1. Mobilisatie 1914 (bron Beeldbank NIMH)
1. Mobilisatie 1914 (bron Beeldbank NIMH)

Nederland mobiliseert

Op 31 juli 1914 nam de Nederlandse regering een zeer ingrijpende beslissing: de mobilisatie van het leger per 1 augustus. Het was 44 jaar geleden dat zo’n besluit voor het laatst genomen was, dat was tijdens de Frans-Duitse oorlog toen het onduidelijk was of de gevechten tot die landen beperkt zouden blijven. Op 31 juli 1914 was de oorlogsspanning in Europa hoog, maar gevechten waren nog niet in de nabijheid van het Nederlandse grondgebied uitgebroken. Alleen ver weg, op de Balkan, was inmiddels tussen Oostenrijk en Servië daadwerkelijk een oorlog ontbrand. De verwachting dat dit Balkan-conflict tot Europese proporties zou uitgroeien was de laatste juli-dagen wel toegenomen en de Nederlandse regering en legerleiding was er alles aan gelegen, mocht de oorlog zich tot West-Europa gaan uitbreiden, voorbereid te zijn.

De Nederlandse krijgsmacht had de taak door tijdig aan de grenzen paraat te staan, het grondgebied te beschermen tegen doortocht door strijdende partijen. Het was immers niet ondenkbaar dat, zou tussen Duitsland en Frankrijk opnieuw oorlog uitbreken, de Duitse opmars naar Frankrijk via de Nederlandse provincie Limburg zou lopen. In dat geval werd Nederland tegen zijn wil in een Europees conflict meegezogen. Ook van de Britten was niet zeker wat zij zouden doen. Het was voor hen in elk geval van groot belang controle over de Noordzee te behouden. Via diplomatieke, maar ook militaire middelen probeerde de Nederlandse regering de ontwikkelingen een stap voor te zijn en te voorkomen dat grote mogendheden Nederlands grondgebied in hun krijgsplannen opnamen. De gemobiliseerde Nederlandse krijgsmacht had dus een afschrikkingstaak.

2. Militair op wacht bij een sluis. 1914 (bron beeldbank NIMH)

Nederland neutraal

3. Collage van twee karikaturen op de vermeende starheid van de Nederlandse defensiepolitiek mobilisatie 1914-1918. (bron beeldbank NIMH)

Noch bij de regering, noch bij de legerleiding was er enige twijfel over de noodzaak neutraal te blijven. Nederland had bij deelname aan een oorlog niets te winnen, alleen te verliezen. Het land profiteerde van vrije handel tussen staten en oorlog was daarin een wrede en dure onderbreking. Bovendien konden de uitgestrekte koloniale bezittingen, Nederlands-Indië in het bijzonder, niet door de eigen Nederlandse krijgsmacht verdedigd worden. Zou Nederland in Europa partij kiezen, dan liep het koloniale bezit groot gevaar. Neutraliteit werd bovendien gezien als moreel de juiste keuze. Vele Nederlandse politici en juristen beklemtoonden het belang van het internationaal recht. Het Vredespaleis in Den Haag, geopend in 1913, waar het internationaal Hof van Arbitrage zetelde, was een krachtig symbool voor deze Nederlandse stellingname. Desalniettemin besteedde Nederland ongeveer een kwart van zijn begroting aan leger en marine. De neutraliteit moest in geval van nood geloofwaardig verdedigd kunnen worden en dan was een goed bewapende krijgsmacht van enige omvang vereist. Juist hierin was sinds 1910 veel geïnvesteerd, in het bijzonder door Hendrikus Colijn, de jonge, energieke minister van Oorlog, die goed samenwerkte met luitenant-generaal Cornelis Snijders, de chef van de Generale Staf. Mede door hun toedoen kon Nederland de eerste drie dagen van augustus 1914 200.000 man op de been brengen, net op tijd voordat op 4 augustus de grote Duitse invasie van Frankrijk plaatsvond, die massaal en op grove wijze de Belgische neutraliteit schond, maar de Nederlandse respecteerde.

4. Chef van de Generale Staf, luitenant-generaal C.J. Snijders en Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. 1914 (bron beeldbank NIMH)

Toen in de eerste oorlogsweken het Nederlandse publiek kennisnam van de gruwelijkheden die de oorlog in België met zich bracht, was de opluchting dat de Nederlandse neutraliteit door de strijdende partijen gerespecteerd werd des te groter. De Britten gingen aan land in Noord-Frankrijk en de Duitsers hechtten zoveel waarde aan handel via Rotterdam, dat zij het Nederlands grondgebied nauwgezet respecteerden. Dit had het bijkomend voordeel, dat de rechterflank van hun opmars naar Frankrijk door het neutrale Nederlandse grondgebied als het ware werd beschermd. De Britten konden daar weinig tegen doen: zij waren, althans volgens hun eigen propaganda, de oorlog begonnen om het neutrale België te redden, dan was een inval in neutraal Nederland wel erg moeilijk uit te leggen.

5. Schade aan de Sint-Walburgakerk in Brugge (Belgie) (Bron beeldbank NIMH)

Mobiliseren: ontwrichting van de samenleving

Zoals opgemerkt was het besluit tot mobilisatie een ingrijpend besluit, dat de regering niet gemakkelijk nam. Niet alleen kostte het vele miljoenen, het betekende ook een ontwrichting van de samenleving in al haar geledingen: alle transport, vooral het treinverkeer, kwam dagenlang alleen ter beschikking van de militairen, maar ingrijpender was de oproep van 200.000 mannen, die huis en haard op stel en sprong moesten verlaten, zonder enig idee wanneer ze weer naar huis terug konden gaan. Bovendien waren vorderingen voorbereid, vooral van paarden, waarvan het leger er vele tienduizenden nodig had, en ook van honden, om karren en mitrailleurs te trekken en van – nog erg schaarse – (vracht)auto’s. Tevens werden rondom forten en andere verdedigingswerken de wegen afgezet en werd het waterpeil van vaarten en kanalen die essentieel waren voor inundaties (onderwaterzettingen) verhoogd. In geval van een vijandelijke aanval kond dan in de kortst mogelijke tijd de landerijen onder water worden gezet, die de kern vormden van de verdedigingslinies zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Dit bracht veel hinder voor de binnenvaart met zich mee, die aan banden werd gelegd. Ten slotte werden in de kustwateren de boeien weggehaald, om ongewenste (oorlogs)schepen het varen moeilijk te maken en waren de belangrijkste bruggen in gereedheid gebracht om, mocht een vijand binnenvallen, opgeblazen te worden. Al deze maatregelen, sommige geheim, andere zeer publiek, zorgden voor een nerveuze stemming onder de bevolking, die in de krant uitvoerig kon lezen hoe in de andere Europese landen mobilisatie snel overging in oorlog.

6. Bewaking van Brug Katerveer bij Zwolle 1914 (bron beeldbank NIMH)

7. Werkzaamheden van de Vestingartillerie aan de toren van het Fort aan de Liede 1914 (bron beeldbank NIMH)

Die oorlog kwam inderdaad zeer dichtbij. De grensbewoners in Limburg en Noord-Brabant konden de Duitse legers zien optrekken, hoorden soms de gevechten in België en zagen vanaf de eerste oorlogsdag samen met gewonde militairen ook berooide Belgische burgers naar Nederland vluchten. In Zuid-Nederland was de oorlog dus zeer nabij en daarom paste generaal Snijders de opstelling van de Nederlandse krijgsmacht aan. In plaats van verspreid over het gehele land, concentreerde hij ruim een kwart van de krijgsmacht in Noord-Brabant, daar werd inkwartiering van soldaten bij de bevolking een zeer ruim verspreid verschijnsel.

In augustus 1914 was het duidelijk dat de Duitse opmars direct ten zuiden van de Nederlandse grens verliep en in oktober belegerden de Duitsers de belangrijkste Belgische vesting, Antwerpen. Dat beleg bracht de oorlog opnieuw gevaarlijk dichtbij, waarop Snijders de troepen vooral in Midden en West-Brabant legerde. Na oktober 1914 leek het gevaar minder dreigend.

Met verlof?

8. Een militair bij een kazemat bij het Fort aan de Liede (bron beeldbank NIMH)

Het nut van de mobilisatie was in 1914 algemeen erkend, maar die eensgezindheid ging na enkele maanden scheuren vertonen. Toen was duidelijk hoe ingrijpend het was, zoveel mannen uit het arbeidsproces te halen. Allerlei bedrijven liepen gevaar failliet te gaan, kostwinners waren lange tijd afwezig en daar stond maar een karige vergoeding tegenover. Inmiddels was het front in Noord-Frankrijk gestabiliseerd, waarom moesten de grote problemen die de mobilisatie veroorzaakte dan nog worden verdragen vroegen velen zich af? Andere kleine neutrale staten, die net als Nederland in augustus 1914 massaal hun troepen opgeroepen hadden, begonnen deze vanaf 1915 weer naar huis te sturen. Zwitserland en de Scandinavische landen demobiliseerden stap voor stap. In het Nederlandse parlement gingen stemmen op dat hier ook te doen, maar regering noch legerleiding wilden daar iets van weten. In het bijzonder opperbevelhebber Snijders maakte zich sterk voor behoud van volledige paraatheid van de krijgsmacht omdat, zo meende hij, oorlogskansen snel konden keren en Nederland zo dicht bij het front lag en zo ingeklemd tussen de strijdende grote mogendheden, dat een verzwakking van de paraatheid levensgevaarlijk was. Natuurlijk zag ook Snijders dat verlofregelingen noodzakelijk waren, het economisch leven moest wel doorgaan, maar hij wilde deze met mate toepassen.

In de loop van 1915 liep de politieke discussie over de verloven en een eventuele demobilisatie hoog op. Uiteindelijk kreeg Snijders zijn zin dat de mobilisatie op volle sterkte gehandhaafd bleef, terwijl hij anderzijds moest toestaan dat de verlofregeling werd versoepeld en soldaten die lang onder de wapenen waren door nieuw opgeleide rekruten werden vervangen. Degene die afzwaaiden bleven echter wel oproepbaar en zo kon het zijn dat in 1918 Nederland in geval van nood 500.000 man onder de wapenen zou kunnen brengen, op een bevolking van 6 ½ miljoen. Een indrukwekkend hoog percentage.

9. Rekrutering, twee leerlingen van de Kweekschool voor Zeevaart 1915 (bron Beeldbank NIMH)

Alarm!

Had Snijders gelijk, als hij sprak over het altijd loerende gevaar? Het leek er wel op. Met Pasen 1916 bijvoorbeeld, toen geruchten over een mogelijke Britse vijandelijke landing in Zeeland de ronde deden en de regering besloot alle verloven in te trekken. Het gerucht, afkomstig uit Duitse regeringskringen bleek loos alarm. In het voorjaar van 1917 en van 1918 was er sprake van Duitse militaire dreiging in Zeeland, maar deze was onvoldoende, en dat bleek terecht, om de verloven in te trekken. Dat gebeurde wel in oktober 1918 omdat zich een scenario leek te voltrekken dat de legerleiding al jarenlang als gevaarlijk beschouwde: een Geallieerde opmars vanuit Noord-Frankrijk in noordelijke richting, de Duitsers voor zich uit duwend. Dan liep voor grote delen van het Duitse leger de kortste weg terug naar het eigen land via Nederland. De regering besloot tot de grootst mogelijke paraatheid om de zuidgrens te verdedigen. Dit besluit is berucht geworden, omdat delen van het leger na vier jaar mobilisatie dusdanig ‘mobilisatiemoe’ waren, dat ze opstootjes veroorzaakten. De jarenlange legering in vaak slechte omstandigheden, de steeds minder goede rantsoenen en de uitzichtloosheid van het eentonige gemobiliseerde bestaan kookten over. De crisis kon bezworen worden, maar de reputatie van de krijgsmacht, vooral van de officieren die blijkbaar de manschappen niet goed leidden, was aangetast. Het was een van de redenen voor Snijders’ ontslag twee dagen voor het einde van de oorlog.

10. De territoriale bevelhebber in Zeeland. 1918 (bron beeldbank NIMH)

Mobilisatieleven

11.-Tekst-op-het-monument-Mobilisatie-1914-1918-Scheveningen-bron-beeldbank-NIMH

Door heel Nederland, en vooral in het zuiden, waren vier jaren lang militairen ingekwartierd bij burgers of gehuisvest in grote gebouwen als kazernes, forten, fabriekshallen, bioscopen of scholen. In de loop van de tijd werd de huisvesting vooral geconcentreerd in tentenkampen, barakken, militaire gebouwen en bij burgers thuis. Daarbij wisselden de eenheden regelmatig van standplaats, te veel verbroedering met de bevolking was immers niet gewenst. Dat gold in het bijzonder in de grensgebieden waar smokkel welig tierde. Soldaten werden ingezet bij de bestrijding daarvan, soms werd de verleiding van de grote winsten hen te machtig, soms zagen ze de familie van hun kwartiergever deze illegale praktijken verrichten; dat kon hen voor moeilijke keuzen stellen. Het liefst had Snijders het leger helemaal buiten de smokkelbestrijding gehouden, maar er ontbrak mankracht bij de douane en de belastingdienst om dit over te nemen. Ongevaarlijk was het zeker niet, verscheidene soldaten lieten het leven in gevechten met smokkelaars.

12. Loopgraaf met geweerschutters en op de voorgrond een (geladen) 2,5 cm bomwerper (bron beeldbank NIMH)
13. Oefening bij de Instructie-batterij, het verplaatsen van een stuk in moeilijk terrein.

Waarmee hielden de gemobiliseerden zich bezig? De militaire taken waren vooral wachtlopen en meedoen aan oefeningen. Nieuwe wapens en tactieken moesten geoefend worden – hiervoor waren zelfs loopgarvenstelsels nagebouwd – en enkele malen per jaar vonden oefeningen met grotere eenheden plaats om de marsvaardigheid en de getraindheid van de troepen te beoordelen. Deze grote oefeningen konden steevast op de belangstelling van de gehele legertop en de koningin rekenen. Grote oefeningen bijvoorbeeld betroffen het uitvoeren van ‘gevechten’ tegen een binnenvallende vijand en de terugtocht over de grote rivieren van de Nederlandse eenheden per boot en via bruggen. In september 1916 vond tussen ’s-Hertogenbosch en Eindhoven een heuse oorlog plaats: twee divisies vochten tegen elkaar, enkele tienduizenden militairen, inclusief vliegtuigen, waren hierbij betrokken. Bijzonder was ook een oefening aan de kust tussen Den Haag en Hoek van Holland in 1915, toen een ‘vijandelijke’ vloot troepen aan land zetten en de ‘eigen’ eenheden deze landing moesten beletten.

14. Sport als ontspanning gymnastiek 1917 (bron beeldbank NIMH)
15. Militaire springruiter tijdens een concours hippique 1917 (bron beeldbank NIMH)

Ondanks dat oefeningen en het bijhouden van militaire vaardigheden tijd kostten, bleef de verveling als ondermijning van het moreel op de loer liggen. Hiervan was de legerleiding zich terdege bewust en gemobiliseerde militairen moesten dus de gelegenheid krijgen zich nuttig te vermaken – al was het maar om hen van de drank af te houden. In september 1914 werd de centrale commissie voor ontwikkeling en ontspanning van gemobiliseerde militairen opgericht. Deze commissie zou zich jarenlang beijveren voor leeszalen, cursussen, muziek- en toneeluitvoeringen en sportwedstrijden voor gemobiliseerden. Hierbij verleenden vele particuliere organisaties steun, niet in de laatste plaats de sportbonden, die deze jaren aangrepen om sport onder brede lagen van de bevolking te populariseren. En met succes: na de oorlog was voetbal in Nederland een volkssport geworden!

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB
X