Van HT2 naar HT1: de doorontwikkeling van het FST

Van HT2 naar HT1: de doorontwikkeling van het FST

Enkele jaren geleden is opdracht gegeven om de inrichting en inzet van de vuursteuncapaciteit binnen de Landmacht opnieuw tegen het licht te houden. In juli 2025 heeft het Defensie Expertise Centrum Joint Fires Support (DECJFS) hiervoor het rapport ‘FST-evaluatie’ opgeleverd. De conclusies uit dit rapport vormen de basis voor de volgende stap: het toekomstbestendig maken van het FST.

Laat er geen twijfel over bestaan: de evaluatie bevestigt dat de basis van het huidige FST concept sterk is. Geïntegreerde vuursteunteams hebben hun operationele waarde ruimschoots bewezen. De evaluatie gaat daarom niet over de vraag óf FST’s noodzakelijk zijn, maar over de vraag hoe deze capaciteit moet worden ingericht om aan te sluiten op het huidige optreden van Defensie. De krijgsmacht richt zich steeds nadrukkelijker op Hoofdtaak 1 (HT1), optreden in een grootschalig conflict tegen een gelijkwaardige tegenstander. Het FST-concept zoals we deze nu kennen is echter ontwikkeld in een periode waarin de nadruk lag op Hoofdtaak 2 (HT2), handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit. Deze verschuiving vraagt meer dan aanpassingen aan de randen. Het vraagt om andere keuzes in capaciteit, gereedstelling en inzetwijze, passend bij een gevecht waarin beschikbaarheid van middelen, tempo van optreden en overlevingsvermogen fundamenteel anders zijn dan in de operaties waarvoor het FST concept oorspronkelijk is ontworpen.

Een ander gevecht vraagt om een andere inrichting

Het huidige FST-concept is grotendeels ontwikkeld in een periode waarin luchtsteun relatief beschikbaar was en vuursteun sterk compagniegebonden werd georganiseerd. Binnen HT1 verandert dat uitgangspunt fundamenteel. Het gevecht vindt plaats onder voortdurende dreiging van detectie en langeafstandsvuur, terwijl elektronische verstoring en een betwist luchtruim het optreden verder compliceren. Luchtmiddelen zullen beperkter beschikbaar zijn en inzet voor deep operations en het gevecht op hoger niveau zal worden geprioriteerd. Daarmee verschuift ook het zwaartepunt binnen de vuursteunketen.

De evaluatie laat zien dat binnen HT1 de nadruk sterker komt te liggen op doelopsporing en het snel verbinden van sensoren aan effecten. Dat vraagt om een flexibeler systeem, waarin capaciteit niet automatisch per compagnie wordt georganiseerd, maar gericht wordt ingezet waar deze operationeel het meeste effect oplevert.

Daarmee verandert ook de inrichting van verschillende capaciteiten binnen de keten. De rol van JTAC’s blijft belangrijk, maar de benodigde capaciteit verschilt nadrukkelijk per brigade en type optreden. Waar 11 Luchtmobiele Brigade vanwege haar optreden afhankelijk blijft van een grotere JTAC-capaciteit, ontstaat bij 13 Lichte Brigade en 43 Gemechaniseerde Brigade ruimte om capaciteit anders te verdelen.

Ook de rol van de Forward Observer verschuift nadrukkelijker terug naar de kern van het vak: doelopsporing, vuurleiding en het verbinden van sensoren aan effecten. Waar binnen HT2 het optreden vaak sterk compagniegebonden was en capaciteit regelmatig breder werd ingezet, vraagt HT1 om een grotere focus op operationele inzet binnen de vuursteunketen en ondersteuning van deep operations. Brigadeverkenningseenheden worden daarbij nadrukkelijker gekoppeld aan vuursteuncoördinatie en effectlevering.

Van HT2 naar HT1: de doorontwikkeling van het FST

Daarnaast laat de evaluatie zien dat de huidige brigade-JFSCC’s onvoldoende zijn ingericht voor het coördineren van de deep fight. Het moderne gevecht vraagt om een hogere verwerkingssnelheid tussen detectie en effect, binnen een omgeving waarin commandoposten zichtbaar, kwetsbaar en voortdurend onder druk staan en moeten functioneren.

Gereedstelling als operationele randvoorwaarde

De evaluatie bevestigt niet alleen dat het gevecht verandert, maar maakt ook zichtbaar dat de huidige gereedstelling van de vuursteunketen onder druk staat. Versnipperde vulling en beperkte materiële inzetbaarheid raken de geoefendheid van de gehele keten. Daarbij komt dat capaciteit voortdurend wordt verdeeld over opleidingen, oefeningen, uitzendingen en dagelijkse inzet, waardoor collectieve training structureel onder spanning staat.

Het gevolg is dat afzonderlijke delen van de capaciteit vaak wel inzetbaar zijn, maar dat het steeds moeilijker wordt om de vuursteunketen als samenhangend geheel gereed te stellen voor optreden binnen HT1. De evaluatie onderstreept daarom de noodzaak van meer centrale regie op gereedstelling en inzet van vuursteuncapaciteit. Niet om capaciteit verder te centraliseren, maar om schaarse expertise gerichter te kunnen inzetten en collectieve geoefendheid beter te kunnen opbouwen.

Tegelijkertijd laat de evaluatie bewust ruimte voor verdere ontwikkeling. Nieuwe middelen, waaronder UAS-capaciteit, ontwikkelen zich sneller dan organisatiestructuren kunnen volgen. Definitieve structuurkeuzes maken op basis van een technologie die nog volop in ontwikkeling is, zou leiden tot een organisatie die achterloopt op het moment dat zij gereed is. Daarom is gekozen voor een richting die voldoende ruimte laat om mee te bewegen.

Hoe nu verder

De komende periode staat in het teken van het vertalen van de evaluatie naar concrete keuzes. De evaluatie kiest nadrukkelijk voor een groot deel VTE-neutrale oplossingen, onder andere door herverdeling van capaciteit, andere inzet van bestaande functies en het gerichter organiseren van vuursteun binnen brigades.

Tegelijkertijd is een deel van deze ontwikkeling in de praktijk al zichtbaar. Door de huidige personele vulling en de gewoonte om capaciteit pragmatisch in te zetten, worden op verschillende plaatsen binnen de organisatie al werkwijzen toegepast die aansluiten op de richting van de evaluatie (denk aan de reeds geplaatste korporaal-chauffeur die de vacature van de C-FST doet vergeten). De evaluatie formaliseert daarmee voor een deel een ontwikkeling die binnen de praktijk van het optreden al zichtbaar is.

Momenteel bevindt het traject zich in de afrondende voorbereidingsfase. Het streven is om voor de zomer besluitvorming te verkrijgen op de voorgestelde richting, zodat begin 2027 kan worden gestart met de uitvoering. Die uitvoering zal gefaseerd plaatsvinden en nauw worden afgestemd met de betrokken eenheden, opleidingen en kenniscentra. De kern van de evaluatie blijft daarbij leidend: niet het in stand houden van een structuur zoals die was, maar het ontwikkelen van een vuursteunorganisatie die aansluit op de manier waarop de Landmacht daadwerkelijk moet kunnen optreden. De evaluatie markeert daarmee geen optimalisatie van het bestaande concept, maar de overgang naar een inrichting voor het moderne gevecht.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB