Legercommandant 1935-1939, Bronbeek
Legercommandant 1935-1939, Bronbeek

Een oud-generaal op missie

In publicaties over het KNIL verschijnt de naam van luitenant-generaal der Artillerie Murk Boerstra (1883-1953) veelal alleen als de legercommandant die in 1939 met groot wapenvertoon het commando overdroeg aan de twee jaar later onfortuinlijk verongelukte G.J. Berenschot. Minder bekend is dat de gepensioneerde generaal eind 1940 vanwege Duitse represaillemaatregelen in bezet Nederland op missie naar de Oost werd gezonden teneinde de internering van Duitsers te laten stoppen. Boerstra was van eenvoudige komaf en maakte ondanks zijn forse gestalte een bescheiden indruk. Begin twintigste eeuw nam de jonge luitenant deel aan bloederige expedities op Bali en Celebes. In Japan was hij enige jaren militair attaché waar hij ook de taal beheerste. Tijdens zijn uitzonderlijk lang commandantschap maakte het KNIL na vele jaren van bezuinigingen een aanzienlijke groei door. Piet Idenburg, Chef Kabinet van de laatste Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, noemde hem één van de beste legercommandanten die het KNIL had gehad.

De Fries Murk Boerstra kwam uit een arbeidersmilieu. Hij werd in Sneek geboren op 28 november 1883. Zijn vader Ruurd (1856-1925) had verschillende banen om aan de kost te komen. Zo was hij timmermansknecht en trok hij het land door als handelsreiziger. Moeder Anna Plevier (1855-1930) was een dochter van een tuinman. Na de HBS, in achtereenvolgens Amsterdam en Den Bosch, en de Alkmaarse Cadettenschool vervolgde Murk op de KMA de officiersopleiding voor de artillerie in Oost-Indië. In 1904 vertrok hij als tweede luitenant naar de kolonie.

Expeditie-geschut

Daar kwam hij in Soerabaja bij de 3e batterij bergartillerie die naast 7,5 mm berggeschut speciaal voor expedities in moeilijk begaanbaar terrein uitgerust was met vier (van de Marine geleende) draagbare stalen 3,7 mm kanonnen met een dracht van 2500 m. De Artillerie Constructiewerkplaats voorzag ze van een drievoet buisaffuit.

Tot 1861 had het KNIL verschillende expedities uitgebracht om het Boni-vorstendom aan de oostkust van Zuidwest-Celebes te onderwerpen. Na jaren van relatieve rust laaide het verzet in 1905 weer op. De reactie van gouverneur-generaal J.B. van Heutsz was zoals verwacht: een volgende ‘tuchtiging’. Eerste luitenant H.W. Verment voerde tijdens deze expeditie met sectiecommandant tweede luitenant A. Bax het commando over de recent toegewezen 3,7 cm batterij waarover hij nadien een gedetailleerd verslag schreef. Ondanks dat het kanon niet ontworpen was voor de toepassing van rookzwak buskruit en de rookontwikkeling daardoor vaak het snelvuur hinderde was de inzet succesvol. De Nederlandse strijdmacht leed in tegenstelling tot de nauwelijks bewapende opstandelingen slechts enkele verliezen.

Begin september 1906 verscheepte de 3,7 cm batterij, dit keer onder leiding van eerste luitenant A.F.A. Hoog met Boerstra als sectiecommandant, naar het eiland Bali. De tot eerste luitenant bevorderde Boerstra nam daar deel aan een expeditie die onder leiding stond van de ‘Lombokgeneraal’ M.B. Rost van Tonningen. De veldtocht, één van de velen, had tot doel opstandige Balinese radja’s te onderwerpen. De expeditionaire artillerie stond onder algemeen commando van de op Lombok ervaren kapitein E. van Thiel. Het bestond uit de genoemde 3,7 cm batterij en een batterij met vier houwitsers 12 cm A(chterlaad) onder commando van eerste luitenant H.G. van Viersen. Een pionierssectie werd toegevoegd om de wegen begaanbaar te maken voor het zware geschut. De artillerie moest de in colonnes oprukkende drie infanteriebataljons met vuur ondersteunen. De houwitsers dienden de versterkingen aan te pakken. Een peloton cavalerie verzorgde de flankbeveiliging. Uit een gevechtsverslag bleek het door koelies en dwangarbeiders uit Atjeh gedragen 3,7 cm geschut zeer effectief te zijn tegen de tegenstanders die in het open veld blijkbaar ‘in dichten drommen’ hun dood tegemoet gingen. Over of dit hen wat deed verhaalde het verslag: ‘Hiervan is niets gebleken, daar de beschoten vijand zeer kalm bleef onder het hevigste artillerie- en infanterievuur, zeer waarschijnlijk wijl de strijders zich ten doode gewijd hadden.’ Ze waren slechts bewapend met krissen en lansen. De verschillende expedities op de Kleine Soenda-eilanden waartoe Lombok en Bali behoorden resulteerden in een groot bloedbad met vermoedelijk meer dan duizend doden bij de inheemse bevolking. De verslagen Balinese vorst van Badoeng pleegde met zijn aanhang massaal een rituele zelfmoord, ‘perang puputan’ geheten. Ook Boerstra moet hiervan getuige zijn geweest. Begin november 1906 was de batterij weer terug in Soerabaja.

12 cm hw, Bali 1906, KILTV.
12 cm hw, Bali 1906, KILTV.

Boerstra was net gearriveerd in Soerabaja of hij kreeg weer opdracht naar Makassar op Celebes te vertrekken als commandant van de logistieke ‘trein’ van de bezettingsmacht. Omdat er bij ongeregeldheden wederom om inzet van artillerie werd gevraagd kreeg hij tevens een sectie 3,7 cm geschut onder bevel. Begin maart 1907 kwam Boerstra met zijn sectie in actie bij de zogeheten ‘Allahstellingen’ nabij het gebied van de Tora(d)ja in centraal Zuidwest-Celebes. Er waren wel vraagtekens of dit type kanon met een klein kaliber en projectielen met een gevoelige schokbuis wel effectief kon zijn tegen strijders die zich verscholen in de kalkrotsen. De artillerie had zoals verwacht vooral een morele uitwerking op de verscholen tegenstander. Vele honderden doden vielen door het meedogenloze geweervuur van de belegeraars. Boerstra kreeg voor de bijzondere krijgsverrichtingen een ‘Eervolle Vermelding’ in zijn dienststaat en mocht een kroontje dragen op zijn expeditie medaille. Nog tot 1908 verbleef Boerstra bij de trein in de havenstad Paré-Paré ten noorden van Makassar. Daarna werd hij op Java geplaatst bij de 12e compagnie vestingartillerie in Batoedjadjar en te werk gesteld bij de Commissie van Proefneming tot aan zijn verlof in 1910.

Leraar

In Nederland werd de luitenant voor drie jaar geplaatst als leraar ‘artilleriewetenschappen, reglementen en tekenen’ op de Koninklijke Militaire Academie. Bij een vliegdemonstratie op de Molenheide bij Gilze maakte Boerstra in 1910 zelfs zijn luchtdoop. Hij bleek op te vallen bij zijn chefs. Na het leraarschap werd hij toegelaten tot de cursus op de Hogere Krijgsschool wat onderbroken werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de mobilisatiejaren diende hij in het Nederlandse leger. Zo was hij op het Hoofdkwartier Veldleger in Den Haag commandant van de ‘etappentreinen op de regelingsetappeplaats’ (officier verkeer en vervoer) en hield hij zich in commissie bezig met de schadeloosstelling van gevorderde auto’s. In mei 1919 keerde hij als gebrevetteerde kapitein terug naar Indië. Zijn jongere broer Jan Hendrik (1894) was toen ook al met diens echtgenote als bestuursambtenaar naar de kolonie vertrokken. Hier vervulde hij verschillende burgemeestersposities waaronder laatstelijk die in Malang. Vanuit de Generale Staf werd Murk Boerstra gedetacheerd bij het 15e bataljon infanterie en de 2e opnemingsbrigade Topografische dienst in Bandoeng. In die jaren verschenen artikelen in het Indische Militair Tijdschrift van zijn hand over hoekmeetinstrumenten voor indirecte richting en doelaanwijzing bij de bereden artillerie. Hiervoor had hijzelf een correctieplaat en -liniaal ontworpen.

Militair attaché

Begin twintigste eeuw werd het enkele officieren van de Generale Staf toegestaan om in Japan de herfstmanoeuvres bij te wonen om zo een indruk te krijgen van de opbouw van het Japanse leger. Het duurde nog tot 1907 voordat er daar een militair attaché werd geplaatst. Er was namelijk discussie in het Nederlandse Parlement of de kosten opwogen tegen de baten en of in het licht van de neutraliteit een dergelijke functiebenaming de Japanners niet tegen het hoofd zou stoten. Ondertussen was er een revolutie uitgebroken in Frans Indochina en nam de onrust in de regio verder toe. Dit maakte de beschikbaarheid van een militaire functionaris voor de bestudering van de militaire opbouw in China en Japan noodzakelijk. Boerstra kwam in 1920 naar Tokio. De kapitein van de Generale Staf voldeed aan het profiel want hij was nog ongehuwd. Toen hij kennismaakte met de Nederlandse gezant viel hij meteen voor diens dochter. In 1922 trouwde hij in Yokohama met jkvr. Bonne Elisabeth Constance Wilhelmina de Graeff (1898-1987). Samen kregen ze vijf Indische zoons en een Nederlandse dochter die echter vroeg overleed. Kort na de huwelijksvoltrekking moest het paar naar Java terugkeren want om tot majoor te kunnen worden bevorderd diende hij troependienst te verrichtten. De Sumatrapost schreef over het vertrek: ‘Kapitein Boerstra viel in de salons en op het parade-veld op door zijn forsche en kaarsrechte huzarenfiguur en onder collega’s door zijn kennis van de krijgswetenschappen en vooral van taal en volk van Japan.’ Boerstra’s voorganger kapitein K.L. Rozendaal werd toen nog kort als attaché teruggeplaatst maar vanwege bezuinigingen kende deze geen opvolgers meer. De Regering vond de (goedkopere) oplossing in 1923 generaal-majoor J.C. Pabst die als kapitein al attaché in Tokio was geweest tot gezant te benoemen. Pabst bleef aan totdat hij enige weken na de oorlogsverklaring aan Japan op 8 december 1941 aan een hartaanval overleed. Boerstra had in zijn rapporten steeds sterk gewaarschuwd voor de zwakke verdediging van de Nederlands-Indische oliehavens op Balikpapan en Tarakan die ingeval van oorlog in de Pacific een doelwit zouden worden voor Japanse vloot. Dit bleek later inderdaad het geval. Als luitenant-kolonel was Boerstra in januari 1931 weer even terug in de regio en aanschouwde hij nabij Hanoi de legeroefeningen van Frans Indo-China.

Na Tokio deed kapitein Boerstra de vereiste operationele ervaring op bij de 2e Afdeling 7,5 cm L30 in Soekaboemi. In 1924 werd hij stafofficier bij het Hoofdkantoor der Artillerie met de nevenfunctie van redacteur van het Indisch Militair Tijdschrift. Hij publiceerde weer verschillende artillerie-technische artikelen. Maar hij behandelde ook de invoering van de Wet op de Staatsinrichting van Nederlands-Indië uit 1922 waarin bepaald werd dat officieren voortaan werden aangesteld door de gouverneur-generaal in plaats van door de Koning zelf.

Ontwerp-Vlootwet

Eind 1923 werd in het Nederlandse Parlement de ontwerp-Vlootwet weggestemd vanwege de zeer hoge uitgaven in crisistijd en de hierdoor ontstane maatschappelijke onrust. Het leidde tot de val van het kabinet Ruys de Beerenbrouck II. Het ontslag werd echter door Koningin Wilhelmina niet aanvaard omdat de formatie van een nieuw kabinet stagneerde. In 1924 ontwikkelde het zittende kabinet een sterk afgezwakt ontwerp wat voor Indië neerkwam op een verlenging van de realisatie van de benodigde onderzeeboten, kruisers en jagers. Omdat de kosten van het investeringsplan deels ook drukten op de begroting van Koloniën werd bij de behandeling van het ontwerp in de Indische Volksraad het voorstel gedaan wederom te bezuinigen op het Indisch Leger. De taak van het Leger was daarbij beperkt tot handhaving van orde en rust en slechts de verdediging van de havens van Soerabaja en Batavia tegen vijandelijke landingsdivisies. Dit zette kwaad bloed in legerkringen. Kapitein Boerstra zag hierin aanleiding tot een schrijven van een strategische verhandeling over de verdediging van Indië. Hoewel hij begreep dat voor de verdediging van het eilandenrijk nu eenmaal een Marine noodzakelijk was, dienden in zijn optiek de sterkte van de Marine en het Leger wel steeds in samenhang te worden bezien evenals de verdeling van de beschikbare fondsen. Boerstra pleitte ervoor ‘de weermacht’ als hoofdtaak op te dragen ‘naast verzekering van orde en rust in den archipel, handhaving van onze neutraliteit binnen de grenzen van ons geldelijk kunnen’. Buiten Java zou de Marine dan primair de neutraliteit moeten handhaven met op de Buitengewesten een legerbezetting van voldoende sterkte. Op Java waren volgens Boerstra voor het Leger twee moderne mobiele infanteriedivisies nodig, versterkt met ‘beroepskernen van hulpwapens’ [zoals de artillerie en cavalerie] en aangevuld met beschikbare milities.

Kaart aanval Allahstellingen, Celebes 1907, NIMH.
Kaart aanval Allahstellingen, Celebes 1907, NIMH.

Het artikel was aanleiding voor ingezonden reacties in de kranten. Voorstanders van de suprematie van de Marine meenden dat Indië dan in geval van oorlogsdreiging gemakkelijk aansluiting zouden kunnen vinden bij krachtige maritieme bondgenoten in de regio. Hierop verdedigde Boerstra het gevoerde neutraliteitsbeginsel in een artikel over buitenlands beleid. Hoewel hij zich kon voorstellen dat Nederland de koloniën ooit zal kwijtraken onderschreef hij de handhaving van de koloniale politiek op basis van een onafhankelijke positie van Nederland ten opzichte van bondgenootschappen. Die les had de Eerste Wereldoorlog hem geleerd. De geschiedenis toonde later aan dat in 1941 het bondgenootschap met Amerika, Engeland en Australië al snel uiteenviel vanwege eigenbelang van de mogendheden en dat vervolgens Nederlands-Indië er bij de aanval van Japan nagenoeg alleen voor kwam te staan. De ontwerp-vlootwet werd niet meer naar het Nederlandse Parlement gezonden. Wel kwamen later de plannen terug in de ‘Defensiegrondslagen’ van 1927.

Minstens tot generaal

Boerstra was zichtbaar voorbestemd voor iets groots. Op de KMA was dat reeds voorzien: ‘Hou dien Boerstra in de gaten, joh, hij heeft den kolbak reeds op het hoofd. Die wordt stellig: minstens generaal. Deze cadet Boerstra was, aldus vertellen zij die met hem samen hun cadettentijd te Breda hebben gehad, een „geweldige kei", in vrijwel alles.’ Hij slaagde als eerste van zijn jaar voor het officiersexamen en ontving namens de Koningin nog een gouden horloge.

In april 1926 vertrok het gezin voor verlof naar Nederland. Boerstra was inmiddels gepromoveerd tot majoor. Schoonvader jhr mr. dr. Andries C.D. de Graeff vervulde na een plaatsing in Washington op dat moment in Nederlands-Indië het prestigieuze ambt van gouverneur-generaal. Deze positie had ook de vader van diens echtgenote, jhr C.H.A. van der Wijck, bekleed. Eind van het jaar kwam Boerstra bij de staf van de 2e afdeling veldartillerie in Tjimahi. Hij keerde als luitenant-kolonel in 1928 terug bij de Generale Staf. Na de waarnemersmissie in Indochina werd overste Boerstra (waarnemend) commandant 1e Regiment Veldartillerie in Weltevreden. Daarna volgden bevorderingen elkaar in snel tempo op.

Audiëntie GG Van Starkenborgh, 1936, Nationaal Archief.
Audiëntie GG Van Starkenborgh, 1936, Nationaal Archief.

In 1932 werd de kolonel Chef van de Generale Staf en Inspecteur Militaire Luchtvaart. Het zelfde jaar nog volgde de promotie tot generaal-majoor. In augustus 1933 zat hij voor bij de festiviteiten rond het 60-jarig bestaan van de Generale Staf in Nederlands-Indië. Hare Majesteit verhief hem bij deze gebeurtenis tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Boerstra sprak na zijn dankwoord de gebrevetteerde officieren toe met de woorden: ‘Het gaat om den geest in het leger, de paraatheid naar buiten en vooral: de paraatheid naar binnen. Voor alles gaat het erom, orde en rust in dit land te handhaven; deze gewesten, boven welke onze Nederlandsche driekleur wappert, fier en voor altijd!’ In 1934 ging het gezin weer met verlof naar Nederland waar De Graeff inmiddels minister van Buitenlandse Zaken was. In Breda kon Boerstra deelnemen aan een eerste reünie van zijn promotiejaar 1904 waar hij vele jaargenoten na lange tijd weer de hand kon schudden. Van de 98 jonge luitenants van toen waren er nog 20 in actieve dienst. Hijzelf, toch de jongste generaal in de ranglijst, wist toen reeds dat hij de nieuwe legercommandant zou worden. Tijdens het verlof liep hij veelvuldig het Ministerie van Koloniën binnen voor overleg en ontving Koningin Wilhelmina de aanstaande commandant op audiëntie. Boerstra maakte als zodanig deel uit van de ‘commissie-Kan’ die zich in navolging van de ‘commissie-Idenburg’ boog over een bezuiniging op de (financiële) middelen voor de maritieme verdediging van Nederlands-Indië: ’slagkruisers of vliegtuigen’. Hierdoor moest zijn verlof met vier maanden worden verlengd. Het pensioen van de aftredende legercommandant generaal J.C. Koster werd nog even uitgesteld.

Legercommandant

Op 30 juli 1935 werd de 52-jarige Boerstra na een groots onthaal bevorderd tot luitenant-generaal en nam hij onder het oog van de gouverneur-generaal jhr. mr. B.C. de Jonge het legercommando over van Koster. Hij zou deze functie uiteindelijk veel langer bekleden dan de gebruikelijke twee jaar. Hij kwam onder een gunstig gesternte. Waar zijn voorgangers vaak kwantiteit moesten inleveren om kwaliteit te behouden waren de bezuinigingen op het KNIL bij zijn aantreden verleden tijd en zo kon voortvarend een broodnodige modernisering worden doorgezet. Zoals hij later in een terugblik zou schrijven: ‘met ernst en toewijding, met voortvarendheid en naar een weloverwogen plan’.

De voorstellen in het nimmer gepubliceerde rapport van de commissie-Kan gingen over de versterking van het luchtwapen. Er was geen unanimiteit over hoe dit moest worden bereikt. De marineofficieren in de commissie hielden vast aan het behoud van schepen. Door vooral het aandringen van Boerstra won uiteindelijk het KNIL de politieke strijd tussen de Marine enerzijds en Koloniën en Defensie anderzijds over de zeggenschap over de Luchtafdeling. Met de aanschaf van tweemotorige Amerikaanse Glenn Martin ‘slagbommenwerpers’ was het KNIL zelf in staat buiten Java doelen te bestrijden. Dit ging dan wel ten koste van de aanschaf van drie kruisers. Bommenwerpers waren voor de regering-Colijn aanzienlijk goedkoper.

Afscheid garnizoen Malang, 1939, Bronbeek.
Afscheid garnizoen Malang, 1939, Bronbeek.

Plannen om in aanvulling op het militie- en reservistenbestand ook een beperkte inheemse militie op te zetten om zo de mankracht van het KNIL bij mobilisatie verder uit te breiden werden door de leiding van het KNIL vanwege de kosten voor legering en de benodigde opleidingscapaciteit afgewezen: ‘Duidelijk was aan het licht getreden, dat een klein doch goed uitgerust Leger verre te verkiezen was boven een van grotere sterkte, doch niet zo krachtig bewapend’. Boerstra geloofde vanuit zijn koloniale inborst dat de bevolking welwillend ten over het KNIL stond: ‘Aan den anderen kant is het zoowel dwaasheid te zeggen, dat de Inlandsche bevolking niet zou mogen deelnemen aan de defensie van Indië, als te zeggen, dat zij er niet voor zou voelen. Omstreeks 80% van het geheele leger bestaan de troepen geheel uit Inlandsche soldaten met enkel Nederlanders als officieren en onderofficieren’.

Eind 1936 vloog Boerstra onverwijld met de KLM naar Nederland terug, volgens de kranten wegens ‘dringende particuliere belangen’. Hij kreeg zes weken verlof en keerde eind januari 1937 terug. Hij bezocht de Fokkerfabrieken in Amsterdam waar de productie van het G-1 jachtvliegtuig plaatsvond en sprak op de ‘Indische Legeravond’ in Den Haag in aanwezigheid van de Koningin. Daar memoreerde hij het roemrijke optreden KNIL in Indië waar ‘met een bevolking van 60 miljoen zielen, orde en rust worden gehandhaafd door niet meer dan 60.000 militairen. Die 60.000 man staan schouder aan schouder om het Nederlandsche gezag ginder te schragen’. Op 1 maart werd de werkelijke reden van zijn overtocht duidelijk. Toen meldden de kranten dat dochter Angelique in Nederland op 10 jarige leeftijd was overleden. Ze was ernstig ziek. Het bleek dat Boerstra zijn dochter had meegenomen in het vliegtuig om haar in het Wilhelminagasthuis te Amsterdam een hersenoperatie te laten ondergaan. Hoewel de operatie was geslaagd en Boerstra opgelucht alleen terugkeerde naar Indië trad geen herstel op en verloren de ongelukkige ouders hun enige dochter. Ze werd door zorg van de familie in Den Haag begraven.

Overdracht, vlnr kap Weijerman (Adj), lgen Berenschot, lgen Boerstra, genmaj Ter Poorten (CS), 1939, Bronbeek.
Overdracht, vlnr kap Weijerman (Adj), lgen Berenschot, lgen Boerstra, genmaj Ter Poorten (CS), 1939, Bronbeek.

Eind maart 1937 kwam voor de eerste maal de Staatsmobilisatieraad bijeen onder voorzitterschap van de legercommandant. Deze raad bestond uit nagenoeg alle civiele en militaire departementshoofden en had tot doel de kolonie in materieel opzicht voor te bereiden voor een mogelijke oorlog tegen Japan. Omdat bleek dat de legercommandant nauwelijks tijd had om de vergaderingen te leidden werd na diens vertrek het voorzitterschap overgedragen aan de oud-divisiecommandant luitenant-generaal b.d. T. Bakker. Boerstra autoriseerde nieuwe, lokaal geproduceerde, olijfgroene gevechtskleding (‘Garoet-B’) voor zijn manschappen dat beter geschikt was voor de tropen.

Begin 1939 drong de Regering na verlenging van de zittingsperiode nogmaals aan op het aanblijven van de zeer bekwaam gebleken legercommandant. Persoonlijke omstandigheden – vermoedelijk het grote verdriet om de verloren dochter en de scholing van zijn zoons – dwongen hem echter tot een definitief afscheid. In juli 1939 gaf hij op het vliegveld Andir bij Bandoeng het commando over aan zijn chef-staf generaal-majoor Berenschot en sprak ‘dat het leger thans op een peil stond dat het iedere legermacht het hoofd kan bieden’. Een indrukwekkende ‘wapenschouw’ tijdens de overdracht moest dit naar de buitenwereld toe onderstrepen. Vele aankopen, zoals tanks, kanonnen, luchtverdediging en vliegtuigen, waren welleswaar in gang gezet, maar een aanzienlijk deel zou Indië vanwege de oorlogsomstandigheden nimmer bereiken. Het gezin Boerstra vertrok kort na het aftreden met de jongens naar Nederland waar de grootouders in Den Haag ze in de armen sloten.

Bezetting

Boerstra was een half jaar in Nederland toen Duitsland in mei 1940 het neutrale Nederland binnenviel. Vanuit Berlijn had militair attaché kapitein G.J. Sas al eerder, in november 1939, het bericht gezonden dat een inval aanstaande was. De toenmalige opperbevelhebber generaal I.H. Reynders had totaal geen vertrouwen in de vaak nerveus ogende Sas en toen die de inval maar niet kwam (en ook niet in januari 1940) vond hij dat de ervaren oud-generaal Boerstra naar Berlijn moest gaan om daar het attachéschap over te nemen met Sas als zijn toegevoegd. De toenmalige Minister van Defensie Dijxhoorn ontsloeg Reynders echter na een slepend conflict over de inrichting van de landsverdediging. Sas bleef aan als attaché. Reynders erkende later dat Sas toen de oorlog in Nederland daadwerkelijk uitbrak wel tijdig had gewaarschuwd.

37 mm kn, li lt Bax en Verment , Bali 1905, KILTV.
37 mm kn, li lt Bax en Verment , Bali 1905, KILTV.

Toen na de capitulatie de officieren en cadetten de zogenaamde ‘erewoordverklaring’ om geen gewapend verzet meer te bieden moesten ondertekenen, maakte Boerstra al meteen schriftelijk kenbaar dat hij dat niet in overeenstemming zou kunnen brengen met zijn geweten omdat een officier trouw gezworen had aan de Koningin. Opperbevelhebber generaal H.G. Winkelman aarzelde met het innemen van een standpunt. Het overgrote deel tekende. Van de 69 weigeraars die werden afgevoerd naar krijgsgevangenkampen, onder wie Winkelman zelf, waren er 39 van het KNIL. Onder het KNIL waren officieren verboden een dergelijke verklaring te onderschrijven. Toch tekenden de andere helft van het aantal Indische officieren met verlof wel de verklaring omdat zij zich in het Nederlandse leger hieraan niet gebonden achtten, hetgeen ook door de secretaris-generaal van Koloniën werd bevestigd.

Op missie

De in 1936 aangetreden gouverneur-generaal jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer liet na de Duitse inval alle Duitsers en NSB-ers in Indië oppakken en interneren in kampen tot grote ergernis van het Naziregime. Aanvankelijk waren de omstandigheden in de opvangkampen erbarmelijk. Na het vertrek van hun ministers en de Koningin naar Engeland namen de Secretarissen-Generaal in Nederland het openbaar bestuur waar. Toen Reichskommissar A. Seyss-Inquart een groep Indische gijzelaars als represaille liet oppakken besloten ze mr. W.G.F. Jongejan, voorzitter ondernemersraad Nederlands-Indië, met de gepensioneerde generaal Boerstra in oktober 1940 op missie naar Indië te zenden om te bewerkstelligen dat Duitse geïnterneerden zouden worden gerepatrieerd. Tevens kregen ze de geheime opdracht mee het opperbestuur in Indië te informeren over de toestand in Nederland. Men verwachtte op dat moment dat Duitsland de oorlog zou winnen en het was van belang de Duitsers gunstig te stemmen opdat zij invloed konden uitoefenen op de expansiedrift van Japan teneinde Nederlands-Indië te behouden. De missie werd kenbaar gemaakt aan het Duitse regime. Toen Seyss-Inquart de heren ontving had hij al besloten een tweede groep gijzelaars op te pakken. In Berlijn kregen Boerstra en de door ziekte verzwakte Jongejan de benodigde reisvisa en bereikten ze medio november Tokio. Van Starkenborgh verbood het gezelschap echter om een voet op Indische grond te zetten omdat zij daar als te Duitsgezind zouden kunnen worden gezien. Bovendien verwachtte hij binnen niet al te lange tijd een Japanse aanval waarna vrijgekomen geïnterneerden ongetwijfeld de kant van Japan zouden kiezen. Omdat de Amerikanen, op een negatief Engels advies, een visum voor de twee weigerde voor een overleg in Manila stuurde hij in het geheim in januari 1941 zijn kabinetschef dr. Piet J.A. Idenburg en een lid van de Algemene Rekenkamer, voor een ontmoeting naar Shanghai dat een grote Nederlandse gemeenschap kende en sinds 1937 in Japanse handen was. De delegatie kreeg geen enkel mandaat mee.

De missieleden hield met rapportages haar opdrachtgevers op de hoogte die op hun beurt ze doorstuurden naar de Regering in Engeland. De ministers waren onderling sterk verdeeld over het besluit tot uitzending. Vooral premier Gerbrandy, die in september 1940 De Geer was opgevolgd, toonde zich een fel tegenstander. Onverrichterzake keerden de twee in februari 1941 naar Nederland terug en vond een maand later in Lissabon nog een overleg plaats met de Minister van Koloniën Welter en zijn collega Van Kleffens van Buitenlandse Zaken. Zeer begaan met het lot van de onder slechte omstandigheden in Duitse kampen gevangen Indische officieren spande Boerstra zich nog in voor hun vrijlating hoewel dit niet tot zijn opdracht behoorde. Hij schreef een memorandum aan de Koningin om toe te staan dat deze KNIL-officieren, zo zij dit wensten, alsnog de erewoordverklaring mochten ondertekenen maar de Regering achtte het niet opportuun dit verzoek door te leiden.

Hoewel Jongejan en Boerstra geen direct resultaat hadden geboekt achtte later de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 de poging toch van belang omdat het gedurende de duur van de besprekingen de Duitsers heeft afgehouden van verdere represailles. Vermoedelijk heeft het er tevens toe bijgedragen dat Van Starkenborgh wel de geïnterneerde Duitse vrouwen en kinderen liet repatriëren naar Japan. In lijn met de mening van Van Starkenborgh verklaarde Idenburg voor de commissie dat beiden op hem overkwamen als ‘ware Nederlanders’ en sterk anti-Duits en anti-NSB. Er waren in die tijd ook plannen om indien de bevrijding toch sneller kwam dan verwacht vanuit Indië KNIL-regimenten naar Engeland te zenden voor de opbouw van een nieuw Nederlands leger. Het is bekend dat de Nederlandse Unie, de enige politieke partij die aanvankelijk door de Duitsers nog werd toegestaan en een tegenwicht vormde tegen de NSB, probeerde de Koningin te overtuigen dan Boerstra als landvoogd met het tijdelijke bestuur te belasten. De Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941 en de hierop volgende oorlogsverklaring veranderde alles.

Rode Kruis

Generaal b.d. Boerstra was tijdens de bezetting al werkzaam voor het Rode Kruis. Met generaal-majoor b.d. H. Koot zamelde hij met de Aktie ‘Pleegouders voor Krijgsgevangenen’ pakketten in voor het Rode Kruis voor gevangen militairen die geen familie meer hadden. Met Jongejan zat hij na de bevrijding in de ‘Oost-Indische Kamer’ dat mensen opleidde voor overzeese medische hulp aan slachtoffers van de dekolonisatieoorlog. Bij de uitzending van de medische teams sprak hij: ‘Als gij behouden terug moogt keren zijt gij verrijkt voor uw gehele leven, want gij hebt een goede zaak gediend!’ Daarnaast was hij adviseur van het hoofdbestuur van het Rode Kruis voor hulp aan de tropen en leidde de raad voor de inzet van het Rode Kruis bij de Bescherming Bevolking.

Generaal Boerstra was naast Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1933) achtereenvolgens Officier (1930), Commandeur (1938) en Groot-Officier (1939) in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden. Hij had in 1948 nog de zuiveringscommissie geleid die moest bezien of ‘foute’ gedecoreerden de toekenning moesten worden afgenomen. De voormalig legercommandant, die eind 1945 een manifest had ondertekend dat de Regering opriep pas over de toekomst van Nederlands-Indië te onderhandelen nadat de orde en rust was hersteld, legde op 26 juli 1950 ter gelegenheid van de opheffing van het KNIL een rouwkrans bij het Van Heutsz-monument in Amsterdam. Met generaal Koot zette hij zich in voor eerherstel van de naar Nederland overgebrachte Ambonezen.

Generaal Murk Boerstra overleed in Den Haag op 9 mei 1953. Een maand voor zijn overlijden was hij nog in Zierikzee bij de uitreiking van speelgoedpakketten van het Jeugd-Rode Kruis. De begrafenis was zoals hij gewenst had geheel in stilte. Hij werd bijgezet bij zijn geliefde dochter.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB