Dit stichtelijke kinderliedje uit de negentiende eeuw karakteriseerde de persoon van generaal-majoor (tit) Karel Oudendijk (1872-1955). Deze behoudende en gezagsgetrouwe artillerist was een zeer productief publicist. Hij was een voorvechter van het gebruik van de Nederlandse taal en gedreven verspreider van de Nederlandse cultuur. Dertien jaar diende hij bij de Commissie van Proefneming. De getalenteerde stafofficier genoot in Den Haag op het hoogste niveau veel vertrouwen. Na zijn pensioen gaf hij nog vijf jaar leiding aan het nieuwe Luchtvaartbedrijf in Soesterberg. Met zijn imponerende rijzige gestalte en op officiële gelegenheden steeds gekleed in zijn ceremoniële tenue zette hij zich in het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Vereniging ‘Ons Leger’ vele jaren in voor de promotie van de krijgsmacht.
Karel Eduard werd in Kampen op 21 augustus 1872 geboren als tweede zoon van de wijnhandelaar en wethouder Hendrikus Matheus Leonardus Oudendijk (1830-1918) en de generaalsdochter Johanna Susanna Sibilla Witsenborg (1831-1892). Beide grootvaders hadden het uniform gedragen. Pieter Oudendijk (1784-1835) was luitenant-kolonel bij de infanterie en gedecoreerd met de Militaire Willemsorde voor zijn optreden in de Citadel van Antwerpen tijdens de Belgische Opstand. Als kapitein trok hij in dienst van Napoleon op naar Moskou en werd opgenomen in het Legioen van Eer. Ook generaal-majoor Michael Witsenborg (1786-1852) diende in het Keizerlijke leger en sloot zich in 1814 aan bij de Prins van Oranje. De genieofficier was betrokken bij de vestingbouw in Holland en Hannover.
Voluntair
In 1891 meldde Oudendijk zich als ‘voluntair’ kanonnier aan bij het 2e regiment vestingartillerie. Via de hierbij ondergebrachte Artillerie-Cursus in Delft klom hij op tot tweede luitenant en werd in 1894 geplaatst op het bureau van de commandant van het 1e regiment vestingartillerie in Utrecht. Hij werd er meteen lid van de Officiersschermbond. In 1901 trok hij als eerste luitenant-leraar naar de Artillerie Schietschool in Oldebroek. Van zijn vorige commandant had hij een tevredenheidsbetuiging meegekregen voor het schrijven van voorschriften voor het beroepskader van de vestingartillerie. In juni 1903 maakte hij er nog het 25-jarig bestaan van de Schietschool mee en trouwde in het najaar in Neuwied (Rheinland Pfaltz) met de Duitse Johanna Billau (1877-1947), dochter van een doopsgezinde predikant. Ze kregen twee dochters (1906, 1909) en een zoon (1911) die zijn voornamen droeg. Men zag in de vlot schrijvende welbespraakte luitenant al gauw potentie als stafofficier. Er volgde een administratieve plaatsing bij het 3e regiment vestingartillerie in Gorinchem van waaruit hij werd toegevoegd aan het bureau van de Inspecteur-Generaal der Artillerie. In juni 1907 was hij met generaal-majoor Van Ermel Scherer in Oldebroek om Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik rond te leiden op het Schietkamp. Vooral het uitwerkingsvuur van de nieuwe 12 cm snelvuurhouwitsers van fabrikant Krupp imponeerde het hoge gezelschap.







Het vermeende Krupp-monopolie
In 1909 wisselde de administratieve plaatsing naar het 4e regiment vestingartillerie en kwam Oudendijk, inmiddels benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau met de zwaarden, naar Den Haag voor zijn detachering bij de Commissie van Proefneming. In de Tweede Kamer woedde in die jaren een discussie over de grote invloed van Krupp op de bestellingen van 7,5 cm geschut (de latere ‘7-Veld’) voor de Marine en het Leger in Nederland en Nederlandsch-Indië. In de kranten verschenen berichten over voor- en tegenstanders. Eerste luitenant Oudendijk kwam in 1910 met het 38 pagina’s tellende pamflet ‘Het vermeende Krupp-monopolie’. Hij vond de verhandeling van de columnist ‘Artillerist’ in de krant Avondpost over de vele technische tekortkomingen van Krupp-geschut in met name Indië veel te eenzijdig in opzet en deed een appèl op objectiviteit. In een prettig leesbaar betoog probeerde Oudendijk op technische gronden alle door ‘Artillerist’ benoemde voorvallen te ontkrachten. ‘Artillerist’ betwiste ook de eigenheid van scheepsartillerie waarvoor alleen Krupp geschut geschikt zou zijn. Oudendijk onthield zich van een mening over de Marine. In zijn slotbetoog stelde hij dat hij tot schrijven was gekomen omdat hij dat de ‘Nederlandse artillerie’ nu eenmaal verplicht was. Zijn eigen objectiviteit als lid van de Hollandse CvP werd door de Avondpost op haar manier ter discussie gesteld. Zo vermeldde Oudendijk dat hij ondanks ongevallen een overtuigd voorstander bleef van de wigsluiting van het Krupp-geschut en ging hij nauwelijks in op voordelen van de alternatieve schroefsluiting die in geschut van Franse makelij gangbaar was. Oudendijk was weliswaar nauw betrokken geweest bij de Nederlandse beproevingen, maar hij had niet de ervaring van een Indisch artillerieofficier en ook had hij nimmer een voet op Indische bodem gezet. In 1911 werd Oudendijk formeel lid van de CvP. Een jaar later volgde de bevordering tot kapitein-secretaris. Als zodanig trad hij ook op als buitengewoon lid van de Octrooiraad. De proeven op het Scheveningse strand konden rekenen op koninklijke belangstelling. Vanuit het meethuisje op de duinen bekeek Koningin Wilhelmina dan de verrichtingen. Kapitein Oudendijk kreeg op het Departement van Oorlog de neventaak toezicht te houden op bruikbaarheid van de ‘patronenvoorraad’ van het leger en de landweer. Tijdens de mobilisatiejaren werd hij in Scheveningen aangesteld als de commandant van de zogenaamde ‘Compagnie Aanspanbaar Geschut’ dat voorzien was van zware 10,5 cm kanonnen en 12 cm L14 houwitsers. Zelf sprak de taalpurist Oudendijk trouwens liever over ‘bespanbaar’ geschut omdat de paarden werden aangespannen. Met de ca. 100 manschappen en 50 paarden verzorgde hij gretig demonstraties van de stellingname voor het publiek. De CvP werd in die periode voor proeven alleen op ad-hoc basis samengesteld. Eind 1917 keerde hij voltijds als secretaris terug naar de CvP. In juli 1918 had hij de droeve plicht te spreken op de begrafenis van een kanonnier die om het leven was gekomen toen bij schietproef een 7,5 cm granaat bij de waarnemingskuil terecht kwam. Het was het eerste dodelijke ongeval sinds de oprichting van de CvP toen meer dan vijftig jaar geleden.
Directeur Materieel
In 1922 werd majoor Oudendijk het Hoofd van de Afdeling IV voor de aankoop van artilleriematerieel en daarmee ook de Directeur Materieel Landmacht, een functie die in 1914 was ingesteld. Hij was inmiddels volledig ingeburgerd in het Haagse establishment en voelde zich hier op zijn plek. Door zijn schrijftalent, deskundigheid en overtuigingskracht groeide hij uit tot een belangrijk adviseur van zijn politieke chef. In december 1927 vergezelde hij als luitenant-kolonel minister Lambooy, zelf oud-militair, bij diens bezoek aan de Artillerie Inrichtingen (A.I.) in Hembrug toen er weer op het Departement een onderzoek liep naar de personele omvang van het bedrijf.. Een jaar later was Oudendijk al kolonel. Zijn afdeling was als ‘IV-B’ toen al opgenomen in het nieuwe Departement van Defensie naast de materieelafdeling (IV-A) van het voormalige Departement van Marine.
Luchtvaartbedrijf
De materieelafdeling waarover Oudendijk de scepter zwaaide was ook verantwoordelijk voor de aankoop van vliegtuigen. Hij had zich altijd een warm voorstander getoond van een sterk luchtwapen. Hij stelde dat ‘voor de Nederlandsche strijdmacht bij de vervulling van haar defensieve taak geen onderdeel van het leger van zoo groote beteekenis is als de Luchtvaartafdeeling.’ Hij bezocht vliegtuigfabrieken, zoals Fokker en het Papendrechtse Aviolanda, en was bekend met A. Plesman van de KLM. Op het Departement werkte Oudendijk mee aan de reorganisatie van de in 1913 opgerichte Luchtvaartafdeling (LVA) dat toen onder de Chef Generale Staf ressorteerde. Het plan voorzag in de afsplitsing van alle technische niet-militaire bedrijfsactiviteiten (zoals onderhoudswerkplaatsen, aankoop van nieuw materieel en administratieve verantwoording) en de onderbrenging ervan in een op te richten Luchtvaartbedrijf (LVB) dat vanwege de grote financiële belangen rechtstreeks onder de Minister moest gaan vallen. Net zoals dat voor de A. I. het geval was. Op 15 augustus 1932 zag het LVB het daglicht en de dan net gepensioneerde Oudendijk werd door minister Deckers aangezocht om als eerste directeur dit bedrijf voor vijf jaar te leidden. Hij zou dan 65 jaar worden. Het gezin verruilde daarvoor Den Haag voor Huis ter Heide. Dat jaar werd Oudendijk verheven tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Oudendijk had dan wel ‘groote wiskundige talenten en een zeer uitgebreide materialenkennis’, het leiden van een bedrijf vereiste ook andere competenties. De gekozen organisatiestructuur leidde tot spanningen tussen de directeur van het onderhoudsbedrijf en de commandant van de vliegafdeling die verantwoordelijk was voor de vliegoperaties en de vliegeropleiding. Ondanks gemaakte werkafspraken botste Oudendijk vaak met de veel jongere luitenant-kolonel GS J.J. van Santen waarna de woordenstrijd moest worden beslecht op het hogere niveau. De kranten maakten gretig melding van de perikelen in Soesterberg. Dit kwam tot een climax in de te stellen technische eisen voor de aanschaf van een nieuwe tweezits jager. Waar protegé Oudendijk steeds kon rekenen op de Minister, ontbeerde Van Santen de steun van zijn militaire chef en werd vervangen. Ook met diens opvolger P.W. Best bleef het onderling geruzie. Vooral Oudendijks streven zeggenschap te verkrijgen over het technisch personeel in de hangaars van de LVA was een doorn in het oog. In 1935 werd er uiteindelijk een Inspecteur van de Militaire Luchtvaart ingesteld die zowel het LVB als de LVA aanstuurde. Hierdoor kwam alles in één hand. Oudendijk voelde zich door deze constructie overvallen, vertelde hij in een interview met het Algemeen Handelsblad. Hij voelde er bitter weinig voor verantwoording af te leggen aan de Inspecteur. Druk correspondeerde hij hierover met Deckers. Hij had immers niet om de baan gevraagd, verklaarde hij, en de opdracht slechts aanvaard onder voorwaarde dat het bedrijf ressorteerde onder de Minister zoals ook contractueel was vastgelegd. Een ontslagaanvraag volgde tenslotte maar Oudendijk kreeg hierop geen respons meer. Deckers verruilde dat jaar in het derde kabinet Colijn Defensie voor Landbouw en Visserij. De premier nam het ministerschap over Defensie slechts tijdelijk waar. In 1937 nam Oudendijk afscheid van het bedrijf en gaf hij het commando over aan de eerst aanwezend ingenieur der Genie in Amersfoort, luitenant-kolonel H.L. van Royen. In 1938 werd Oudendijk benoemd tot generaal-majoor titulair.
Het publieke debat
Oudendijk voelde als officier een sterke drang zich te profileren in woord en geschrift. In zijn eerste officiersjaren schreef hij onder meer in de Militaire Spectator vakinhoudelijk over artillerie onderwerpen. In 1918 was hij eindredacteur van het Militair Technisch Tijdschrift (en later ook van het Technisch Tijdschrift voor Nederlands-Indië). In het eerste nummer reflecteerde hij over het belang van de civiele wapenindustrie tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘Niet ten onrechte noemt men deze oorlog den strijd der industrieën’. Maar hij sprak zich ook publiekelijk uit over dan actuele maatschappelijk onderwerpen, gaf overal lezingen, maakte gebruik van radioboodschappen, organiseerde tentoonstellingen of leidde in de bioscoop een film in. Zo sprak hij in 1923 over de relativiteitstheorie van Einstein.
Oudendijk had zich aangesloten bij het Algemeen Nederlandsch Verbond. Deze vereniging, die ook nu nog actief is, begon als een literaire beweging voor de promotie en behoud van het Nederlands. In de Militaire Spectator publiceerde hij in 1918 het artikel ‘Onze Taal’ waarin hij fel van leer trok tegen het gebruik van germanismen, zoals het woord ‘koptelefoon’ waarbij hij er op wees dat zelfs een paard een ‘hoofdstel’ op krijgt. In samenwerking met de Haagse kunstenaarsvereniging ‘Pulchri Studio’ aan het Lange Voorhout organiseerde hij ‘Dietsche kunstavonden’. Later zocht het Verbond aansluiting bij Vlaamse en Zuid-Afrikaanse nationalisten onder de zogenaamde ‘Groot-Nederlandsche gedachte’ dat beruste op een ‘zuiver nationaal bewustzijn’; ‘slechts hij die een gezond nationaal gevoel bezit, kan zuiver internationaal worden’. Oudendijk zag in de verspreiding van de boodschap een prominente rol voor de officier weggelegd: ‘De officier geve, meer nog dan iemand anders, het voorbeeld van nationale fierheid.’ Maar er was ook een waarschuwing: ‘Wij officieren moeten iets voorzichtiger zijn dan anderen als de politiek erin gemoeid is.’ Zijn activiteiten in het Verbond waren nauw verweven met zijn werk. Zo organiseerde het Verbond in 1926 luchtvaartdagen in Scheveningen ter promotie van de Nederlandse vliegtuigindustrie. De militaire en politieke top waren aanwezig met Prins Hendrik als eregast. Tijdens de bezettingsjaren bleef Oudendijk actief in het Verbond waarvan hij inmiddels voorzitter was van het hoofdbestuur en van de Haagse afdeling. Ook onder de Duitse bezetter moest het bondsblad Neerlandia onverminderd doorgaan met het verspreiding van de boodschap maar dan zonder een politieke lading. Fervent Oranjegezind publiceerde hij in 1948 hij een boekje over de geschiedenis en betekenis van het Wilhelmus. De vijftien coupletten kende hij uit het hoofd.
Oudendijk was ook bestuurslid bij de Vereniging ‘Ons Leger’ (opgericht in 1912 en vanaf 1921 voorzien van het predicaat Koninklijk) waar de zeer betrokken kapitein al snel tot ondervoorzitter werd gekozen. In 1919 organiseerde hij een congres over de ‘weerkracht van het Nederlandsche volk’ in het Kurhaus. Een thema wat heden ten dage wederom in de actualiteit is. Veelvuldig sprak hij ook over de heersende ontwapeningsgedachte in die tijd en ging ook openlijk met voorstanders van pacifisme in debat. Hij pleitte voor ‘internationale algemene bewapeningsvermindering in plaats van eenzijdige ontwapening’: ‘Daarom moeten we den oorlog voorkomen. Niet door alle denkbare middelen maar door alle doeltreffende middelen. Militarisme is niet anders dan het in stand houden van een weermacht.’ Dienstweigering droeg naar zijn mening hier niet aan bij. Vanaf 1938 bekleedde generaal Oudendijk het voorzitterschap. Ook tijdens de eerste jaren van de bezetting behield de Vereniging enige bewegingsruimte van de bezetter. In het laatste nummer in december 1942 publiceerde Oudendijk nog een artikel over de Nassaus en de Nederlandse Krijgsmacht. Na de oorlog organiseerde Ons Leger vele herdenkingen zoals de grensoverschrijding van Prinses Irene brigade in 1944 en onthulde verscheidene monumenten. Oudendijk was voorzitter van het Comité voor de uitreiking van het Mobilisatie Oorlogskruis. Minister van Defensie Schokking en generaal H.G. Winkelman ontvingen uit zijn hand de eerste medailles. Memorabel is de voordracht van de Britse veldmaarschalk Sir B.L. Montgomery in de Ridderzaal in juni 1949 waar deze het gehoor meenam in het thema ‘the nations at war in modern times’. Hierin stelde hij dat alleen een verenigd West-Europa iedere aanval kan doorstaan. Ons Leger organiseerde in 1948 ook een rondreizende legertentoonstelling die begon in Utrecht en eindigde in Groningen.
Stilte
Er kon bijna geen viering van nationale betekenis in Den Haag gegeven worden of Oudendijk was erbij betrokken, zoals het Algemeen Handelsblad vermeldde bij zijn 60e verjaardag. Nagenoeg zijn hele leven kwam hij in de openbaarheid. Elke gelegenheid had hij genomen om zijn boodschap waar dan ook publiekelijk uit te dragen. Eind 1953 stond hij nog met vele autoriteiten aan het graf van zijn jongere broer Willem Jacob die een hoge diplomaat en gezant was geweest. De 82-jarige generaal b.d. Oudendijk overleed op 23 maart 1955 in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag. Zijn afscheid vond plaats geheel in stilte. Een jaar later werd hem postuum de door ‘Ons Leger’ ingestelde Prins Mauritsmedaille toegekend.






















