Van Ermel Scherer in gesprek met Prins Hendrik, Doorwerth, 1913, NMM.
Van Ermel Scherer in gesprek met Prins Hendrik, Doorwerth, 1913, NMM.

Vader en zoon Van Ermel Scherer

Twee luitenant-generaals die zeer betekenisvol zijn geweest voor de Artillerie waren vader en zoon Van Ermel Scherer. De door techniek gedreven generaal-vakman Frederik Gustaaf Alexander (1841-1914) droeg het uniform meer dan een halve eeuw, was vele jaren gouverneur van de Residentie en de laatste Inspecteur-Generaal der Artillerie. Net als zijn vader klom Herman Andre Frederik Gustaaf (1875-1947) van kanonnier op tot opperofficier. Deze generalist was Directeur van de Hogere Krijgsschool en Divisiecommandant in het interbellum en leidde als gepensioneerd generaal nog de Luchtverdedigingskring Amsterdam in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.

Het Nederlandsch Artillerie-museum

Op 5 augustus 1913 kwam Prins Hendrik naar kasteel Doorwerth bij Arnhem om daar het eerste Nederlands Artillerie Museum te openen. Voormalig artillerieofficier Frederic A. Hoefer had het vervallen kasteel gekocht en er met medewerking van vele autoriteiten, zoals minister-president Hendrik Colijn, historisch erfgoed van de artillerie ten toon gesteld. De oude generaal der Artillerie Frederik van Ermel Scherer hield een boeiende toespraak over de artilleriegeschiedenis en het algemeen nut van de tentoonstelling: ‘Wanneer men dan ook de geschiedenis der artillerie in de verschillende landen nagaat, bemerkt men dat dit wapen, vooral in vorige eeuwen, steeds zeer nauw verband houdt met den trap van kunst en wetenschap, welken door het volk, waartoe die artillerie behoorde, werd ingenomen.’ De collectie zou kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Delft verhuizen om op te gaan in het Legermuseum. Dit museum droeg de naam van de oprichter die op zijn tachtigste nog was bevorderd tot generaal-majoor. Vervolgens werd het ondergebracht bij het in 2013 opgerichte Nationaal Militair Museum in Soesterberg. De gedurende vele eeuwen verzamelde collectie op het Schietkamp Oldebroek staat thans bekend als het Nederlands Artillerie Museum.

De fraai besnorde generaal Van Ermel Scherer was bij leven met de vele buitenlandse medailles op zijn borst een indrukwekkende verschijning. Nauwelijks een jaar na zijn optreden op Doorwerth overleed hij in Amsterdam op 73-jarige leeftijd. Hij was weduwnaar van Catharina Aldegonde Hermine van Glansbeek (1844-1902) met wie hij een zoon en dochter kreeg. Zijn begrafenis in Den Haag vond plaats in de aanwezigheid van talloze militaire autoriteiten en de vertegenwoordigers van het Koninklijk Huis. Zoon Herman was in vaders voetsporen getreden. Gekleed in het uniform van de Generale Staf sprak hij bij het graf namens de familie een dankwoord.

Collectie, Doorwerth, 1913, NMM.
Collectie, Doorwerth, 1913, NMM.

CvP

majoor Van Ermel Scherer, ca 1890, NIMH.
majoor Van Ermel Scherer, ca 1890, NIMH.

Frederik werd in 1841 in Delft geboren als zoon van de gepensioneerde kapitein der Artillerie Gustaaf Moritz Scherer en Cornelie Elisabeth van Ermel, telg van een oud-Gelderse adellijke familie. Omdat alleen de mannelijke lijn een adellijke afkomst overerft besloot Frederik voor het nageslacht de familienaam te wijzigen in ‘Van Ermel Scherer’ hetgeen in 1894 door een Koninklijk Besluit werd bekrachtigd. In het jaar dat hij zestien werd tekende hij een verbintenis als kanonnier bij het 3e regiment vestingartillerie in Nijmegen. In 1861 was de voluntair Scherer inmiddels opgeklommen tot tweede luitenant. Na een detachering bij de stapel- en constructiemagazijnen in Delft werd hij in 1873 benoemd tot lid van de Commissie van Proefneming. Hij zou er in totaal zes jaar verblijven waarvan enkele jaren in de kapiteinsrang. Een ervaring die hij zijn leven lang meedroeg. Van Ermel Scherer in 1913: ‘De artillerie was in vroeger tijden, en is ook nu nog steeds, eene kunst, welke op degelijke kennis van wis-, natuur-, schei- en werktuigkunde berust, alsmede op uitgebreide bekendheid met de algemeene militaire wetenschap’. Pionierswerk verrichtte hij met de commissie op het gebied van de beproeving van de eerste achterlaadkanonnen, zoals de 8 cm Brons en 12 cm Kort waarvoor hij een in hoogte verstelbaar speciaal affuit ontwierp en dat in 1878 bij de Wereldtentoonstelling in Parijs in de prijzen viel. Hij stond aan de wieg van de eerste tijdbuizen voor granaatkartetsen en de invoering van de stalen vuurmonden 12 cm, 15 cm en de 24 cm voor kustforten. Ook nieuwe soorten buskruit waren ontwerp van beproeving waarvoor hij internationale erkenning kreeg. Graag vertelde hij de anekdote dat een Duitse collega hem eens vertelde bij de selectie van een bepaald buskruit voor het 30 cm kanon: ‘Ja, wenn die Hollander es nehmen, können wir es ruhig auch nehmen’. Scherer verkeerde bij de commissie in goed gezelschap. De internationaal vermaarde artilleriewetenschapper kapitein Willem Ch. Hojel was enige jaren een inspirerende voorzitter.

Een reizend bestaan

Zijn technische kwaliteiten bleven niet onopgemerkt. In 1879 kwam de kapitein te werken op de IV-Afdeling (Artillerie) van het Departement van Oorlog. Aanvankelijk bij het bureau technische zaken maar zeven jaar later als waarnemend hoofd. In die tijd speelde de inrichting van pantserforten langs de Nederlandse kust. Met onder meer de genieluitenant Cornelis J. Snijders (1852-1939), de latere Opperbevelhebber Land- en Zeemacht tijdens de mobilisatie van ’14-‘18, maakte hij vele dienstreizen om kennis over gepantserde geschutskoepels op te doen bij fabrieken in het buitenland. Hij bezocht in Duitsland beproevingen bij Krupp en Grusonwerk nabij Maagdenburg waar pantserkoepels en 30 cm geschut waren besteld. Hij verbleef geruime tijd in Boekarest waar ten behoeve van de bouw een gepantserde gordelvesting rond de stad vergelijkende schietproeven werden uitgevoerd op koepels van Gruson en het Franse Schneider & Cie. Zijn expertise op dit gebied was alom gevraagd en hij raakte bevriend met hoge buitenlandse officieren waarvoor hij een groot aantal onderscheidingen als dank kreeg opgespeld. Zo was hij Ridder van de Orde van de Dannebrog (1882, Denemarken), Ridder van de Orde van St. Mauritius en Lazarus (1883, Italië), Officier van de Orde van de Kroon (1886, Roemenië), Ridder 1e klasse van de orde van Militaire Verdiensten (1886, Spanje), Ridder van de Orde van Leopold (1887, België), Ridder van de 2e klasse van de Orde van St. Stanislaus (1889, Rusland), Officier van de Orde van de Italiaanse Kroon (1890, Italië) en Officier in de Orde van het Legioen van Eer (1891, Frankrijk). Ook werd hij in 1883 nog Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 1891 keerde Scherer als majoor terug naar de troep. Het verblijf bij het 1e regiment vestingartillerie te Utrecht was van korte duur. Tot 1895 functioneerde hij in de rang van luitenant-kolonel als chef-staf van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Hij werd vervolgens kolonel-regimentscommandant in Utrecht om in 1898 als generaal-majoor in Den Haag het commando te verkrijgen over de Nederlandse vestingartillerie waar hij zich met name inzette om het geschut mobieler te laten optreden. Twee jaar later combineerde hij de functie met dat van gouverneur der Residentie wat vele ceremoniële verplichtingen met zich meebracht. Een hoogtepunt waren ongetwijfeld de festiviteiten ter gelegenheid van de geboorte van Prinses Juliana op 30 april 1909.

Inspecteur-Generaal

In 1902 werd Van Ermel Scherer verheven tot luitenant-generaal en benoemd tot Inspecteur der Artillerie. Hij was verantwoordelijk voor de invoering van het in 1904 na vele beproevingen geselecteerde 7,5 cm Krupp snelvuurgeschut (7-Veld). Op zijn vijftigste dienstjubileum werd hij bevorderd tot Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw. Bij zijn al rijke medailleschat volgde nog het Grootkruis van de Heiligenschatten (1906, Japan) en het Ridderschap van de Rode Adelaar (1907, Pruisen). Bij een reorganisatie kreeg hij in 1908 een promotie tot ‘Inspecteur-Generaal’ toegewezen. Een functie die al in 1814 in het leven was geroepen maar sinds 1837 niet meer was gevuld. Omdat hij daarin rechtstreeks verantwoording aflegde aan de Minister en alleen via hem opdrachten ontving plaatste deze functie hem feitelijk buiten de Artillerie. De lopende artillerieaangelegenheden werden afgedaan door de Inspecteurs van de Rijdende en Vestingartillerie. Van Ermel Scherer diende vervolgens in 1909 na een lange carrière van 53 jaar zijn ontslag in. De functie van Inspecteur-Generaal bleef verder ongevuld en verviel definitief. Vanaf 1921 was er nog maar sprake van één Inspecteur voor de gehele Artillerie.

Kustverdediging

In 1910 werd in de Tweede Kamer een wetsontwerp behandeld over de inrichting van de kustverdediging. Generaal b.d. Van Ermel Scherer voelde zich genoodzaakt de pers te benaderen om te wijzen op tekortkomingen. Hij liet zelfs een boekje drukken met het verweer waarin hij inzette op vier punten. Ten eerste achtte hij een termijn van 8 jaar voor de realisatie veel te lang en voorts vond hij slechts vier, inmiddels zwaar verouderde, pantserschepen bij de Marine voor bewaking en beveiliging van de kust volstrekt onvoldoende. Verder was hij een fel tegenstander van het voornemen marinepersoneel het geschut in de pantserforten te laten bedienen waardoor de kustartillerie zou verdwijnen. ‘Evenmin als men een generaal vlootvoogd zal maken’ bracht hij als argument dat wanneer een dergelijk fort door een vijand moest worden genomen dit altijd vanaf land zal geschieden en artilleristen waren opgeleid en getraind in het landoptreden. Tot slot meende hij dat er voor de verdediging van de Westerschelde er aan beide zijden een pantserfort nodig was in plaats van slechts één aan de noordzijde. In feite was dit alles een oproep aan de Regering om meer financiële middelen uit te trekken voor de landsverdediging. Een appèl die ook zijn zoon Herman later zou herhalen. Gedreven door verdere bezuinigingen werd het plan voor de kustverdediging echter ingekrompen om eindelijk helemaal niet door te gaan. In 1913 was namelijk slechts besloten tot de bouw van één nieuw fort bij Vlissingen en een verbetering van het geschut bij een aantal bestaande forten. Maar ook dit plan werd al na het einde van de Eerste Wereldoorlog stilgelegd omdat de gedachte was dat Engeland ook bij een volgend conflict wel de Nederlandse kuststrook zou beschermen.

Zoon Herman

Herman van Ermel Scherer trad in 1896 via de Artillerie-cursus in Delft toe tot het officierskorps. Hij volgde het pad van zijn vader. Ook hij was als vrijwillig kanonnier bij de vestingartillerie zijn militaire loopbaan begonnen. In 1902 kwam de luitenant bij het 2e regiment veldartillerie in Den Haag. Vier jaar later werd hij toegelaten tot de Hogere Krijgsschool (1906-1909) waar hij nauw bevriend raakte met medecursist luitenant artillerie Jhr. Willem Roëll (1873-1958). Na de cursus keerde hij terug naar zijn regiment waar hij werd aangesteld als adjudant van de regimentscommandant. Vervolgens kwam de gebrevetteerde luitenant bij de Generale Staf onder generaal Snijders die nog met zijn vader had gediend. Tijdens de mobilisatie was hij batterijcommandant bij de 3e batterij vestingartillerie in Naarden. In 1916 vertrok de kapitein naar de staf van Stelling van Den Helder.

De Krijgsschool

Zijn militair-strategisch inzicht leidde in 1918 tot het leraarschap bij de Hogere Krijgsschool, hetgeen hij maar liefst zes jaar zou vervullen. Daarna kwam hij als majoor kort bij de staf van het 7e regiment veldartillerie in Bergen op Zoom waarna hij vervolgens naar het 6e regiment in Leiden trok om eind 1926 als overste terug te keren bij de Generale Staf. Daar werd hij directeur van de Etappen-en Verkeersdienst. Dit stafonderdeel bestond uit de spoorweg- en vaartuigendienst, de motordienst en verbindingsdienst. Op de Krijgsschool had hij al eens een studie uitgevoerd naar de spoorverbindingen met Duitsland en Frankrijk. Van 1928 tot 1932 zwaaide de enigszins nors ogende Van Ermel Scherer eerst als overste en later als kolonel zelf de scepter over de Krijgsschool. Hij werd beschouwd als talentvol en kundig maar stond ook bekend om zijn nerveus gedrag en driftbuien. Zijn dienststaat vermeldde bij de functie van directeur ‘geeft les in landsverdediging en strategische oefeningen op kaart’. Aan het eind van zijn termijn kwam hij in conflict met één van zijn ondergeschikten, leraar Taktiek kapitein Adriaan Q. H. Dijxhoorn. Deze zeer ambitieuze op de Franse krijgsschool gevormde docent bracht een voorstel in om de leergangen tactiek en stafdienst samen te voegen onder één faculteit. Het hoofd ervan zou tevens de Directeur kunnen ontlasten in diens docerende taken. Van Ermel Scherer, zelf leraar Stafdienst geweest, zag hier niet veel in. Hij moest bovendien niets hebben van de Franse gedachte dat stafdienst ondergeschikt was aan tactiek. De Nederlandse Krijgsschool was op de Duitse leest geschoeid waarin het aanleren van de beginselen van de stafdienst (commandovoering) juist hoog in het vaandel stond omdat dat officieren aanzette tot een breed georiënteerde ontwikkeling. Bij zijn afscheid van de Krijgsschool werd de artillerist Van Ermel Scherer nog geprezen omdat hij zich niet beperkte tot puur technische aangelegenheden maar ook oog had voor andere aspecten van het militair optreden. Ook had hij zich steeds hard gemaakt voor een beter carrièrepatroon van de gebrevetteerden. Zijn opvolger nam het voorstel van Dijxhoorn wel (gedeeltelijk) over. Tijdens het 125-jarig jubileum van de Generale Staf in 1939 gaf Van Ermel Scherer in zijn herdenkingstoespraak nog eens aan hoe hij de rol van de gebrevetteerde officier zag: ‘dat de Nederlandsche Generale Staf zal blijven de krachtige en betrouwbare stille werker en waker voor de onafhankelijkheid van het Nederlandsche Volk onder de wijze leiding van het doorluchtige Huis van Oranje’. Dijxhoorn werd dat jaar aangesteld als Minister van Defensie.

H.A.F.G. Van Ermel Scherer (1875-1947), NMM.
H.A.F.G. Van Ermel Scherer (1875-1947), NMM.

In 1932 werd Van Ermel Scherer bevorderd tot generaal-majoor. In Breda aanvaardde hij het commando over de III-Divisie en tevens het territoriaal commando Derde Militaire Afdeling dat de zuidelijke provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg omvatte. Het toenmalige Veldleger dat onder commando kwam te staan van de inmiddels tot luitenant-generaal bevorderde Roëll bestond wat de manoeuvre betreft uit vier divisies en een lichte brigade. De divisies waren gelijkvormig samengesteld uit op dat moment nog twee infanteriebrigades en een artilleriebrigade. In juli 1934 overleed Prins Hendrik onverwachts. Divisiecommandant Van Ermel Scherer roemde in een ingezonden stuk in het Dagblad van Noord-Brabant de bescheidenheid van ‘de mensch Prins Hendrik’ en diens ruime belangstelling en steun. Hij herinnerde aan de ongedwongen ontvangsten in Oldebroek die zijn vader als Inspecteur der Artillerie begeleidde en zijn werkzaamheden voor het Rode Kruis toen hijzelf in het hoofdbestuur zat.

Comité voor Nationale Veiligheid

Van Ermel Scherer vestigde zich in het dorp Ginneken bij Breda. In november 1934 bereikte hij als luitenant-generaal na 41 dienstjaren zijn pensioen, maar hij bleef actief in het etaleren van zijn militaire inzichten. Hij schreef in een tijd van oplopende internationale spanning in opiniestukken over de strategische positie van Nederland in een toekomstig conflict met grootmachten; een boodschap gericht tegen de neutraliteitspolitiek die hij ook in lezingen verkondigde, vaak ondersteund met landkaarten. Het was voor hem duidelijk wat het belang van de verovering van Nederland was voor een toekomstige agressor: ‘Degene die meester is in ons land [Duitsland] heeft de grensverdediging der tegenpartij [Frankrijk] overvleugeld of omtrokken’. In dat geval zullen de zuidelijke provincies in tegenstelling tot in de Eerste Wereldoorlog strijdtoneel worden. Mocht Engeland in de oorlog worden betrokken dan was het snel overmeesteren van de Nederlandse vliegvelden en havens voor de vijand van groot operationeel belang. Daarnaast had volgens hem in Zuidoost Azië Nederlands-Indië met haar olievoorraden een sleutelpositie in een oorlog met Japan. In oktober 1934 werd in Eindhoven een ‘Comité voor Nationale Veiligheid’ opgericht op initiatief van de eveneens in Ginneken woonachtige reserve-kolonel der Huzaren Hans W. Ch. E. Mathon. Dit Comité, onder voorzitterschap van de uit Tilburg afkomstige generaalszoon prof. dr. Jan E. de Quay, moest een landelijke lobbyorganisatie worden. Het had tot doel een tegenwicht te vormen tegen het heersende antimilitarisme en de bezuinigingsdrang op de strijdmacht een halt toe te roepen teneinde ‘de geestelijke en daardoor militaire weerbaarheid van het Nederlandsche Volk te verhogen’.

Directeur HKS, 1930, NIMH.
Directeur HKS, 1930, NIMH.

Met De Quay en Mathon trok Van Ermel Scherer het land in om overal waar mogelijk de boodschap te verkondigen. Ook sprak Van Ermel Scherer op de radio om nog meer publiek te bereiken en liet hij brochures drukken. Hij wees dan veelvuldig op de in zijn ogen benodigde legervorming en -organisatie met de hieraan gekoppelde noodzakelijke industriële voorbereiding. Vanaf dat hij leraar op de Krijgsschool was had hij dit al bepleit. Ook de vroegtijdige inrichting van de hogere bevelvoering was van belang. Hij verzette zich tegen het heersende standpunt dat de acterende Chef Generale Staf (zoals in 1914 en later ook weer in 1939) of Commandant Veldleger bij de mobilisatie het opperbevel kreeg. Hij voorzag dat in een toekomstige oorlog een deel van de Nederlandse strijdmacht onder leiding van een luitenant-generaal zal opereren in bondgenootschappelijk verband onder een buitenlandse commandant. De oorlogsvoorbereiding moest in Nederland worden aangestuurd door een al in vredestijd aangestelde ‘opperbevelhebber van ’s Rijks weermacht’ als ‘Legerinspecteur’, liefst in de rang van veldmaarschalk [thans de rol van de CDS, een vier sterrengeneraal]. Op het hoogste politieke niveau wenste hij verder de instelling van een ‘oppersten defensieraad’ onder voorzitterschap van de minister-president. Met voortvarendheid moest worden voortgebouwd op enkele initiatieven die al voor de Eerste Wereldoorlog waren ingezet, zoals het bij mobilisatie versneld oproepen van een groot aantal dienstplichtigen. Hij was ervan overtuigd dat in 1914 het Duits opperbevel met het Schlieffenplan de aanval op Frankrijk anders via Limburg had laten verlopen.

De wederopbouw van ons Leger

De lichtingen dienden dan wel al in vredestijd bij het oorlogsonderdeel te zijn geoefend. Zijn in tien afzonderlijke delen in de Militaire Spectator verschenen betoog ‘De wederopbouw van ons Leger’ was hij in 1936 begonnen met een citaat van premier Colijn, toen tevens waarnemend Minister van Defensie: ‘We hebben geen leger, we beginnen eerst met mobilisatie er een te vormen’. Van Ermel Scherer vergeleek dit met het bouwen van een huis: ‘door de baksteenen op elkaar te stapelen zonder metselspecie er tusschen en met mooi afgewerkte binten. Het zal bij den eersten windstoot instorten. En als dan nog de baksteenen onvoldoende lang gebakken zijn!’

Herdenking Mathon, mi Van Ermel Scherer, re De Quay, 1939, Nationaal Archief.
Herdenking Mathon, mi Van Ermel Scherer, re De Quay, 1939, Nationaal Archief.

Met zakelijke argumenten toonde hij aan dat de klassieke versterkte vestingen en stellingen niet meer voldeden aan het moderne beweeglijke gevecht. Om een vijand effectief te kunnen weerstaan waren er met name op het divisieniveau wijzigingen nodig en moest er tevens geïnvesteerd worden in de vloot en luchtmacht. Het Veldleger met vier volwaardige Legerkorpsen moest naar de denkbeelden van Ermel Scherer kunnen beschikken over een sterke en mobiele lichte divisie met naast wielrijders bereden cavalerie en bewapende ‘vechtwagens’ – op de Krijgsschool was juist de samenstelling van deze divisie een veel gekozen studieopdracht – en enkele infanterieregimenten als legerreserve. Een aanzienlijke uitbreiding van de Artillerie op het divisie- en het legerkorpsniveau, zowel in kwantitatief als kwaliteit oogpunt, was randvoorwaardelijk. Hij was voorts voorstander van de oprichting van een centraal commando voor de luchtverdediging waarbij hij wel van oordeel was dat Commandant Veldleger zeggenschap moest hebben over op land opererende jachtvliegtuigen. Van Ermel Scherer sloot zijn epistel in 1937 met enig optimisme af: ‘Met als Minister-President [Colijn] de man, die voor 1914 als eisch stelde “alle oorlogsonderdeelen moeten in vredestijd bestaan”, met als Minister van Defensie [ J.J.C. van Dijk] de man, die in 1923 wist te redden wat er te redden was en die een oorlogs- en vredesorganisatie tot stand bracht, die nog als basis kunnen dienen voor de hoog noodige verbetering, hebben we alle hoop te komen tot een Nederlandsch stelsel van legervorming en legerorganisatie, opgebouwd op wetenschappelijke basis en niet op overwegingen van binnenlandsche politiek’. Het kwam uiteindelijk allemaal te laat. Vele jaren van afbreuk konden niet in een korte tijd ongedaan worden gemaakt. Het nog nauwelijks geoefende leger was geen partij tegen een met modern materieel uitgeruste en in de strijd ervaren opponent. Voor het Duits opperbevel was uiteindelijk de verovering van Nederland in mei 1940 noodzakelijk voor de strijd tegen Engeland. De Franse linies zouden worden omtrokken via de Belgische Ardennen.

Luchtverdedigingskring

Van Ermel Scherer was nog niet met pensioen of hij werd al gevraagd om commandant van de Luchtverdedigingskring Amsterdam te worden. Dit was één van de vijf regionale commandocentra, geleid door gepensioneerde opper- en vlagofficieren, van waaruit de vrijwillige luchtafweer werd opgebouwd en voor de bevolking zichtbaar beoefend teneinde in tijd van oorlog effectief te kunnen worden ingezet. De andere kringen waren Utrecht-Soesterberg, Rotterdam-Den Haag, Den Helder en Vlissingen-Veere. In 1936 werd het Comité voor Nationale Veiligheid omgezet tot een Vereniging. Mathon c.s. stortten zich in samenwerking met het bedrijfsleven vol overgave op de uitbreiding van de vrijwillige regionale luchtafweerafdelingen en kwam er, naast het al bestaande Landstormkorps Luchtwachtdienst, een Vrijwillig Landstormkorps Luchtafweerdienst tot stand. In november 1938 werd een overkoepelend Commando Luchtverdediging opgericht onder leiding van generaal-majoor der Artillerie Piet W. Best. Enige weken later overleed Mathon plotseling en nam Van Ermel Scherer zijn voortrekkersrol over. Voor Amsterdam brachten bedrijven en particulieren een miljoen gulden bijeen om 4 cm (Bofors) geschut voor vijf batterijen aan te kopen die gepositioneerd moesten worden langs het IJ en de Amstel. Iedere batterij bezat dan 3 stukken geschut. Dit als aanvulling op het 7,5 cm (Vickers) luchtdoelgeschut met bijbehorende zoeklichten dat het Leger inzette voor de beveiliging van alleen de militaire objecten. Van Ermel Scherer opende in Zaandam alvast nieuwe barakken voor de legering van het personeel. In februari 1940 vonden in Amsterdam diverse incidenten plaats met onontplofte granaten die door daken naar beneden waren gekomen. Het luchtdoelgeschut kwam toen ’s nachts daadwerkelijk in actie op onbekende vliegtuigen die de Nederlandse neutraliteit schonden. Van Ermel Scherer verklaarde dat een spontane ontploffing niet is uitgesloten maar dat de kans daarop uiterst gering was. De munitiedeskundigen van Hembrug haalden de munitie op om het onschadelijk te maken. Vanwege de oorlogsomstandigheden stagneerde de levering van het nieuwe geschut. Uiteindelijk bleef het in mei 1940 in Amsterdam bij slechts één batterij 4 cm en 27 stukken lichter 2 cm (Oerlikon) geschut die ook dienst konden doen als anti-tank.

In september 1939 volgde na de oorlogsverklaring van Engeland en Frankrijk vanwege de Duitse inval in Polen ook voor Nederland de mobilisatie. Na een onoverbrugbaar conflict met de Opperbevelhebber Land- en Zeemacht generaal Izaäk H. Reijnders over onder meer de inrichting van de landsverdediging vroeg minister Dijxhoorn begin februari 1940 de zes jaar eerder gepensioneerde oud-generaal Henri G. Winkelman, toen commandant van de Luchtverdedigingskring Utrecht, het bevel over te nemen. Deze verzocht een nacht bedenktijd. Winkelman was destijds immers tot groot ongenoegen nog voor de functie van Chef Generale Staf gepasseerd ten gunste van de jongere Reijnders. Op 1 mei 1940, negen dagen voor de Duitse aanval op Nederland, nam generaal Van Ermel Scherer afscheid bij de Luchtverdedigingskring en trok zich terug uit het openbare leven.

Ginneken

In Ginneken wierp hij zich tijdens de Duitse bezetting op stadshistorische onderwerpen en was lid van een plaatselijk comité dat de annexatie van het dorp door Breda (vergeefs) probeerde tegen te houden. In 1946 ondertekende Van Ermel Scherer met oud-generaal Karel E. Oudendijk en andere hoge officieren als ‘soldaten van het oude leger’ nog een petitie gericht aan de Koningin. Men was bevreesd over de leiding van de opbouw van het leger na de bevrijding waarin voor de gevestigde ervaren orde geen plaats meer leek te zijn. Het geheel moest dan volgens de ondertekenaars weer onder de ‘beproefd vakkundige leiding’ van de inmiddels wederom gepensioneerde generaal Winkelman komen. Van een tweede keer terugkeren in actieve dienst zou geen sprake meer zijn.

Herman Van Ermel Scherer overleed op 22 april 1947 op 71-jarige leeftijd en werd onder grote belangstelling begraven in zijn geboortestad Den Haag. Generaal Roëll roemde de militaire carrière van zijn vriend en sprak een laatste vaarwel. Hij was getrouwd met Maria Barendina Verschoor (1878-1958), een burgemeestersdochter uit Sleeuwijk. Samen kregen ze een dochter en een zoon die dezelfde initialen kreeg als grootvader Van Ermel Scherer. De generaal was naast Ridder in de Orde van Oranje Nassau (1923) en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1934), Officier in de Orde van het Legioen van Eer (1931, Frankrijk), Commandeur 2e klasse van de St. Olaf Orde (1931, Noorwegen), Commandeur 2e klasse Zwaardorde (1931, Zweden) en Commandeur van de Orde van de Witte Leeuw (1932, Tsjecho-Slowakije). Onderscheidingen die hij door internationale contacten had verkregen tijdens zijn directeurschap van de Krijgsschool.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB