Genmaj J.H. Wesseling, Nationaal Archief.
Genmaj J.H. Wesseling, Nationaal Archief.

Generaal KNIL en Verzetsman

Generaal KNIL en Verzetsman</p> <p>

Dat hij zo totaal uitgeput in Kamp Amersfoort aan zijn einde zou komen kon generaal-majoor Jan Hendrik Wesseling (1883-1942) niet bevroeden toen hij in 1937 bij het KNIL als Inspecteur der Artillerie met pensioen ging. Hij had een glansrijke militaire carrière in Nederlands-Indië achter de rug. Als gevolg van de dreigende situatie in Zuidoost-Azië groeide onder zijn leiding de artillerie van het KNIL weer na vele jaren van afbraak. Ook was hij commandant van de Luchtvaartafdeling geweest. In zijn privéleven kende Wesseling tegenslagen. Hij hertrouwde tweemaal. Zijn rol in het verzet moest hij bekopen met de dood.

Op 11 juni 1883 kreeg het gezin Wesseling in Hoofddorp weer een zoon. Ze noemde hem Jan Hendrik naar zijn broertje die al na 3 maanden was overleden. Vader Fred(e)rik (Dwingelo, 1852-1938) was als hoofdonderwijzer in de gemeente Haarlemmermeer beland. Net als vader was ook moeder Hendrika Johanna Alberdina Beens (Assen, 1853-1924) afkomstig uit Drenthe. Een jaar later kreeg hij een betrekking als leraar Aardrijkskunde en Geschiedenis op de Gemeentelijke HBS in Amersfoort waar hij tot zijn dood verbleef. Jan Hendrik had een oudere zus. In Amersfoort werd het gezin uitgebreid met twee dochters en een zoon die zich later aanmeldde bij de Marine.

Luitenant

Naar Indië

De 16-jarige Jan ging in september 1899 naar de Cadettenschool in Alkmaar, voorbestemd voor de dienst in Oost-Indië. Volgens de keuring was hij behept met een brandwondenlitteken op de rug. Twee jaar later ging hij naar de KMA waar hij verkozen werd tot lid van de Senaat. In 1904 promoveerde hij tot tweede-luitenant. De latere legercommandant KNIL Murk Boerstra (1883-1953) was één van de nieuwbakken officieren. Vlak voor Kerst vertrokken ze beiden vanuit Genua met het stoomschip ‘Oranje’ naar Indië. 2de luitenant Wesseling bleef in Batavia waar hij werd geplaatst bij de 2e batterij veldartillerie. Boerstra trok meteen door naar de bergartillerie in Soerabaja. Het jaar daarop werd Wesseling als 1ste luitenant overgeplaatst naar de Divisie Veld- en Bergartillerie te Banjoe Biroe nabij Ambarawa op Midden-Java. Hier diende hij bij de 1e bergbatterij en de 4e Veldbatterij. Er was tevens een remontedepot gevestigd voor het africhten van paarden.

Escadrille Fokker C.IV, 1928, KITLV.

Op paardencursus

Luitenant Wesseling kon goed met paarden overweg en was een talentvol ruiter. Dit was vermoedelijk de reden dat hij begin 1911 naar Nederland op cursus werd gestuurd naar de rij- en hoefsmidschool. Het gaf hem de gelegenheid zijn ouders weer te zien want de school was in Amersfoort gevestigd. Op de cursus leerde hij alle kneepjes van de rijkunst. Een ongeluk lag vaak op loer. Tijdens een val raakte hijzelf bekneld onder zijn paard en liep verwondingen op waarvan hij in het Militair Hospitaal spoedig herstelde. Dit was niet de eerste keer, in 1906 meldden de Indische kranten al een ongelukkige val. De cursus gaf hem de kans met een commissie naar Ierland te gaan voor de aankoop van paarden voor de Nederlandse cavalerie en de rijdende artillerie. Voor de specifieke africhting van trekpaarden volde hij een opleiding bij het 2e regiment veldartillerie in Den Haag en woonde de schietoefeningen bij in Oldebroek. De paardensport lag hem heel zijn leven nauw aan het hart. Hij schreef er diverse artikelen over in het Indisch Militair Tijdschrift.

