onderzocht men onder meer de productie van fosgeengranaten. Een unieke mix van (militaire) specialisten, industriëlen en wetenschappers, een kennisnetwerk wat we nu een ‘ecosysteem’ noemen, boog zich over het gasvraagstuk. In 1917 werd Gey van Pittius belast met het scheikundig onderzoek en kreeg ondersteuning van J.D. Berkhout, het hoofd van het scheikundig laboratorium van de Artillerie Inrichtingen die evenals Van Roijen als kapitein in 1906 ontslag had genomen en overgegaan was als burgertechnoloog, en de chemicus reserve-luitenant infanterie J.C. Thonus. Door zijn goede contacten met vermaarde hoogleraren zoals Dr. S. Hoogewerff (organische chemie, Delft) en Dr. P. van Romburgh (organische chemie, Utrecht) kon hij uitgebreid onderzoek laten doen in universiteitslaboratoria. Daarnaast werd een commissie opgericht voor het nemen beschermende maatregelen zoals de ontwikkeling van gasmaskers. In 1918 werd Gey van Pittius geplaatst als kolonel-commandant van het 1e regiment vestingartillerie. Ook daar wisselde hij zijn leidinggevende taken af met wetenschappelijke. Zo kon hij onder voorzitterschap van prof. Hoogewerff zijn expertise ten toon spreiden in de landbouwcommissie voor de bereiding van stikstofhoudende meststoffen. Het munitiebureau werd in juli 1920 opgeheven maar de liquidatie kostte nog enkele jaren. Ondanks enige successen slaagde het bureau er niet in om in Nederland een krachtige eigen defensie-industrie op poten te zetten.

De kruitgeneraal

Na zijn bevordering tot generaal-majoor in 1920 werd Gey van Pittius nog benoemd tot Inspecteur der Vestingartillerie. Dit inspecteurschap werd al een jaar later bij een legerreorganisatie opgeheven. Hij beëindigde zijn militaire loopbaan in juli 1923 als directeur van het Artillerie-materieel. Dat jaar kreeg het onderzoek naar strijdgassen een nieuw impuls en werd door de minister van Oorlog een ‘Commissie Chemische strijdmiddelen’ ingesteld dat ook de bescherming in ogenschouw moesten nemen. Gey van Pittius kreeg de leiding van de commissie toegewezen waarin onder meer ook prof. Van Romburgh deelnam en de oud-generaal der artillerie en docent artilleriewetenschappen H.J.A. Feber. In 1926 transformeerde de commissie naar een ‘Commissie van Advies’ en ging het voorzitterschap over naar Ir. A.J . der Weduwen, de opvolger van Berkhout als het hoofd van het scheikundig laboratorium. Na de oorlog ging het inmiddels naar de gebouwen van de TH Delft verplaatste laboratorium met Der Weduwen organisatorisch over naar de opgerichte Rijksverdedigingsorganisatie TNO.

Generaal-majoor C.F. Gey van Pittius overleed op 3 december 1945 als gevolg van een verkeersongeval. Hij bleef zijn leven lang ongehuwd. De oud-generaal werd begraven op de Haagse begraafplaats Nieuw Eykenduynen. Tot aan zijn dood bleef hij actief als commissaris van de N.V. Nederlandse Springstoffabrieken. Hij was Ridder in de Orde Oranje Nassau met de Zwaarden (1896) en Ridder der Orde van de Italiaanse Kroon (1900).

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB