Per 01-01-2025 is 13Ltbrig aangemerkt als een TIER-II Brigade Combat Team (BCT) als onderdeel van 10. (DEU) Panzerdivision (Internationaal aangeduid als 10 Armoured Division (10AD)) inzetgereed te zijn binnen het nieuwe NATO Force Model (NFM). Samen met de andere eenheden van 10AD staat 13BCT op een notice to move van 10 tot 30 dagen. In deze hoedanigheid, en met name om het integreren van 13BCT in de divisie succesvol uit te breiden, heeft 13BCT een intensief programma doorlopen om op 01-01-25 klaar te zijn ingezet te kunnen worden in het kader van ‘Warfighting capable’. Maar zeker niet alleen de integratie in 10AD stond centraal; 13Ltbrig wordt 13BCT.
Van Lichte Brigade naar Brigade Combat Team
Om te kunnen spreken van een BCT, worden de organieke capaciteiten van 13Ltbrig uitgebreid met de capaciteiten van Combat Support en Combat Service Support eenheden. Natuurlijk het meest interessant is het onder bevel stellen van 41 Afdeling Veldartillerie en 13 Luchtverdedigingsbatterij. De volledige integratie van deze eenheden brengen ieder hun eigen vraagstukken met zich mee. Zo is bijvoorbeeld de afdelingscommandant conform Leidraad Vuursteun de vuursteuncoördinator op brigade niveau. Maar bij de brigadestaf loopt ook een Chief Joint Fire Support Coordination Centre (C-JFSCC) rond. Wanneer is de een primair de adviseur van de commandant, en wanneer de ander? De afdelingscommandant heeft natuurlijk ook een afdeling aan te sturen en is in die hoedanigheid tevens ondercommandant. Dit impliceert dat deze niet continue, in zowel de planning als de uitvoering, bij de brigadestaf aanwezig kan zijn. De afdeling heeft binnen het totale commandovoeringsproces ook haar eigen proces te doorlopen. Gelukkig verloopt de communicatie en integratie dermate voorspoedig dat dit geen frictie oplevert. De afdelingscommandant en C-JFSCC versterken elkaar in deze.
Een andere uitdaging die de daadwerkelijke integratie met zich meebrengt, is ruimtelijke ordening. In mijn eigen ervaring was de afdeling in bataljonsoefeningen altijd pro memorie aanwezig. Dat was lekker makkelijk, de Artillery Manoeuvre Areas (AMAs) werden altijd zo weergegeven dat deze geen conflicten opleverden met de plannen van de manoeuvre eenheden. Maar nu de planning van alle facetten daadwerkelijk moet kloppen, lopen we tegen de werkelijkheid aan. Willen we bijvoorbeeld in staat zijn om het Brigade diepe gevecht te ondersteunen in de eerste fase van het gevecht, is het toch echt noodzakelijk om de eerste AMA-gordel vrij ver voorin te plannen. Taken als deep strikes en counter-battery fire (CBF) zijn anders onuitvoerbaar. De aanname dat alles uitgevoerd kan worden met lange dracht munitie is een utopie. Buiten het feit dat het luchtruim in hoogte niet altijd toereikend is om ver genoeg te kunnen schieten. Ergens houdt het brigade- en divisie luchtruim op en is het Corps de verantwoordelijke autoriteit. Kijkend naar de hoogte waar het culminatiepunt van de kogelbaan ligt, kan dat zomaar betekenen dat er goedkeuring vanuit Joint Force Command moet komen voor vuren in de diepte. De factor tijd, die hierin onwenselijk lang is, is vanzelfsprekend cruciaal voor een effectieve doelbestrijding. De verschillende Airspace Control Means die beschreven zijn in onze doctrinepublicaties faciliteren niet altijd waar ze voor bedoeld zijn.
Een AMA zover voorin dat deze conflicteert met de voorbereidende werkzaamheden van de bataljons is iets waar we weer aan moeten wennen. Daarnaast is het uitdagend om ook nog geschikte terugtocht- en bevoorradingsroutes te vinden die niet het hele hindernissenplan van de verdediging frustreren.
Joint Fires in divisieverband
Maar het houdt niet op bij de afdeling van de brigade. De divisie heeft ook vuursteun elementen die effecten in de diepte moeten genereren. In dit geval, conform Duitse doctrine, werkt 10AD bijvoorbeeld met een zogenaamd CBF-Headquarters. Via deze entiteit wordt alle CBF gecoördineerd, ook die van de brigade artillerie. Enerzijds schept dit structuur, anderzijds heeft dit een negatieve invloed op de snelheid van de killchain. Alle doelgegevens die geproduceerd worden moeten namelijk gevalideerd worden door het CBF-HQ, waarna deze een fire-unit toewijst. Nu brengt het binationale karakter een extra uitdaging met zich mee aangezien onze communicatiesystemen niet zomaar met elkaar informatie uit kunnen wisselen. Daar is de koppeling middels ASCA voor in het leven geroepen, maar ook hier valt nog het een en ander aan ervaring op te doen.
Kijkend naar de doctrine van de opponent, is het van belang om CBF uit te voeren vanaf het moment dat de eerste vijandelijke barrages plaatsvinden. Wanneer we deze in time-space-forces beschouwen, betekent dit dat de divisie artillerie vanaf begin vijandelijke aanval in staat moeten zijn om de vijandelijke AMAs te kunnen bereiken. Dat terug redenerend naar waar de AMAs van de divisie artillerie gesitueerd moeten zijn, is dat ook (veelal) binnen de vakgrenzen van de voorbataljons. Kortom, het gevechtsveld is verzadigd met allerlei eenheden van alle niveaus.
Een ander facet waar alleen nog maar theoretisch over nagedacht is, is de inzet van de PULS en de MMR wanneer deze operationeel zijn. Algemeen gedachtegoed nu is dat deze systemen als divisie troepen gaan worden beschouwd. Opzich logisch, maar het levert ook beperkingen op. Zoals eerder gememoreerd, is in bijvoorbeeld het uitvoeren van CBF via het CBF-HQ de killchain nogal lang. Indien de MMR een directe link heeft met onze eigen shooters, is nu de verwachting dat het proces van detectie tot effect op doel ongeveer de helft van de tijd in beslag neemt in vergelijking het Duitse proces. In een gevecht cruciale minuten.
Al deze planningsoverwegingen zijn extra uitdagend kijkend naar de manier waarop 13BCT het commandovoeringsproces inricht. Dit proces neemt veel tijd in beslag, wat tot een lange OODA-loop leidt. Om in een lopende operatie de OODA-loop zo kort mogelijk te houden, hanteert 13BCT een versnelde commandovoerings methodiek. Deze houdt in dat na het ontvangen van een divisiebevel, middels parallelle planning met de subeenheden, er binnen 6 uur een brigadeplan ligt. Dit is inclusief het brigade vuurplan. Gezien het brigade vuurplan met name bottom-up tot stand komt, moet de vuursteunketen dus anders omgaan met de planning. Uitgebreide fysieke presentaties vuurplan van compagnie naar bataljon, en van bataljon naar brigade/afdeling, passen niet binnen deze 6 uur. Veelal gebeurt dit digitaal. En dan moet het brigade vuurplan nog naar de divisie. Uiteindelijk maakt de vuursteun community het werkbaar.
Grand Quadriga
In het kader van het opwerken naar een TIER-II BCT was 2024 een enerverend jaar. In Februari vond de niveau VI oefening Chariot Rhino plaats, als onderdeel van de grotere oefenserie Grand Quadriga. Deze omvatte een week MAPEX in Litouwen, waarbij met behulp van verkenningen in het terrein aan planontwikkeling werd gedaan ten behoeve van de CPX in de week daarna in Oirschot. De bataljonsstaf van 42 Painfbat LJ als Primary Training Audience ontplooide op de Oirschotse Heide in hun organieke voertuigen, en het simulatieprogramma ‘Steel Beast’ projecteerde de subeenheden in het gevechtsveld. De brigadestaf inclusief de afdeling acteerde als hoger niveau. Tijdens deze oefening is het gehele vuursteunsysteem gesimuleerd. Het aanwezige afdelings-FDC simuleerde de fire units, de Fire Support Teams maakten deel uit van hun respectievelijke compagnieën, en alle coördinerende elementen op bataljons- en brigadeniveau stroomlijnden de werkwijzen. In deze oefening bleek dat er op brigadeniveau dieper nagedacht moet worden over o.a. sensor fusing; Hoe kan de brigade alle informatie die al haar sensoren produceren zo effectief mogelijk beheren en daar de juiste effecten aan koppelen. Deze informatie varieert van contactmeldingen van de infanteriecompagnieën tot de waarnemingen van bijvoorbeeld 102EWcoy. Maar ook de intell-keten vergaart informatie, 107UASbty vliegt boven het gevechtsveld en radarsystemen genereren ook data. Nu kwam het voor dat er verschillende sensoren, beheerd door verschillende ketens, hetzelfde stuk terrein aan het monitoren waren.
Ook binnen de vuursteunketen is het managen van alle informatie een cruciale taak. De chat in de ELIAS-omgeving is een van de primaire communicatiemiddelen om snel informatie uit te wisselen tussen brigade en bataljon. Met alle stations in 1 chatbox communiceren creëert al snel een onoverzichtelijke stroom van berichten. Alle reports&returns, situation updates etc. die niet voorzien zijn in de formats in AFSIS zijn lastig te beheren in 1 chatbox, vooral wanneer er ook nog gereageerd wordt vanuit verschillende stations. Daarnaast is het überhaupt hebben van verbinding niet altijd een gegeven, en is het soms maar de vraag of de berichten wel doorkomen. Al met al waardevolle ervaringen opgedaan in brigade-verband.
Zonder heel veel tijd over te laten voor het verwerken van alle Lessons Learned uit Chariot Rhino, deed de volgende activiteit zich aan. FTX Rhino Resilience in GuZ Altmark. De Main Command Post van de brigade heeft zich ontplooid op een vliegveld in de nabijheid van het oefenterrein, terwijl 17 Painfbat GFPI en 42 Painfbat LJ de FTX uitvoerde in het oefenterrein zelf. Ook hier simuleerde het afdelings-FDC de fire units, om zo de vuursteunketen dicht te krijgen. De geleerde lessen uit voorgaande activiteiten werden hier geborgd. Zo zaten de missie-managers van bijvoorbeeld 102EWcoy en 107UASbty in de Main Command Post, met dus een directe lijn naar het Bde JFSCC. De doelgegevens die zij produceerden worden hierdoor snel inzichtelijk gemaakt binnen de brigadestaf, waarna er effecten aan gekoppeld kunnen worden. Wanneer 102EWcoy bijvoorbeeld aan vijandzijde detecteert dat er activiteit is in het elektro-magnetisch spectrum, kunnen zij dit direct communiceren met de gehele MCP. Hierop kan dan snel gehandeld worden door via de vuursteunlijn zicht te krijgen op een potentieel doel. Na visuele bevestiging middels een drone kan dat doel dan aangegrepen worden met indirect vuur. Na een aantal keer op die manier de output van alle sensoren bij elkaar te hebben gebracht, kan geconcludeerd worden dat dit een effectieve manier van werken is. De killchain is snel en efficiënt.
Als laatste onderdeel van Grand Quadriga, verplaatste de gehele oefenende eenheid over de weg naar Litouwen. Een lange verplaatsing, essentieel om uit te voeren zodat we kunnen beproeven of 13BCT ook daadwerkelijk in staat is snel in het potentiele inzetgebied te kunnen komen. Zonder noemenswaardige bijzonderheden arriveerde eenieder in Litouwen. Feilloos ging 13BCT over in een MAPEX tezamen met 10AD en onze neven-brigades. Middels verschillende bespreekpunten van de verschillende eenheden leren de elementen van de divisie elkaar beter kennen. Door middel van vakinhoudelijke discussies krijgt de manier van optreden op divisieniveau steeds meer vorm. Hoe lopen de communicatielijnen, hoe ondersteunt de divisieartillerie de brigades en de brigadeartillerie de divisie. Op welke manier kunnen we elkaars capaciteiten versterken en het gezamenlijke doel verwezenlijken. Allemaal waardevolle input met het oog op NFM, en het Land Tactical Planning die daaraan verbonden is.
‘Stronger Together’
Ardent Lion
Er stond nog 1 brigadeactiviteit op het jaarrooster, Ardent Lion. Ook deze FTX in binnenterrein Bergen was een brigade geleide bataljonsoefening. In dit geval was het de certificeringsoefening voor 17 Painfbat GFPI. Met alle geleerde lessen uit voorgaande activiteiten is ook deze succesvol geweest. In deze oefening is o.a. het nut en belang van het gebruik van drones op alle niveaus wederom bevestigd. In dit geval was een drone-team op bataljonsniveau direct gekoppeld aan het Bn JFSCC. Door in staat te zijn het gevecht te lezen, en dus te kunnen anticiperen op de acties van OPFOR, is die combinatie in staat geweest om snel en effectief de compagnieën in gevechtscontact te ontzetten en de vijand in de diepte aan te grijpen met 155mm. Dit naast de FST’n die ook hun eigen drones hebben en het brigade niveau welke ook met verschillende middelen rondvliegt.
Ondanks dat zijn er een aantal punten ter aandacht bevestigd. Op het gebied van verbindingen blijven er uitdagingen bestaan die zo’n beetje elke oefening naar voren komen. De koppeling van TITAAN met BMS blijft niet optimaal gezien alle data die over en weer gezonden wordt. Er ontstaan vertragingen in de lopende Call for Fires, en veelvuldig komt het voor dat er plaatselijk en tijdelijk überhaupt geen verbinding is. Ook hier moeten we mee om zien te gaan, het blijft de werkelijkheid.
Land Tactical Planning
Om uitvoering te kunnen geven aan de verwachtingen in het NFM, is het Land Tactical Planning (LTP) onderdeel geweest van het afgelopen jaar. In onze TIER-II rol weten we wat ons brigadevak is, wat het divisievak is en wie onze neveneenheden zijn. Om concreet invulling te geven aan het ontwikkelen van een geïntegreerd divisieplan zijn er workshops geweest bij 10AD, verkenningen in het beoogde operatiegebied en schrijfsessies in een beveiligde omgeving. Veel van de ervaringen opgedaan in andere activiteiten gedurende afgelopen jaar kunnen hier direct in meegenomen worden.
Het is goed merkbaar dat de mindset in het LTP verschilt van die in de gemiddelde oefening. Alles moet daadwerkelijk kloppen. Logistieke ‘magical moves’ bestaan niet, neveneenheden zijn ook echt aanwezig en de OPFOR wordt niet aangepast aan de capaciteiten van de brigade. Het blijft toch bijzonder om met 4 brigades georganiseerd onder 1 divisie een gezamenlijk plan tot stand te laten komen.

Joint Fires Workshops
Met het oog op zowel het stroomlijnen van de werkwijzen als het LTP, wil het JFSCC van 10AD met enige regelmaat alle JFSCC’n en vertegenwoordigers van de afdelingen bij elkaar brengen. De kazerne van 10AD bevindt zich in Veitshochheim, een kleine 6 uur rijden. Even snel op en neer voor een korte sessie is verminderd uitvoerbaar. Tijdens deze momenten wordt er vooral veel gesproken over de verschillen in werkwijzen die beide landen hebben, en het is al snel duidelijk geworden dat we van elkaar kunnen leren. Het is goed merkbaar dat we naar elkaar toe groeien en over het algemeen niet veel van opvatting verschillen. De grootste uitdaging, naast ruimtelijke ordening, zit hem in het hebben van een betrouwbare verbinding op het gevechtsveld, van brigade JFSCC naar divisie JFSCC, maar ook zeker van eindgeleider naar effectenbrenger. Het is niet ondenkbaar dat een Nederlandse FO in operationele omgeving vuren uitvoert met een Duitse fire unit. Een analoge frequentie is dan niet de meest gewenste manier van communiceren. Uiteraard streven we ernaar om alles digitaal te kunnen doen. ASCA biedt hierin de oplossing om AFSIS te kunnen laten praten met ADLER, maar vooralsnog hebben alle niveaus meer trainingstijd nodig om dit eigen te maken.
Het enerverende afgelopen jaar is dermate goed bevallen, dat deze ritmiek aankomend jaar gewoon doorgetrokken wordt. Activiteiten op niveau VI en daarboven stoppen niet met de jaarwisseling. Oefeningen als Bastion Lion, de Warfighter-serie met de divisie (en Corps) zijn al in voorbereiding.
Een van de focuspunten, naast het jaarplan zelf, is hoe om te gaan met de toenemende mate van drone-gebruik. Elke oefening weer wordt het nut en belang van een adequate drone-inzet bewezen. Om hier de benodigde grotere stappen in te gaan zetten, wordt ernaar gestreefd om een drone-keten in te gaan richten in de brigade, uiteraard in nauwe samenwerken met de vuursteunketen. Militairen die als neventaak wat met drones doen, dekken de lading niet meer. Om in staat te zijn bijvoorbeeld alle ervaringen op het wereldtoneel te vertalen naar eigen meerwaarde, behoeft toegewijd personeel die hun volledige focus op deze snel ontwikkelende technologie kan houden. Van vredesbedrijfsvoering tot concrete inzet.
Een ander focuspunt blijft de verdere vorming van 13BCT en de integratie daarvan in 10AD. Er blijft veel veranderen, denk bijvoorbeeld aan de invoering van de PULS, de MMR en hoe dat effect heeft op reeds gemaakte plannen. We zijn continue in ontwikkeling
‘Ready to fight tonight’






