Pas begin 1914 kwam hij terug naar Banjoe Biroe. Hem was uitstel verleend om nog in Amersfoort te kunnen trouwen met Cornelie Louise Wijnmalen (Djenar, 1886-1914), dochter van een gepensioneerd hoofdingenieur van de Indische Staatsspoorwegen. Lang mochten ze daar niet bij elkaar zijn. Vlak voor de jaarwisseling, een maand na de geboorte van dochter Hendrieke Louise ‘Riekje’ (1914 – Laren, 1995), stierf zijn Cornelie op 28-jarige leeftijd aan tyfus. Een overplaatsing naar de vestingartillerie in Batavia was al aangekondigd. Wesseling deed in 1916 examen om toegelaten te worden tot de ‘Hoogere Krijgsschool’ dat vanwege de oorlog in Europa een voorlopige vestiging had in Bandoeng. Om hem hierop voor te bereiden volgde een aantal detacheringen. Zo verbleef hij een paar maanden in Bandoeng bij de 2e opnemingsbrigade (15e bataljon infanterie) om vervolgens naar de mobiele vestingartillerie in Soerabaja te vertrekken. Weer een jaar later was Bandoeng opnieuw zijn standplaats. Dit maal bij de 17e compagnie, een batterij 7,5 cm geschut met autotractie. De kleine Riekje verbleef ondertussen bij pleeggezinnen.

In uniform LA, Wiki.

Generale Staf

Pas begin 1918 viel het besluit de cursus op de tijdelijke Krijgsschool in Bandoeng te starten onder leiding van de luitenant-kolonel der artillerie J.C. Pabst. Kort hierna werd Wesseling bevorderd tot kapitein. In september werd hij met medecursisten naar Salatiga gestuurd om ervaring op te doen bij de cavalerie. In maart 1919 vertrok Wesseling met zijn dochtertje naar Den Haag om in dan de weer in Nederland opengestelde Krijgsschool de ‘cursus voor de krijgskundigen studiën’ verder af te maken. De opdrachten, lesprogramma’s en beoordelingen van de leerlingen van de Indische cursus werden naar Nederland opgestuurd. Ze werden daar echter nimmer ontvangen terwijl het overgrote deel van de cursisten uit Indië kwam. In september 1921 trouwde hij in Den Haag met Jvr. Johanna Charlotta Louisa ‘Joke’ Everts (Capelle a/d IJssel, 1890- 1930) en keerde vervolgens als gebrevetteerd officier met het gezin terug naar Indië. Haar vaders nieuwe echtgenote bleek ook voor Riekje een goede match te zijn. Ze had op het conservatorium gezeten en leerde Riekje uitstekend pianospelen. Terug in Indië ging Wesseling naar het hoofdkantoor der Generale Staf (VII Afdeling) van het Departement van Oorlog in Bandoeng en werd hij vandaar uit gedetacheerd bij het 15e bataljon infanterie en de 1e batterij 12 cm Hw in Weltevreden bij Batavia. Het gezin Wesseling werd begin 1922 uitgebreid met een dochter Franciska Johanna (Weltevreden, 1922-1983). Terug in Bandoeng kwam een zoon Frank (1924-2003). In maart 1926 werd kapitein Wesseling bevorderd tot majoor en geplaatst bij de staf van de 1e afdeling motorartillerie terug in Weltevreden. Het jaar daarop ging het gezin met buitenlands verlof naar Nederland. Dochter Riekje zou in Nederland achter blijven om naar de HBS te gaan.

Luchtvaartafdeling

Na terugkomst begin 1928 volgde een plaatsing bij de staf van het 1e regiment artillerie te Weltevreden. In mei van datzelfde jaar kwam de bevordering tot luitenant-kolonel en werd hij wederom ingedeeld bij het hoofdkantoor van de Generale Staf. Vóór het jaareinde werd luitenant-kolonel Wesseling benoemd tot de achtste commandant van de Luchtvaartafdeeling (LA-KNIL). Deze afdeling viel onder het Hoofd Generale Staf die tevens de Inspecteur voor de Militaire Luchtvaart was. De LA had een eigen KNIL-uniform. Het omvatte toen 33 officieren (merendeel vliegers), 255 overige militairen en 338 man burgerpersoneel. De staf, de waarnemersschool en de technische dienst waren gepositioneerd op het hoofdvliegveld Andir waar ook de operationele ‘escadrilles’ (vliegeenheden) zich bevonden. De vliegschool bevond zich op Kalidjati. Het commando was geen verrassing want Wesseling behartigde als stafofficier al de luchtvaartzaken. Zo kreeg hij toen de militaire postduivendienst onder bevel dat in 1925 was overgegaan van de cavalerie naar de LA en tal van vestigingen had op de vliegvelden en havens. Eén van de eerste taken van de nieuwe commandant was de organisatie van het 15-jarige jubileum van de oprichting van een Proefvliegafdeling in Indië. Dit werd op 30 mei 1929 uitgebreid met vliegdemonstraties gevierd. Ongetwijfeld moet hij bij de herdenking van de gevallenen teruggedacht hebben aan zijn eerste vrouw die in 1914 overleed.

Steeds hamerde hij onder het adagium ‘frappez, frappez, toujours!’ (de aanhouder wint) op een versterking van het luchtwapen. Tot dan toe was dit nog op het Ministerie in Den Haag tegen dovemans oren gericht. De LA was uitgerust met hoofdzakelijk verouderde Britse (type Avro) en Nederlandse toestellen (type Fokker). Er was behoefte aan meer modernere vliegtuigen en een uitbreiding van de logistieke ondersteuning zoals grote oefeningen hadden aangetoond. Welleswaar kwamen er nieuwe Curtiss Hawk jachtvliegtuigen maar er moest ook stevig bezuinigd worden op het personeel. Verscheidene officieren-vlieger verlieten de dienst. Toch waren er lichtpuntjes. In 1930 was een valschermdienst in oprichting. Nadat valproeven met poppen succesvol waren gebleken, maakte de onderluitenant-vlieger J.A.J. Oonincx een eerste sprong op 1000 m boven Kalidjati. Trots was Wesseling later op zijn verdienste dat piloten voortaan verplicht werden met een parachute de lucht in te gaan. Er kwam ook een vliegverbinding tot stand tussen Batavia en Medan op Sumatra. Wesseling vloog mee met de zes Fokkers C.IV om in september dat jaar de opening in Medan bij te wonen. Het jaar 1930 kende zwarte bladzijden. In maart voltrok zich op Kalidjati en in november op Andir een vliegtuigongeluk waarbij de militaire bemanning om het leven kwam. Over de tegenslagen zou hij later in een interview zeggen: ‘Een keurkorps is bestand tegen de felste slagen’. In juli overkwam Wesseling zelf een persoonlijke tragedie toen hij ook zijn tweede vrouw moest verliezen. Volgens de aankondiging in de krant overleed ze ‘zacht en kalm’, vermoedelijk was zij ziek. Eind van het jaar werd de hulp van de LA ingeroepen om vanuit de lucht de uitbarsting van de vulkaan Merapi op Java te monitoren. Met kleine parachutes werden levensmiddelen afgeworpen. De erupties en grondverschuivingen kostten honderden mensen het leven.

Eén van de hoofdtaken van de nieuwe Curtiss jachtvliegtuigen was de luchtverdediging van de strategisch belangrijke havenstad Soerabaja. De LA hield zich tot dan toe voornamelijk bezig met verkenningsvluchten en waarnemingsvluchten voor de artillerie. Wesseling vloog in maart 1931 mee naar Soerabaja om de oefeningen met de Marine Luchtvaartdienst gade te slaan. In oktober dat jaar kon hij op Zuidwest-Java nabij Sindangbarang een nieuw mitrailleurschiet- en bommenterrein met een landingsbaan openen.

Inspecteur der Artillerie

Begin 1932 kwam de verwachtte bevordering tot kolonel. Wesseling nam in Batavia tijdelijk het commando over het 1e regiment artillerie over van zijn jaargenoot Boerstra die in de rang van generaal-majoor was benoemd tot Hoofd Generale Staf. Wesseling keerde een half jaar later weer terug naar het Departement om generaal-majoor R. Schuursma op te volgen als het Hoofd van de IIIe Afdeling, tevens de Inspecteur der Artillerie en Hoofd van de Gasdienst. Bij de functie hoorde het voorzitterschap van de ‘Indische Krijgskundige Vereeniging’ en de ‘Preanger Militaire Hippische Sportvereeniging’. Onder zijn leiding werd in 1933 te Soerabaja uit de voormalige stellingartillerie een Korps Kust- en een Korps Luchtdoelartillerie opgericht dat bestond uit vier zelfstandige compagnieën. In mei 1935 aanschouwde kolonel Wesseling de eerste schietoefening met het ingestroomde Bofors 10,5 cm luchtdoelgeschut op het voor Soerabaja gelegen eiland Madoera. Tevens werd de capaciteit van de Artillerie Inrichtingen in Bandoeng (Kiara Tjongdong) aanzienlijk uitgebreid en de Gasdienst gemoderniseerd. In augustus 1932 opende de nieuwe Pyrotechnische Werkplaats die vanuit Soerabaja was overgebracht haar deuren. Bij de Constructiewerkplaats werden civiele werkzaamheden niet meer toegestaan omdat hierdoor teveel concurrentie ontstond met de markt.

In juni 1935 werd Wesseling eindelijk bevorderd tot generaal-majoor. Zijn jaargenoot Boerstra had het ondertussen geschopt tot Legercommandant. Het had er even erom gespand want in de bezuinigingsdrift was er discussie of er bij de artillerie, genie en militair geneeskundige dienst nog wel Inspecteurs in een ‘dure’ generaalsrang benodigd waren. De generaalsbenoeming was gelijk aan die van kolonel der infanterie G.J. Berenschot (1887-1941), het nieuwe Hoofd van de Generale Staf en een zeer aimabel persoon met wie hij nauw bevriend was geraakt. In september 1934 trad hij in Bandoeng in het huwelijk met Ulrique Casimire Caroline Versfelt (1902-1965), wederom een dochter uit de hogere kringen. Generaal-majoor Wesseling ging nadat hij het Inspecteurschap had overgedragen aan kolonel-vlieger H. Ter Poorten in mei 1937 met ontslag en werd nog benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Ook had de generaal het Franse Ordeteken van Officier in de Koninklijke Orde van Cambodja (1929) en ontving hij na zijn pensioen het Belgische Grootkruis van Leopold II (1938).

De rebelse dochter

Riekje had een moeilijke jeugd. Ze groeide zonder moeder op in pleeggezinnen en er was de voortdurende afwezigheid van een bij thuiskomst autoritaire vader. Met haar stiefmoeder had ze een erg goede band gekregen maar die stierf toen ze 15 jaar was. Sinds 1927 woonde ze in Amersfoort bij grootvader Wesseling. Tot diens ongenoegen was de HBS, waar hij leraar en onderdirecteur was geweest, geen succes en ze mocht geen piano meer spelen. In Indië hoorde haar vader over zijn ‘rebelse dochter’ en gebood haar maar naar de huishoudschool te gaan en dan terug te keren naar Bandoeng. ‘Een huwelijk, liefst met een KNIL-officier, zou haar wel in het gareel brengen’, zo meende hij. Riekje ging echter haar eigen weg. Om haar tekentalent verder te ontwikkelen bezocht ze de Amsterdamse Rijksacademie van Beeldende Kunsten en reisde voor een vervolgopleiding naar Wenen. Toen haar vader zijn dochter daar eind 1937 bezocht, schrok hij van hoe hij haar aantrof. Zij droeg het haar kort en kleedde zich in mannelijke kleding. Een kennis van zijn dochter moest uitleggen dat dat te maken had met haar voorkeur voor omgang met het vrouwelijk geslacht. Vader Wesseling stuurde haar naar een psychiater die was opgeleid door de vermaarde dr. S. Freud. Zijn dochter moest maandenlang behandelingen ondergaan. Riek Wesseling maakte nimmer een geheim van haar geaardheid en groeide uit tot een bekende kunstenares. Haar zwartwit tekeningen zijn in diverse musea te zien.

Zelfportret Riek Wesseling, 1947.

Verzetsman

De gepensioneerde generaal zette zich eind 1939 in Den Haag met burgemeester De Monchy in om een luchtbeschermingsdienst op te richten. Er waren veel vrijwilligers nodig. Hij leidde de wervingscampagne en hield toezicht op de opleidingscursussen bij de politie en brandweer. Tijdens de Duitse bezetting ging Wesseling zoals veel oud-KNIL officieren in het verzet en stond hij aan het hoofd van het Haagse district van de Orde Dienst. Uit een dagboek dat hij bijhield over het eerste oorlogsjaar bleek dat hij moeite had met de wijze waarop militair gezien de verdediging was ingericht. Hij maakte fietstochten om Duitse opstellingen te bekijken. Op 5 april 1941 werd Wesseling door de SD gearresteerd en gevangengezet in het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen.

Wrang was dat ook zijn zoon Frank er twee jaar later vast zou zitten. Voor hem was het beperkt tot één dag want de Duitsers hadden vermoedelijk een vergissing gemaakt en de verkeerde Wesseling opgepakt. Net als zijn vader koos Frank Wesseling later voor het officiersschap. Hij meldde zich aan als reservist bij de cavalerie en ging in 1950 over in beroepsdienst. Als commandant van het parate 11 tankbataljon van het Regiment Huzaren van Sytzama kreeg hij in augustus 1970 de eerste Leopard 1 toegewezen. De echtgenote van de overste, H.M. ‘Jet’ Sier, kreeg de eer de tank met champagne te dopen.

Eind augustus ’41 werd generaal Wesseling op transport gesteld naar het toen net pas ingerichte Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, een kamp dat was gelegen op de grens van Amersfoort met Leusden. Gevangene 501 kreeg een baantje in de timmerwerkplaats. Hij was nog in staat enkele brieven te sturen. Opgegroeid in Amersfoort schreef hij zijn echtgenote: ‘De gezonde Amersfoortse lucht – mij zo bekend – doet mij goed!’ Diep bedroefd las hij in oktober in Duitse kranten dat zijn vriend generaal Berenschot, inmiddels Legercommandant, bij een vliegtuigcrash om het leven was gekomen. De generaal was in het kamp een markante persoonlijkheid en werd een mikpunt voor de SS-bewakers. Hij kampte met hartproblemen en kreeg nog spaarzaam zijn medicijnen. Tewerkgesteld in het ‘buitenkommando’ (werkploeg) ging zijn gezondheid snel achteruit. De vele vernederingen en mishandelingen eisten in de winterkoude haar tol. Op 26 januari 1942 ’s avonds bezweek de dan 59-jarige generaal Jan Wesseling ondanks de goede zorgen van medegevangenen-verplegers in de ziekenzaal. De officiële verklaring van de Duitse kamparts was ‘Lungentzündung’ (longontsteking). Hij werd begraven in Wassenaar op de begraafplaats bij de Nederlands Hervormde Kerk. Het artillerie-embleem siert prominent de grafsteen. Uit het archief van de Oorlogsgravenstichting blijkt dat eind jaren ’50 zijn weduwe bezorgd was over dat het graf dat buiten de oorlogsgraven is gepositioneerd nog wel bij herdenkingen zou worden bezocht. Dit bleek gelukkig later wel het geval. Moge ook dit artikel tot de gedachtenis bijdragen.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB