Velddetachement van officieren in opleiding van het 1e Regiment Veldartillerie (bivak te Oldebroek 1913)
Velddetachement van officieren in opleiding van het 1e Regiment Veldartillerie (bivak te Oldebroek 1913)

De Reserveofficier in het Nederlandse leger 1880-1950

Zelden ziet men een Koninklijk Besluit, dat eene legeraangelegenheid regelt, buiten het leger zoo de aandacht trekken en zooveel bijval vinden, dat velen zich genoopt voelen ongevraagd den Minister van Oorlog hunne instemming te betuigen, zooals thans het geval is met het besluit van 4 October 1893, waarbij de vorming van reservekader wordt vastgesteld.

 

Zo begon de officier en publicist George Nijpels zijn artikel in de Militaire Spectator over het besluit van minister van Oorlog A.L.W. Seyffardt reservekader (officieren en onderofficieren) in te stellen. De minister, een links-liberale artillerieofficier, vervulde hiermee een wens van vooral progressief denkende officieren die zich ernstig zorgen maakten over zowel de omvang van de Nederlandse krijgsmacht als de band tussen leger en samenleving.

Legerhervormingen gewenst

Het Nederlandse leger van de late negentiende eeuw was onderwerp van heftige politieke discussie. Sinds de mobilisatie van 1870 ten tijde van de Frans-Duitse oorlog aan het licht had gebracht dat het leger dringend aan hervormingen toe was, ijverden officieren en sommige politici voor meer financiën en organisatorische hervormingen. Nederland bezat een klein leger van beroeps(onder)officieren en dienstplichtig soldaten (miliciens) en een schutterij voor lokale ordehandhaving. Deze schutterij had door de geringe oefening geen militaire waarde van betekenis. Een echte legerreserve was zij niet. Van de dienstplicht kon de gegoede burgerij zich gemakkelijk vrijkopen. De mogelijkheden van plaatsvervanging en nummerwissel maakte het hen gemakkelijk iedere militaire verplichting te ontwijken. Kazerneleven associeerde de burgerij met drank, losbandigheid en goddeloosheid waaraan zij hun zonen niet wensten bloot te stellen. De omvang van het leger was bovendien wettelijk beperkt tot ongeveer 55.000, hetgeen door de meeste officieren als veel te klein werd beoordeeld.

Gestimuleerd door de gewelddadige Duitse eenwording in de jaren 1864-1871, en de dreiging die daarvan naar Nederland uitging, streefden officieren in het parlement en daarbuiten naar afschaffing van de plaatsvervanging en uitbreiding van de legeromvang. Dit werd een strijd van vele decennia, zowel omdat in het parlement altijd zorg om de defensie uitgaven bestond, maar ook omdat er zoveel verschillende opvattingen waren hoe nu precies het ideale Nederlandse leger er uit moest zien. Tot een van de meest actieve, bevlogen officieren van de late negentiende eeuw behoorde de infanterist J.T.T.C. van Dam van Isselt. Zijn ideeën lagen ten grondslag van het besluit van de minister uit 1893.

Van Dam van Isselt, actief in het militair onderwijs, was de woordvoerder van liberale officieren die de omvang van het Nederlandse leger wilden vergroten en de gegoede stand hun maatschappelijke plicht wilden laten doen en dat als kader van de krijgsmacht. Het ging in Europa aan het eind van de negentiende eeuw steeds meer om de macht van het getal. De op dienstplicht gebaseerde legers werden steeds omvangrijker en de idee dat in de, onvermijdelijke, oorlogen van de toekomst de kracht en overlevingskansen van volkeren op de proef gesteld zouden worden heerste algemeen. Een grote invloed hadden de werken van de Duitse officier Colmar von der Goltz, ook veel gelezen in Nederland. Deze Pruis beargumenteerde in de ogen van veel militairen overtuigend dat elke staat zijn kracht moest zoeken in deelname van de gehele bevolking in het leger. Reserveofficieren waren dus van cruciaal belang, het Duitse leger ontleende hieraan voor een belangrijk deel zijn kracht. Van Dam van Isselt bewonderde bovendien het Britse schoolsysteem, waarin de jeugd fysiek en mentaal werd voorbereid zijn krachten voor het Empire te geven. Natuurlijk besefte Van Dam dat Nederland niet op een lijn te stellen was met Groot-Brittannië of met het militair superieure Pruisen, maar hij weigerde zich neer te leggen bij de constatering dat het Nederlandse volk antimilitair zou zijn of dat de Nederlandse jeugd zich niet zou willen inspannen voor het behoud van de staat. Maatschappelijke rechtvaardigheid gebood dat zij die de meeste lusten van de staat hadden ook hun deel van de plichten droegen, daarbij moest de Nederlandse bevolking in zijn geheel gaan beseffen dat landsverdediging niet afgeschoven mocht worden op een beperkte groep. Bij de opvoeding van de middelbare school jeugd hoorde zijns inziens het militaire element een duidelijke plaats te krijgen, hetzij in de vorm van gymnastiek en schietonderricht hetzij door de mogelijkheid te bieden militaire oefeningen te doen.

Van Dams idealen werden in meer of mindere mate door liberale officieren gedeeld, die de afschaffing van de plaatsvervanging en de instelling van persoonlijke dienstplicht hoog in het vaandel voerden. Politieke successen kwamen echter traag. Pas bij de grondwetswijziging van 1887 kwam de beperking op de omvang van het leger te vervallen, maar de nieuwe wetten die invulling aan de modernisering van de krijgsmacht moesten geven, waren nog tot de eeuwwisseling onderwerp van discussie. Knopen werden doorgehakt in 1898, toen de confessionelen hun verzet tegen de persoonlijke dienstplicht lieten varen en in 1901 toen een geheel nieuw legervormingssysteem werd ingevoerd. De miliciens bleven veel langer oproepbaar, en het aantal jaarlijks op te roepen miliciens groeide aanmerkelijk. In plaats van de schutterij kwam er nu een geloofwaardige legerreserve in de vorm van de landweer, waarin de oudere dienstplichtigen hun mobilisatiebestemming kregen. Het Nederlandse leger kreeg een omvang van vier divisies en kon, in geval van mobilisatie gemakkelijk in kort tijd 200.000 man te velde brengen. Tegen deze achtergrond vond de discussie over de plaats van de reserveofficieren plaats.

Militieofficieren

Van Dam van Isselt opende de discussie op 19 december 1878 met een vlammend betoog, gepubliceerd in het Orgaan van de vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap (VBK). Hij maakte zich ernstig zorgen over de afstand tussen de gegoede standen en de krijgsmacht. Reserveofficieren waren zijns inziens een belangrijke brug tussen beide. De liberale minister van Oorlog A.W.Ph. Weitzel stond hier niet negatief tegenover en na de invoering van reserveofficieren van gezondheid in 1880, maakte hij in 1883 de benoeming tot militieofficier mogelijk. De bedoeling van dit besluit was kader aan te vullen vanuit de goed functionerende dienstplichtigen. Voor de artillerie bijvoorbeeld was de planning zestien militieluitenants aan te stellen bij elk van de regimenten veldartillerie, vier bij het KRA en tien bij elk regiment van de vestingartillerie. Ze zouden bekend worden als ‘patjes luitenants’ vanwege de speciale kentekening op hun uniform. Het werd een totale mislukking. Tot de opheffing van deze regeling in 1897 bereikte slechts een tweetal dienstplichtigen de luitenantsrang: F. Rothe (1884) bij de cavalerie en H. Ketner (1887) bij de vestingartillerie.

En dat terwijl in oorlogstijd veertig regimenten vestingartillerie geëncadreerd moesten worden. Het standbewustzijn van de doorsnee beroepsofficieren was blijkbaar nog te sterk om deze nieuwe collega’s te accepteren. Het pad naar de afschaffing van de plaatsvervanging en de vorming van kader uit de betere standen bleek door deze maatregel niet begaanbaar. Van Dam zette zijn strijd ongebroken met volle overtuiging voort. In 1887 boekte hij een klein succesje toen het ministerie een proef toestond scholieren van het gymnasium en de hbs op vrijwillige basis enige militaire vaardigheden bij te brengen. Het wachten was op een minister van Oorlog die sympathiek stond tegenover Van Dams ideeën.

Reserveofficieren

Seyffardts besluit van 1893 bracht een nieuwe categorie reserveofficieren in de krijgsmacht. De minister stelde de eisen niet te hoog: de doelgroep betrof middelbare scholieren tussen 17 en 24 jaar met ten minste drie jaar hbs die vrijwillig tot de krijgsmacht wilden toetreden. Lichamelijke geschiktheid, ongehuwd zijn en over enige militaire basisvaardigheden bezitten waren de andere eisen. Hier tegenover stond een financiële vergoeding en de vrije keuze van tijd en plaats van oefening om de werving zo aantrekkelijk mogelijk te maken. De regeling moest voorkomen dat de ouders het geld op tafel legden om hun zoon vrij te kopen en de tijden waarop de oefeningen plaatsvonden maakten het volgen van een studie mogelijk. De oefeningen vonden dus in de zomer plaats. De verbintenis was voor zes jaar, waarvan acht maanden daadwerkelijk onder de wapenen moesten worden doorgebracht. Naast het praktische veldwerk moest de (aspirant) vaandrig in een stad met een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs in de winter gedurende drie uur per week kostenloze theorielessen volgen.

Zou hiermee ook de afkeer van de kazerne weggenomen worden? “De gedachte aan de kazerne grijnst vele moeders als een nachtmerrie aan” en daarom stelde de minister voor dat speciale uniformen van goede stof met speciale emblemen enige exclusiviteit aan de reservist moesten verlenen en dat verblijf buiten de kazernepoort toegestaan was. In de woorden van Nijpels:

‘Deze uiterlijke kenteekenen, gevoegd bij het examen, dat de toetreding uitsluitend tot de meer ontwikkelden beperkt, zullen aan het reservekader een cachet geven, waardoor het dienen daarbij eene onderscheiding wordt. De goede bezoldiging zal medewerken om eene laatste weifeling te overwinnen’

De vaandrigsrang zou volgens dit systeem na ongeveer drie tot vier jaar kunnen worden bereikt, waarna inzet zowel bij het leger als bij de schutterij mogelijk zou zijn. Tevens bestond de mogelijkheid bij gebleken geschiktheid tot militieluitenant te worden benoemd.

De pers was over het algemeen lovend over deze instelling. Van Dam van Isselt zelf werd de eerste hoofdofficier reservekader en zou dat tot 1902 blijven. Naast de infanterie en de vestingartillerie voegden zich ook de cavalerie (1897), genie (1897) en de veldartillerie (1899) in dit systeem. Bij de marine deden in 1894 de reservisten hun intrede.

De eerste vaandrigs konden sneller dan verwacht worden begroet. De primeur ging naar Izaak Hermanus Misset die in 1894 bij het achtste Regiment Infanterie ingedeeld werd. In 1897 betraden de eerste reserve tweede luitenants de krijgsmacht (W. Cool, F.F.M. Wirtz en V. van Peski), alle van de infanterie. Een jaar voordien was ook de kapiteinsrang open voor reservisten opengesteld.

In 1905, het jaar waarin de positie van het reservepersoneel wettelijk geregeld werd, waren er 167 reserve luitenants en 54 vaandrig, de zogenaamde “roodborstjes” vanwege rode kraagspiegels. Veel groter was het aantal onderofficieren dat op deze wijze de krijgsmacht binnenstroomde.

Was hiermee bereikt wat Van Dam en zo velen met hem wensten? Een nauwere band tussen maatschappij en leger, achting en respect vanuit de burgermaatschappij voor het leger, een fysiek en moreel sterkere jeugd om in de ure des gevaars het vaderland te verdedigen, het onvermijdelijk maken van de afschaffing van de plaatsvervanging en betere promotiekansen voor de beroepsofficieren? Misschien was het wat veel gevraagd, maar Van Dam zette met kracht een publiciteitsoffensief in om de jeugd wakker te schudden en het nieuwe reservekader onder de aandacht te brengen. Hij schuwde grote woorden niet:

‘De bevolking moet doordrongen zijn van de waarheid, dat het leger de groote, nationale volksschool is, waarin alle strijdbare mannen, zonen van één vaderland, als broeders onder één kleed en één vaandel worden opgenomen, voorbereid en opgeleid ter richtige, kloeke vervulling van den hoogtsen staatsburgerplicht.’

De militaire autoriteiten begroetten het reservekader in het algemeen op zijn minst gereserveerd. Hoe konden vaandrigs die zo weinig praktijkervaring en zo weinig militaire opleiding hadden genoten, als leidinggevende militairen serieus genomen worden? In 1898 kwam er een nieuw argument bij: de persoonlijke dienstplicht, die in dat jaar na lange parlementaire strijd tot stand kwam. Als de invoering van het reservekader ooit bedoeld was om de persoonlijke dienstplicht te bevorderen, dan was dit nu volbracht. Vanaf 1898 kon de gegoede stand zijn militaire plichten niet meer afkopen, dus waarom dan nog een vrijwillig reservekader?

Verlofskader

De praktijk was weerbarstig. In 1901 veranderde, zoals opgemerkt, na decennialange discussies, het Nederlandse legervormingsstelsel ingrijpend. Het aantal op te roepen dienstplichtigen ging aanzienlijk omhoog en de periode waarin zij voor defensie beschikbaar waren werd verlengd. Na de eerste oefening van acht maanden volgde een periode als oproepbare milicien voor het veldleger – dat nu tot vier divisies kon groeien – en nadien voor de landweer. Er was nu aanzienlijk meer kader nodig. Toch schrok het parlement nog terug om kaderplicht in de wet op te nemen. De bronnen voor het kader bleven als vanouds: beroeps, militiekader en reservekader. De laatste twee – dus de resultaten van de wetten van 1883 en 1897 – werden samen met de officieren van de landweer aangeduid als verlofskader, maar het aantal vaandrigs en reserveluitenants dat uit deze wetten voortkwam was bij lange na onvoldoende om in oorlogstijd het omvangrijke Nederlandse leger aan te voeren.

W.E. van Dam van Isselt, die in de voetsporen van zijn vader trad, moest in 1905 – het jaar waarin verlofsofficieren structureel in de oorlogsorganisatie werden opgenomen – constateren dat zowel de aantallen als het animo onder de jeugd ver beneden de gewenste maat waren gebleven. Bovendien was als de doorstroming vanuit de sergeantsrang naar die van vaandrig te gering. In 1908 becijferde Van Dam het tekort op 1200 verlofsluitenants en 2850 onderofficieren. Bij de vestingartillerie bijvoorbeeld ontbraken honderd verlofsluitenants Vooral bij de landweer was de situatie droevig, van de 44 benodigde kapiteins bij de landweer-vestingartillerie waren er maar drie en ook hier waren honderd luitenants tekort! Van Dam schilderde in een brochure uit 1908 het droeve lot van het Deense leger dat in 1864 tegen de Pruisen roemloos ten onder ging, mede door kadergebrek hetgeen schril afstak tegen het Pruisische leger dat zowel toen als in 1870 zijn overwinning op Frankrijk mede aan reserveofficieren te danken had. Leger en samenleving zouden nooit tot eenheid kunnen komen als niet de verlofsofficieren de schakel werden.

Hij bepleitte kaderplicht als oplossing en hield de gegoede burgerij een spiegel voor:

Zij die in vredestijd het volk eenmaal in allerlei betrekkingen zullen voorgaan en leiden, doen dit ook in oorlogstijd als militaire aanvoerders.

Een ander alternatief was actieve vorming van kader vanuit de militie. Maar waarom was dit ideaal geen realiteit?

Viermaanders

Een onderdeel van de wetten van 1901 behelsde de viermaanders. Na het volgen van zogenaamd voorbereidend militair onderricht, kon een dienstplichtige zijn diensttijd bekorten tot slechts vier maanden. Dat was een bijzonder aantrekkelijk alternatief, waarvan met name de gegoede burgerzonen gebruik maakten, omdat alleen zij over de benodigde diploma’s beschikten. Die militaire vooroefening moest in den lande worden verzorgd door het beroepskader, een extra beslaglegging op een toch al overbelaste groep.Van Dam pleitte er daarom voor de financiële en intellectuele elite van deze mogelijkheid uit te sluiten en hen met kaderplicht te confronteren, dat als eervol beschouwd moest gaan worden. Bovendien was de door den lande verspreide opleiding, los van de troep, vele militairen een doorn in het oog. Een verzameling individuen die kunnen schieten en marcheren vormden immers geen leger. Een andere beperkende factor was de wijziging uit 1902 van de wet die de toelating en de opleiding tot het reserveofficiersschap regelde. Zo kwam er bijvoorbeeld minder vrijheid de momenten van opkomst te bepalen en was het niet langer mogelijk de oefentijd te laten vallen in de vakantieperiode van de studie.

Opleidingen

De legerwetten van 1901 brachten niet alleen kommer en kwel voor werving van reserveofficieren, of beter gezegd, verlofsofficieren zoals de gebruikelijke verzamelterm werd. De eerste opleidingen speciaal gericht op deze categorie begonnen te verschijnen, veelal als initiatieven vanuit ‘de troep’. Bij de vestingartillerie vond in 1903 de eerste opleiding van twee miliciens tot officier plaats op initiatief van kapitein J.H. Röell van Hazerswoude. Op vrijwillige basis konden miliciens bij de troep opgeleid worden tot onderofficier en zelfs officier. Hieruit ontstond in 1909 op initiatief van C.C. de Gelder in Amersfoort de zogenaamde militaire schoolcompagnie die, aanvankelijk met slechts negentien leerlingen, de basis vormde voor de scholen voor verlofsofficieren die spoedig nadien in de organisatie verschenen.

In 1910 nam majoor P.L. Bergansius het initiatief de opleiding voor de verlofsofficieren bereden artillerie te centraliseren bij het vierde Regiment Veldartillerie in Ede. De eerste cursusleider was eerste luitenant J.H. Westerveld. Samen met H. Keppel Hesseling, N.T. Carstens en D.M. Lucardie zou hij decennialang het artillerie-onderwijs voor reservisten vormgeven.

De toon was gezet, scholen voor verlofsofficieren verschenen in 1912 in Amersfoort (cavalerie en infanterie), Maastricht (infanterie) en Utrecht – voor de onbereden artillerie – en een jaar later in Breda (infanterie). In eerste instantie waren de scholen bedoeld voor de aspirant militieofficieren, maar ze waren ook toegankelijk voor het reservekader en voor officieren voor de landweer. Voor de bereden wapens was behalve de schoolopleiding ook een proeftijd van drie maanden in de rang van wachtmeester bij een parate eenheid noodzakelijk. Westerveld schreef hierover:

Deze regeling heeft m.i. het onschatbare voordeel, dat de a.s. kornet, alvorens hem de rang wordt toegekend, welke hem de meerdere doet zijn van alle onderofficieren van de batterij, in den troep de bewijzen moet leveren, dat zijn verantwoordelijkheidsgevoel inderdaad zoo ontwikkeld is en zijn karaktereigenschappen van dien aard zijn, dat hij, zonder gevaar voor de discipline, boven de onderofficieren van zijn onderdeel kan worden geplaatst.

Een andere positieve ontwikkeling was de oprichting in 1907 van een tijdschrift speciaal gericht op de verlofsofficier: Mavors. Het zou tot 1940 blijven bestaan. De eerste hoofdredacteur was reserve eerste luitenant D.H. Schilling.

De legerwetten van Colijn

In 1911 betrad een bijzonder dynamische buitenstaander het ministerie: Hendrikus Colijn. Het kadertekort was een van de belangrijkste redenen waarom deze gelauwerde Indië-veteraan de legerwetten van 1901 een grondige herziening liet ondergaan. Een nog groter, maar beter geoefend en beter geëncadreerd leger moest het gevolg zijn. In Colijns legerwetten verdwenen, op advies van de commissie Alting von Geusau (1911-1912), het militaire vooronderricht en de viermaanders. Eindelijk kwam de kadervorming op basis van kaderplicht tot stand. De opleiding tot militieofficier kon dus verplichtend worden opgelegd als zich onvoldoende geschikte vrijwilligers meldden. Tot aan de mobilisatie van 1914-1918 was het aantal vrijwilligers voldoende. Colijn verhoogde de jaarlijkse opkomst, maar verkortte de jaren van oproepbaarheid voor de militie. Na de militie en de landweer werd de landstorm aan het leger toegevoegd (1913), waarin de oud-landweersoldaten en kaderleden stroomden. Aan veel kritiek uit het leger was Colijn tegemoet gekomen, zonder wezenlijk de wijze van samenstelling van de krijgsmacht te veranderen.

C.C. de Gelder hield op 24 januari 1913 in Den Haag een lezing waarin hij de loftrompet over Colijns maatregelen stak:

Het keerpunt is gekomen en de verlofsofficieren zullen in de toekomst eene zoo belangrijke plaats in ons leger gaan innemen, dat eene degelijke opleiding van deze categorie eene levensquaestie voor onze weermacht is geworden.

Maar De Gelder besefte dat er nog vele negatieve vooroordelen bij de beroepsofficieren heersten. Hij meende dat deze op te heffen waren door hoge eisen te stellen aan de verlofsofficieren, zowel wat betreft vooropleiding (hbs en gymnasium) als ‘algemene beschaafdheid’ en hen een goede militaire opleiding te geven. Hij wenste de oude, intermitterende opleiding van het reservekader te laten vervallen en alleen een eenvormige, aaneengesloten opleiding aan een van de scholen voor verlofsofficieren te laten bestaan. Dat was niet alleen efficiënter, maar leverde ook een kwalitatief beter resultaat op. De Gelder had niet kunnen vermoeden hoe snel de omstandigheden voor de verlofsofficieren in hun voordeel zouden veranderen. De Eerste Wereldoorlog en de legerwetten van 1922 betekenden de doorbraak van de reservist.

 

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB
X