Geschutherstelplaats, A.C.W. (Collectie Bronbeek)
Geschutherstelplaats, A.C.W. (Collectie Bronbeek)

Ingenieurs der Indische Artillerie

In de collectie van Museum Bronbeek bevindt zich een fotoalbum van Lkol Ir. Sander C.W.J. Bijl De Vroe (1888-1966). Deze artillerist van het KNIL studeerde in de jaren twintig van de vorige eeuw in Delft af als scheikundig ingenieur. Het album bevat foto’s die hem destijds werden aangeboden bij zijn afscheid als directeur van de Pyrotechnische Werkplaats in het voormalig Nederlands-Indië. Deze werkplaats maakte deel uit van het militaire bedrijvencomplex van de ‘Artillerie-Inrichtingen’ (A.I.) dat destijds in Kiara-Tjondong nabij Bandoeng was gelegen. Met dit artikel beoog ik meer inzicht te geven in de rol en positie van artillerie-ingenieurs, die voornamelijk bij de Indische A.I. werkzaam waren. Het artikel stoelt hoofdzakelijk op openbare bronnen, berichten in de (Indische) kranten van destijds en publicaties die verschenen in het Indisch Militair Tijdschrift en de Militaire Spectator.

Werk aan de winkel

De A.I. bij Bandoeng bestond naast de Pyrotechnische Werkplaats (P.W.) uit een Artillerie Constructie Winkel (A.C.W.), een Projectiel-Fabriek (P.F.) en een Werkplaats Draagbare Wapenen (W.D.W.). De Indische werkplaatsen waren opgezet naar analogie met de in 1887 opgerichte ‘Hollandse’ Artillerie- Inrichtingen in Delft, later Hembrug bij Zaandam. Het kenmerkende verschil was echter dat in Nederland de A.I. de status van Staatsbedrijf verwierf, terwijl in Indië de bedrijven ressorteerden onder een generaal-majoor, de Inspecteur der Artillerie. Waar in Nederland werd gestreefd naar een civiele leiding, vervulden in Indië juist artillerieofficieren de leidinggevende functies. De technologische vooruitgang in de vuurmondconstructie, de soorten projectielen en overige munitie en de hieruit volgende nieuwe productietechnieken noopten begin twintigste eeuw ook bij het KNIL tot de opleiding van artillerie-ingenieurs die als techneut eveneens een leidende rol in de bedrijfsvoering in een werkplaats konden bekleden. Het merendeel van de daartoe aangewezen beroepsofficieren – er zijn er in totaal 23 met naam bekend – studeerden af in de werktuigbouwkunde, gevolgd door scheikundige technologie en elektrotechniek. Een enkeling verkreeg de ingenieurstitel in de civiele techniek en zelfs luchtvaarttechniek. De helft ervan was geboren en getogen in Indië. Vooral na de invoering van dienstplicht voor Europeanen in 1918 waren ook talloze reserveofficieren als ingenieur bij de Indische A.I. werkzaam.

AI-complex Kiara-Tjondong (Collectie Bronbeek).

Militaire ingenieurs waren bij het officierscorps van het KNIL geen opmerkelijk verschijnsel. Bij de genie kende men ze reeds van oudsher voor de aanleg van fortificaties en waterwerken. De aanstelling van ingenieurs bij de artillerie leidde aanvankelijk vooral bij de operationeel ingestelde officieren tot discussie over de noodzaak van een langdurige studie voor een artillerieofficier en de (blijvende) geschiktheid voor de troep. In Indië vormde het aantal ingenieurs ongeveer 10% van het officiersbestand van de artillerie. Ze bleven vaak gedurende hun verdere loopbaan bij de A.I. en werden van daar uit ook gedetacheerd bij het Haagse ministerie van Koloniën waar zij invloed konden uitoefenen op de verwerving van (artillerie)materieel.

 

Hogere Technische Vorming

Voor de hogere technische opleiding van officieren was al in 1910 voor de Landmacht een regeling in de vorm van een Aanwijzing van het Departement van Oorlog van kracht. Hoewel de regeling in hoofdzaak de studie van genisten tot ingenieur behandelde, waren er ook bepalingen voor artillerieofficieren die voorbestemd waren voor een loopbaan bij de A.I.. Daarin schreef men een driejarige cursus voor met in het eerste jaar een detachering bij twee verschillende werkplaatsen, gevolgd door een tweejaar durende cursus aan de Technische Hogeschool in Delft. In de praktijk kwam de cursus echter niet van de grond. Vermoedelijk vanwege een tekort aan officieren leidde men liever de officieren intern de A.I. op met een detacheringstraject. In Indië daarentegen kregen daartoe geschikt geachte officieren veelal toestemming (Europees verlof) aan de Technische Hogeschool in Delft een volledige ingenieursstudie te volgen. Nagenoeg de helft van de in archieven vermelde artillerie-ingenieurs behaalden zo, net als Bijl De Vroe, hun bul. Was er toen dan geen hogere technische opleiding in Indië ? Zeker wel, in 1920 werd op particulier initiatief een ‘Technische Hoogeschool’ in Bandoeng opgericht naar Delfts model maar daar kon aanvankelijk alleen civiele techniek worden gevolgd en later mijnbouwkunde.

Kol Feber, vz CvP (Collectie NIMH)

Het duurde nog tot 1922 voordat een driejarige cursus ‘Hoogere Technische Vorming’ het licht zag waarmee een aantal theoretische vakken in Delft konden worden gevolgd en middels praktijkopdrachten (tijdens het zomerverlof!) bij de A.I. en de industrie de overige benodigde technische kennis werd verkregen. Hoewel de cursus een werktuigbouwkundige basis had, werd bijzondere aandacht gegeven aan de inwendige en uitwendige ballistiek teneinde cursisten te bekwamen in wapentechnische vraagstukken. Oud-artillerist en wiskundige Prof. G. de Josselin – de Jong, die de wetenschappelijke leiding van de cursus in handen had en op de KMA werkzaam was, formuleerde toen de noodzaak van de technische vorming aldus:

Wil men dat het Leger technisch op de hoogte en bekwaam is, dan moet daarom het Leger allereerst beschikken over officieren met de kennis, welke onmisbaar is om goed op de hoogte te blijven van de toepassingen van de techniek op militair gebied, om het personeel technisch op te leiden, om technisch leiding te kunnen geven en de particuliere industrie desgewenscht dienstbaar te maken aan het Leger.

Deze cursus leidde niet op tot het ingenieursdiploma maar richtte zich op bestudering van technische vraagstukken op militair gebied. Een commissie beoordeelde tenslotte de studieresultaten en reikte op basis hiervan een getuigschrift uit. Een vervolg met een ingenieursexamen zou maar voor een enkeling zijn weggelegd. Voor de Indische cursisten echter werd voorgesteld een verzoek hiertoe regulier toe te kennen en zo te streven naar een aaneensluitende opleiding tot ingenieur, omdat zij in tegenstelling tot hun Hollandse collegae, door de grote afstand en werkzaamheden in Indië, niet in staat waren om tussen het kandidaatsexamen en ingenieursexamen voldoende kennis bij te houden.

De oproep tot kandidaten voor de cursus werd aangekondigd met een Legerorder. De animo om hiervoor te opteren was niet groot; de cursus bestond uit twee tot drie deelnemers. Volgens sommige critici was dit te wijten aan de lessen ballistiek, die voor de toekomstige werkkring overbodig werd geacht. Zo betoogde kapitein der Indische Artillerie en werktuigbouwkundige Ir. Pieter A. De Blieck (1891-1954) in een serie artikelen in het Indisch Militair Tijdschrift dat veel beter meer aandacht kon worden gegeven aan ‘teekenwerk’ dat alleen in de opleiding tot werktuigbouwkundig ingenieur werd gedoceerd terwijl het voor veel functies bij de A.I. noodzakelijk was gebleken. Hoewel men veel kandidaten van de genie verwachtte, meldden vooral artillerie- en enkele infanterieofficieren zich aan. De cursisten stonden tijdens hun studie onder leiding van een ‘directeur van studie’. Luitenant-generaal b.d. der artillerie en ballisticus H.J.A. Feber zou deze nobele taak zestien jaar vervullen.

In totaal meldden veertien Indische artillerieofficieren zich aan voor de cursus. Ze werden bij de A.I. geselecteerd vanwege de getoonde technische aanleg en studiezin. Het merendeel werd uiteindelijk ook ingenieur. In 1938 werden nog met spoed twee plekken voor de Infanterie gereserveerd in verband met de invoering van nieuwe automatische wapens zoals de Browning .50 AA mitrailleur.

 

Ingenieur-vlieger

Met de snelle ontwikkeling in de luchtvaart ontstond in Indië de behoefte om piloten van de Militaire Luchtvaartdienst van het KNIL technisch te scholen. Zo kreeg in 1923 de luitenant-vlieger der artillerie Maurits P. Pattist (1894-1937) de gelegenheid zich in Parijs verder te bekwamen in de luchtvaarttechniek. Kap Ir. Pattist is bekend als piloot van de Fokker Abel Tasman waarmee hij in 1931 met copiloot J.J. Moll en mecanicien S. Elleman de eerste postvlucht tussen Bandoeng-Batavia en Melbourne uitvoerde. Ter gelegenheid van die eerste vlucht, werd een postzegel van ƒ1,- gedrukt met daarop de beeltenis van Pattist. Zijn hart lag evenwel bij de burgerluchtvaart. In 1933 nam hij ontslag uit de dienst en meldde zich in Nederland aan bij de KLM. Pattist was een zeer gepassioneerd ontwerper. Zo ontwikkelde hij in Indië een verbeterd bommenrichttoestel en met L. Walravens een tweepersoons sportvliegtuigje.

 

Militair scheikundige

Bij de P.W. werd kennis in de pyrotechniek vooral verkregen in de praktijk en voor specifieke scheikundige vraagstukken benaderde men meestal een (militair) apotheker. In 1912 werd een burgerscheikundige in de formatie opgenomen. De eerste Indische artillerieofficier die als scheikundig ingenieur Delft verliet was Jacques Th. W. Boxman (1878-1952). Hij kreeg zijn bul in 1916 (cum laude). Hoewel hij nog directeur P.W. werd, was hij daarna niet meer in zijn vakgebied werkzaam. Als directeur van de P.F. en later als kolonel bij de A.C.W. werd meer gevraagd van zijn leidinggevende capaciteiten.

Maj Ir. Bijl De Vroe, scheikundige, 1928-1936 (Collectie Bronbeek)

Bijl De Vroe bekleedde als kapitein en later ook als majoor acht jaar de functie van scheikundige toen zijn civiele voorganger met pensioen ging. Het werk was niet zonder gevaar. In juli 1932 overkwam hem op bureau een ongeval met het explosieve slagkwik wat zijn rechterhand verwondde. Vanuit zijn kennis en expertise nam hij deel aan diverse commissies. Zo was er al lange tijd sprake van een groot aantal ongelukken bij de particuliere vuurwerkhandel. Voor deze bedrijfstak, die vooral in Chinese handen was, waren voor veilig opslag en gebruik ‘zeer beperkende bepalingen’ noodzakelijk en het oude reglement moest daarom grondig worden aangepast. Eind 1929 werden staatscommissies opgericht tot het instellen van resp. een onderzoek naar de ‘wenschelijkheid en mogelijkheid tot monopoliseering der vuurwerkfabricatie‘ (te Batavia) en een onderzoek naar de herziening van het Reglement op den invoer, het bezit, den aanmaak, het vervoer en het gebruik van ontplofbare stoffen (te Bandoeng). De commissies waren gemengd van samenstelling met zowel burgerambtenaren als militairen. In 1930 kwam de commissie met haar eindrapport. Onderbrenging bij de P.W. zou uitermate kostbaar worden temeer vuurwerk een seizoenproduct is en de concurrentie met geïmporteerd vuurwerk niet was vol te houden. De veiligheid moest maar verbeterd worden door een scherpere regelgeving. De commissie voor herziening van het reglement kreeg een permanent karakter. Toen Bijl De Vroe in 1936 directeur van de P.W. werd, kwam Maj Ir. Cornelis F. Mets (1899-1960) op de functie van scheikundige. Mets werd destijds aangewezen voor de studie omdat hij als luitenant-bedrijfsleider bij de A.C.W. gewond was geraakt aan het onderbeen en dientengevolge geen troependienst meer kon verrichten. Hij kreeg de opdracht mee zich te specialiseren in metallografie. Evenals Bijl De Vroe nam hij deel aan commissies op zijn vakgebied en werd hij gevraagd op te treden als getuige-deskundige bij strafrechtelijke onderzoeken van ongevallen.

Scheikundig laboratorium (Collectie Bronbeek)

Kap Ir. Wouter G. H. Douwes-Dekker (1908-1972) was de laatste militair scheikundige van het KNIL. Hij was als reserveofficier geplaatst bij de Indische KMA in Bandoeng en doceerde er scheikunde. In 1941 ging hij bij de P.W. over in beroepsdienst.

In verband met een toenemende dreiging van de inzet van strijdgassen werden bij de A.I. laboratoria en een ‘gasschool’ opgezet. Naast het scheikundig laboratorium voor kruitproeven kwam er op het terrein van de P.W. een laboratorium voor de bestudering van strijdgassen en keuring van gasmaskers en een medisch gaslaboratorium. Electrotechnicus Kap Ir. Theodorus C.N. Canter-Visscher (1898-1975) werd voor afnamekeuringen bij de toeleverende gasmaskerfabriek in Singapore gedetacheerd.

Constructeur

De oudste en grootste werkplaats voor constructie en onderhoud van artilleriegeschut in Soerabaja verplaatste in 1918 als eerste naar Bandoeng. Luitenants werden bij de A.C.W. geplaatst als adjunct-constructeur. Pas na bewezen technische vaardigheid werd men, vaak pas na enige jaren in de kapiteinsrang, gepromoveerd tot constructeur en werd hen het ontwerp van meer complexere constructies toevertrouwd. De functie werd gecombineerd met die van bedrijfsleider van een cluster aan bedrijfsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld het cluster ijzer- en koperslagerij met smederij en gieterij. De technische supervisie op het constructiewerk was in handen van een civiel hoofdingenieur. Majoor-directeur Adrianus J. Loekemeijer (1878-1960) was de eerste artillerie-ingenieur bij de A.C.W.. Met de komst van officieren die in Delft hun ingenieurstitel hadden behaald, waren gemiddeld twee van de drie aangestelde luitenants en één van de twee kapiteins (werktuigbouwkundig) ingenieurs. In de bedrijfsvoering was een commerciële boekhouding ingevoerd wat leidde tot een hogere kostprijs van de geleverde producten. De invoering gold overigens alleen voor de A.C.W. omdat hier aanvankelijk ook in de civiele markt gangbare producten werden gemaakt. In het curriculum van de studie werktuigbouwkunde was ‘economische bedrijfsleer’ inmiddels een verplicht vak.

In 1935 verliet Maj Ir. Evert M. Frijlink (1889-1936) de P.F. om de A.C.W. te gaan leiden. Het kende echter voor de werktuigbouwkundige een dramatische afloop. Hij overleed plotseling nog geen jaar later. In de necrologie stond dat het KNIL een officier verloor ‘in het bijzonder vertrouwd met de nooden en wenschen van den troep die door zijn ernstige toewijding, groote kennis en rijke ervaring, in staat is geweest veeler noden op te heffen en veeler wenschen te bevredigen’.

 

Projectiel-Fabriek

In 1923 werd er in de nabijheid van de A.C.W. voor meer dan een miljoen gulden een fabriek opgezet voor het in massa kunnen produceren van patronen en granaten. Voor de inrichting werd een hoofdingenieur van de Fa. Krupp ingehuurd. De al wat oudere Kap Ir. ’Paatje Des’ Frederik L.H. Dessauvagie (1881-1957) kreeg er de leiding. In tegenstelling tot de andere werkplaatsen waren al zijn opvolgers artillerie-ingenieur. De P.F. bezat een metallurgisch laboratorium om de kwaliteit van het vanuit Europa geleverde staal te beoordelen. Kap Ir. Willem G. R. De Jager (1895-1989), die tijdens zijn studie werktuigbouwkunde gespecialiseerd was in metallografie, was in de jaren dertig bij de P.F bedrijfsleider. Hij werd tijdens zijn verlof in Nederland opgedragen naar Amerika te vertrekken om daar aanwezig te zijn bij de afnamekeuring van 300 stuks Colt-mitrailleurs. Eind 1940 zou hij er vanuit het ministerie van Koloniën opnieuw gedetacheerd worden om als opvolger van zijn collega Kap Ir. August Fischer (1896-1974) de verwerving van US-materieel voor de Nederlandse krijgsmacht te begeleiden. Pas na de capitulatie keerde De Jager naar Indië terug en werkte er kort nog als burgerambtenaar bij Justitie.

 

Maj. Ir. Frijlink (Collectie NIMH)

Draagbare wapenen

In 1927 werd besloten de geweermakersschool en bijbehorende werkplaats draagbare wapenen vanuit Meester Cornelis naar Bandoeng over te brengen en zo de concentratie van alle Indische werkplaatsen te voltooien. Het korps geweermakers was een van de oudste korpsen van het KNIL. Artilleristen hadden de leiding omdat zij waren opgeleid in de wapentechniek en ballistiek. Bij de andere Wapens bestond jarenlang niet de ambitie om hun personeel met deze kennis te verrijken.

Artillerie Laboratorium (Collectie Bronbeek)

Veel onderdelen van de handvuurwapens en mitrailleurs werden toegeleverd vanuit Hembrug en de Europese wapenfabrieken. Na het uitbreken van WO-II slaagde de W.D.W er in machinale bewerkingen te ontwikkelen zodat nagenoeg alle onderdelen zelf konden worden geproduceerd. Men bouwde er na 1940 zelfs Stokes-Brandt 81mm-mortieren zoals jaren eerder ook bij de A.I. in Nederland geschiedde. Destijds was Maj Ir. Gerrit C.D. De Boer (1895-1960) de directeur en het lijkt zeer aannemelijk dat deze in de wapentechniek zeer ervaren werktuigbouwkundige hierin een prominente rol heeft gespeeld.

Schiettunnel W.D.W. (Collectie Bronbeek)

Oorlog en bezetting

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kende de A.I. al vele duizenden arbeidskrachten. In 1939 benoemde Kap Ir. Willem O. Goslings (1902-1997) in een voordracht voor de Indische afdeling van het KIVI behalve de vele productiefaciliteiten ook het belangrijke werk ‘van adviseerende en schrijvende aard’ voor de Artillerie. Periodiek werden technische voordrachten gehouden over de verkregen ervaringen en mogelijkheden voor toekomstig materieel. In maart 1942 viel Japan Java binnen. De A.I. werden bezet en de militairen krijgsgevangen gemaakt. Twee van de gevangen genomen ingenieurs overleefden helaas de verschrikkingen in de kampen niet. Kap Ir. Cornelis L. Teeuwen (1904-1943) werd evenals Ir. Goslings tewerk gesteld aan de Birmaspoorweg. Hij stierf in het beruchte Thaikamp in Kanchanaburi. Lkol Ir. Albert C. Hofstee (1894-1945) overleed in Bandoeng en werd aldaar op het ereveld Pandu begraven.

Er bevonden zich tijdens de Japanse bezetting vier artillerie-ingenieurs buiten Indië. Luitenant Willem Landheer (1916-2000) was in 1939 naar Nederland vertrokken voor de cursus Hogere Technische Vorming. Toen de oorlog uitbrak, werd hij geplaatst bij de A.I. in Hembrug. Tijdens de bezetting slaagde Landheer erin nog verder studeren. Hij werd echter in mei 1942 te Breda gearresteerd en krijgsgevangen gemaakt. Eind 1946 zou hij pas naar Indië terugkeren. De ingenieurstitel had hij op zak.

Ook Maj Ir. De Blieck en Kol Ir. Hendrik J.W. Verniers Van Der Loeff (1889-1965) verbleven in Nederland. Zij waren sinds de jaren dertig als stafofficier werkzaam bij de Afdeling G (Militaire Zaken en Aanschaffingen) van het ministerie van Koloniën en weken na de Duitse inval uit naar Londen. De artilleristen kenden elkaar goed. Ze volgden dezelfde HBS en hadden samen werktuigbouwkunde gestudeerd. Inmiddels bevorderd tot generaal-majoor titulair was Verniers Van Der Loeff nauw betrokken was bij de plannen voor het oprichten van gezagsbataljons en extra vrijwillig personeel voor het KNIL. Deze troepen zouden na de bevrijding naar Indië vertrekken. In New York en San Diego was de Netherlands Purchasing Commission actief om aldaar de verwerving van Amerikaans materieel te begeleiden. Vanuit Indië was Lkol Ir. De Jager gedurende de oorlogsjaren met een aantal KNIL-officieren hier gedetacheerd.

De Blieck leidde vanaf 1943 het opgerichte bureau (politieke) inlichtingen dat zich onder andere bezighield met geheime operaties in Zuidoost-Azië en met het rekruteren van personeel voor de Indische bestuursdienst na bevrijding van Nederlands-Indië. Als zodanig was hij de verbindingsofficier bij de Britse geheime dienst voor de minister van Koloniën Van Mook. De Blieck was filatelist en een begenadigd tekenaar en ontwerper. De Philadelphia Inquirer berichtte in augustus ’42 dat er van zijn hand postzegels voor Curaçao waren verschenen met de beeltenis van Koningin Wilhelmina.

 

C.L. Teeuwen (Regionaal Archief Zutphen)

Heroprichting

Het complex te Kiara-Tjondong was na de capitulatie van Japan in augustus ’45 zwaar onderkomen. De Japanners hadden het voornamelijk als dump gebruikt en er waren paarden gestald. Directeur P.F. Lkol Ir. Jan Dekker (1895-1956) verzamelde het beschikbare voormalige personeel van de Inrichtingen met de intentie de productie enigszins weer op te starten. Het Engelse opperbevel liet echter de Japanse leiding nog even in stand.

In 1946 keerde generaal Simon H. Spoor in Batavia terug als de nieuwe legercommandant. Ir. Goslings was na de Japanse capitulatie als majoor geplaatst in Kuala Lumpur bij het hoofdkwartier van de opgerichte ‘ Tijgerbrigade’ die in maart van dat jaar, als eerste Nederlandse eenheid, voet aan wal had gezet in Semarang. De vraag was of en in welke vorm de A.I. moest worden heropgericht. De A.I. was toch vooral een groot onderhoudsbedrijf voor wapens en geschut geweest met slechts beperkte mogelijkheden tot een eigen productie van materieel en munitie. Veel grondstoffen, zoals staal, kruit en springstof, moesten vanuit Europa worden ingevoerd. Lkol F.B. Kroese, die ruime ervaring had opgedaan bij de W.D.W. en de A.C.W., uitgeweken was naar Melbourne en later ook voor wapenaankopen in Amerika was geweest, had voor Spoor het stafadvies geschreven.Kroese stelde hem voor drie separate legerbedrijven op te richten op Java, Sumatra en Nieuw-Guinea plus een toeleverende springstoffenfabriek en staalgieterij. De afhankelijkheid van staal bleef omdat er in Indië nu eenmaal geen ijzererts voorhanden is. Dit plan was echter veel te ambitieus en haalde het niet om talloze redenen waaronder de zeer hoge kosten.

Goslings werd in juni ’46 het voorzitterschap toebedeeld van de commissie voor de heroprichting van de A.I.. Hij nam tijdelijk de leiding waar over de P.F. en verzorgde daarnaast het college kinematica op de technische hogeschool in Bandoeng. De onderhoudswerkplaatsen werden afgesplitst van de voormalige A.I en kwamen onder het gezag van een Leger Technische Dienst (LTD) te vallen. Aan het hoofd van deze LTD kwam Kol Kroese met een ‘directoraat’ in Batavia. Kap Ir. Christiaan W.L. Vogelesang (1909-1960) werd daar zijn assistent-directeur techniek. De materieelorganisatie werd naar Brits model (naar het zogeheten REME) opgezet. Het was opgebouwd uit regionale (hoofd)werkplaatsen, die herstelwerkzaamheden aan al het aanwezige legermaterieel uitvoerden op verschillende, in complexiteit opeenvolgende, onderhoudsniveaus. Voor de eerste Politionele Actie kwam ook de Reparatie Inrichting en Materieel Inspectie van de Landmacht met de 7 December Divisie mee. De samenwerking tussen de beide onderhoudsdiensten verliep echter stroef; er was een te groot verschil in cultuur.

In ’46 kreeg Kap Ir. Rudi G.F. Van Houtum (1913-1975) de opdracht een hoofdwerkplaats van de LTD in te richten in Soerabaja. Landheer volgde hem bij deze LTD-83 na terugkeer in Indië op. Van Houtum vertrok naar de werkplaats LTD-85 in Padang op Sumatra. Electrotechnicus Van Houtum was reserveofficier en ging in 1941 over in vaste dienst. Hij droeg een beladen geschiedenis met zich mee. Zijn echtgenote, waar hij in 1946 van scheidde, werd dat jaar gearresteerd. Wilhelmina van Kooten, aangeduid als Spionne nr. 30, werd beschuldigd van spionage voor de Japanse Kenpeitai. Ze zou honderden Nederlanders aan de vijand hebben aangegeven. Tijdens de rechtszaak verafschuwde de president van de rechtbank het verraad: ‘En uw man was nog wel officier!!’.

Na 1947 droeg een Kwartiermeester-generaal, kolonel en later generaal-majoor der artillerie KNIL J.J. Mojet, de verantwoordelijkheid voor de gehele materiële instandhouding van alle in Indië aanwezige logistieke troepen. De (munitie)productiefaciliteiten van de voormalige A.C.W., P.W. en P.F. gingen op 1 oktober 1947 onder de vlag van de Leger Productie Bedrijven (LPB) verder. Deze nieuwe organisatie bestond uit Algemene Constructie Werkplaatsen en Centrale Munitie Werkplaatsen. Overste en later kolonel Ir. Mets kreeg er de leiding. Het duurde evenwel nog tot in 1948 totdat er voldoende middelen waren en de productie weer enigszins kon worden hervat.

Op het complex te Bandoeng bevond zich naast de hoofdwerkplaats LTD-81 ook de centrale ‘vierde lijns’ werkplaats LTD-90. Vogelesang, inmiddels bevorderd tot majoor, werd als de opvolger van Landheer in augustus ’48 aangesteld als commandant van LTD-90. Hij zou verwikkeld raken in wat de ‘zaak Aernout’ is gaan heten.

De zaak Aernout

Dienstplichtig vaandrig Robert L. C. Aernout, werkzaam als transportplanner, werd eind februari 1948 ’s avonds bij het huis van zijn vriend, luitenant Muller von Czernicki die als veiligheidsofficier op het vliegveld werkte, in het dorpje Lembang ten noorden van Bandoeng dodelijk getroffen door een kogel toen beide mannen buitenshuis verdachte geluiden hoorden.

Kap Ir. Douwes-Dekker met zoon (collectie KITLV)

Dit voorval werd al gauw in verband gebracht met vermeende kennis van de vaandrig over corruptie en onregelmatigheden bij de LTD. Het hoofd van de metaalbewerkingsafdeling van de LTD-90, F.H. van der Putten, had frauduleuze handelingen als klokkenluider naar buiten gebracht. Van der Putten was lid van het hoofdbestuur van de Bond van Burgerpersoneel in Militaire Inrichtingen. Hij beschuldigde de leiding van de LTD-81 van onoorbare praktijken en corruptie.

Verscheidene functionarissen van de LTD, waaronder Kap-res der genie (KNIL) Ir. John Luycke Roskott, commandant van de LTD-81, werden gearresteerd en kortstondig gevangen gezet in Batoedjadjar. Roskott werd verdacht van collaboratie met Republikeinse strijdgroepen. Bij zijn aanhouding werd in zijn woning een hoeveelheid wapens en munitie aangetroffen. In opdracht van generaal Spoor verrichtte de beruchte Kap Westerling een onderzoek maar afdoende bewijs van malversaties werd niet gevonden. Roskott werd overgeplaatst.

De Bond verweet ook de leiding en medewerkers van personeelszaken bij de LTD-90 oneerlijke gedrag bij plaatsingen van personeel. Maj Ir. Vogelesang gaf opdracht Van der Putten over te plaatsen, maar toen Van der Putten verhaal ging halen bij de legercommandant vernietigde generaal Spoor het besluit. Spoor stelde een onderzoekscommissie in. De commissie oordeelde uiteindelijk dat Vogelesang ‘beleidsfouten’ had gemaakt en adviseerde hem van zijn functie te ontheffen. Vogelesang kreeg een staffunctie bij het Territoriaal Commando West-Java. De betrokken personeelsfunctionarissen werden ontslagen. Van der Putten kreeg het verzoek om met verlof naar Nederland te gaan, maar hij weigerde dit. Vervolgens werd hij toch overgeplaatst.

De Bond zag in de behandeling van hun klokkenluider ‘ambtelijke militaire wrok’ terwijl ‘een groep gevaarlijke knoeiers’ volgens hen niet streng genoeg waren gestraft. Later keek de commissie-Zaaijer in opdracht van de regering naar de zaak. In haar eindrapportage uit 1952 concludeerde de commissie dat het onwaarschijnlijk was dat er ‘wijdvertakte knoeierijen’ bij het leger in Indië hadden bestaan. De ‘wanordelijke’ omstandigheden na de Japanse capitulatie hadden volgens de commissie wel tot ‘individuele gelegenheidscriminaliteit’ geleid.Wat betreft de behandeling van Van der Putten uitte de commissie ook stevige kritiek op het leiderschap van Kol Kroese en diens chef Mojet.

Er bleven in de loop der jaren verschillende verhalen de ronde doen over een mogelijke link van de dood van Aernout met corruptie in legerkringen waarbij de direct betrokkenen ook zelf de pers opzochten. Van der Putten bleef tot zijn dood procederen. Zo kwam De Telegraaf in 1962 nog met een opgedoken dienstnota van commandant Vogelesang. Vele onderzoeken volgden nog.

De oud-journalist Peter Schumacher publiceerde in 2009 het boek De zaak Aernout – Hardnekkige mythes rond een Indische moord ontrafeld waarin hij na een diepgaande studie uiteindelijk de moord toeschreef aan een Javaanse bende. Aernout, die door de militaire autoriteiten aanvankelijk verweten werd zich niet bewust te zijn geweest van het risico om zich ’s avonds buitenshuis te begeven, kreeg in dat jaar, meer dan 60 jaar na dato, postuum eerherstel.

 

Overdracht

Het KNIL was al omgedoopt tot Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger maar het onherroepelijke einde van de kolonie was in zicht. In de Soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 werd bepaald dat het KNIL na zes maanden zou worden ontbonden.

Op 29 april 1950 droeg Kol Ir. Mets in Bandoeng de leiding over de LPB over aan Lkol Ir. M.O. Parlindungan van het Indonesische leger (APRIS). Ook Parlindungan was scheikundig ingenieur; hij studeerde in 1942 af. De nieuwe naam voor de bedrijven werd Pabrik Sendjata dan Mensioe, afgekort PSM. Momenteel is het hoofdkantoor van de opvolger van de PSM, het staatsdefensiebedrijf PINAD, nog steeds in Bandoeng gevestigd.

Nog enige jaren na de overdracht verleende een delegatie van KNIL-officieren als een zogeheten ‘Nederlandse Militaire Missie’ ondersteuning. De naam Vogelesang duikt in dat verband in december 1952 op in het Algemeen Indisch Dagblad. Hij was geselecteerd voor het Nederlandse voetbalteam voor de St-Barbara-viering. Een jaar eerder had hij op het vliegveld Andir bij Bandoeng zijn sportvliegbrevet gehaald.

 

Opheffing KNIL

De meeste Indische artillerie-ingenieurs gingen met ontslag ten gevolge van de opheffing van het KNIL op 26 juli 1950. De Blieck ging naar het bedrijfsleven en was tot zijn overlijden directeur van een technische handelsmaatschappij. Lkol b.d. Ir. Jacob J. Croese (1906-2003) werd in 1958 (tot 1971) lector op de KMA in de wapeningconstructieleer en bewapeningstechniek. Ranggenoot Ir. François Weiffenbach (1893-1977) was lid van de Indische Normalisatieraad geweest en bekleedde na zijn ontslag een functie als hoofdingenieur bij de Octrooiraad. De Jager werkte na terugkeer nog enige jaren bij het Metaalinstituut van TNO waar zijn expertise op het gebied van de metallografie van pas kwam. Landheer werd hoofdingenieur bij de Kon. Mij. De Schelde en Zeeuws statenlid (VVD).

In 1953 werd door de toenmalige minister van Oorlog Ir. C. Staf in Oldebroek het Artillerie-Monument onthuld. Dit monument, dat aan beide zijden voorzien is van 7-veld geschut, eert alle gevallenen van de Artillerie. In een artikel van Het Vaderland stond vermeld dat voormalig KNIL-officier Ir. Goslings nauw betrokken was bij de totstandkoming.Goslings werd in 1955 hoofdingenieur bij het Amsterdamse energiebedrijf.

Douwes-Dekker en Van Houtum stapten bij terugkeer in Nederland over naar de Technische Dienst van de Landmacht. Daar werd besloten tot de vorming van een technisch georiënteerde, academisch gevormde, staf bij de Generale Staf. Beiden traden toe tot het Dienstvak van de Technische Staf dat op 1 november 1954 voor dit doel werd opgericht. Van Houtum haalde in 1960 nog de kranten. Zijn Sectie Wetenschappelijk Onderzoek bij de Generale Staf had infrarood apparatuur ontwikkeld voor de waarneming van oefende troepen op de gevechtsbaan in het Infanterieschietkamp te Harskamp.Beide ingenieurs gingen als kolonel der TS met pensioen.

 

‘Das Wissen muss ein Können werden.’

Dit citaat van de strateeg Von Clausewitz uit zijn opus magnum Vom Kriege over de toepassing van de theorie van de krijgswetenschap is naar mijn mening ook onverkort geldig voor de militair-ingenieur in de techniek. Zij moesten het in Delft aangeleerde en met stages verder opgebouwde technische kennis in Indië in de praktijk brengen en tegelijk gecompliceerde productiefaciliteiten aansturen. Zelf ben ik evenals destijds Bijl De Vroe als artillerist afgestudeerd in de scheikundige technologie. Mijn Indische illustere voorgangers moesten echter, in tegenstelling tot hun Nederlandse tijdgenoten, voor het koloniale leger hun technische werk doen ver weg en onder risicovolle en uitputtende klimatologische omstandigheden.

Andere artikelen

VETERANEN

VETERANEN Nederland kent in totaal ongeveer 130.000 militaire veteranen. Deze groep bestaat uit ongeveer 100.000

Lees verder »
Login ledengedeelte VOAWEB