Vechten met Vuur binnen de brigade: Counter Battery Fires (CBF)

In de artikelenreeks “Vechten met Vuur binnen de brigade” worden de generieke taken van de afdeling artillerie toegelicht. In het vorige artikel, gepubliceerd in de Sinte Barbara van december 2023, zijn de diepe vuren uitgewerkt. Dit artikel is het tweede in een rij van drie. Het behandelt de taken van de brigadestaf in de uitvoering van operaties. Hierbij wordt t.b.v. Counterbattery Fires (CBF) ook een rol van de brigadestaf onderkend. De oorlog in de Oekraïne laat zien dat CBF zeer relevant is voor het behoud van vrijheid van handelen en beschermen van gevechtskracht. CBF kan pro-actief en reactief worden uitgevoerd. De aspecten van beide worden behandeld. Net als de inzet van de Counterbattery Cell en het belang van een goed werkend C4I-systeem.

Taken brigadestaf

Zorgen voor de randvoorwaarden voor succes van de sub-eenheden is een impliciete taak van de brigadestaf. Specifiek voor de gevechtsbataljons betreft dit de verantwoordelijkheid het optreden van de tegenstander te verstoren en zijn middelen te slijten voordat zijn (gevechts-) eenheden in contact komen met de eigen gevechtsbataljons. Voor alle sub-eenheden heeft het brigadeniveau de zorg voor behoud van het voortzettingsvermogen in de zin van geneeskundige afvoer en logistieke ondersteuning. Verder is de brigadestaf verantwoordelijk voor regelingen betreffende het vrij en beschikbaar houden van de Lines of Communications in het brigadevak. Ook het beschermen van de gevechtskracht van de brigade en behoud van vrijheid van handelen is een taak van het brigadeniveau. Inzet van vijandelijke vliegtuigen, helikopters, mortieren, en vuurmond- en raketartillerie vormen een dreiging tegen beide. Counterbattery Fires is een taak voor de afdeling artillerie om deze dreiging van vijandelijke mortieren en vuurmond- en raketartillerie te bestrijden.

Counterbattery Fires

Project Taurus. De integratie van de 43e Gemechaniseerde Brigade in de 1.Panzerdivision in 2016, met de gelijktijdige oprichting binnen die brigade van het binationale Panzerbataillon414. Het doel was het behoud van essentiële kennis op het gebied van tankoptreden na het opheffen van de laatste Nederlandse tankeenheden in 2011.

Grondwapensysteembestrijding of Counterbattery Fire is het afgeven van vuren die vernietiging of neutralisatie van het vijandelijke vuursteunsysteem tot doel heeft. Het vijandelijk vuursteunsysteem omvat mortieren en vuurmond- en raketartillerie inbegrepen essentiële elementen die het gebruik van deze bestrijdingsmiddelen mogelijk maken. Zoals commandoposten, (gekoppelde) doelopsporingsmiddelen, vuurleidings- en vuurregelcentra en de logistiek die zich bezig houdt met de munitiebevoorrading. In het algemeen richt de inzet van CBF zich op de middelen uit het vijandelijke vuursteunsysteem waarvan de grootste dreiging uitgaat. De uitvoering van CBF vindt reactief en pro-actief plaats.

Reactieve CBF is het directe antwoord op het gebruik van vijandelijke indirecte grondwapensystemen. De doelopsporing vindt plaats door de bij de afdeling artillerie ingedeelde Multi Missie Radar (MMR), al dan niet in combinatie met een akoestische sensor. Een rechtstreekse koppeling aan een vuurregelcentrum van een vuurmondpeloton of raketpeloton garandeert een zeer korte reactietijd voor de bestrijding van de vijandelijke mortier-, vuurmond- of raketsysteem/eenheid. De reactietijd kan verder worden bekort door de MMR rechtstreeks te koppelen aan de vuurmonden of raketlanceerinrichtingen van een vuureenheid. Het huidige vuursteuninformatiesysteem maakt dit echter nog niet mogelijk.

Op 30 maart 2023 werd op de thuisbasis van de 10.Panzerdivision in Veitshöchheim tijdens een ceremonie in het Slotpark de integratie van 13 Lichte Brigade geformaliseerd en telt daarmee als de eerste tastbare invulling van de Common Army Vision.

Pro-actieve CBF is de bestrijding van het vijandelijke vuursteunsysteem, of elementen daarvan, voordat deze vuur kan uitbrengen. Te denken valt aan vijandelijke doelopsporingsmiddelen en (artillerie)C2-elementen die gebruikt worden om zijn vuursteunmiddelen te richten en gericht in te zetten.

De doelopsporing vindt plaats met middelen die niet organiek tot de afdeling artillerie, maar tot het BVE of de ISTAR-module (toegevoegd aan de brigade) behoren. Het UAS-middel van de afdeling kan in combinatie met een EOV-peilstation van de ISTAR-module worden ingezet.

Voorwaarde voor succesvolle pro-actieve CBF is dat een vuureenheid van de afdeling artillerie near-real time over de doelinformatie beschikt. De succesvolle uitvoering van pro-actieve CBF verstoort het optreden van de vijand als geheel en vermindert de behoefte aan reactieve CBF. Pro-actieve CBF maakt het mogelijk dat de aandacht voor reactieve CBF wordt verlegd naar vijandelijke vuursteunsystemen die op een lager niveau worden ingezet.

Twee landmachten, één visie. De militaire samenwerking tussen Nederland en Duitsland anno 2023.

Commandovoering

Een goed uitgevoerd Land Targeting proces is de basis voor succesvolle uitvoering van pro-actieve CBF. Immers, pro-actieve CBF vereist een samenspel tussen sensoren van het BVE en ISTAR-module in een doelopsporingsrol (target acquisition) en de sensoren en bestrijding door de afdeling artillerie. Met name het EOV-element van de ISTAR-module is van belang om de UAS in een doelopsporingsrol gericht te kunnen inzetten. Om de uitvoering van het samenspel van de diverse sensoren en bestrijding door de afdeling artillerie gesynchroniseerd met het integrale brigadeplan te houden is een coördinerende rol van de brigadestaf vereist.

De brigadecommandant dient in zijn initiële richtlijnen aan te geven welke rol hij van pro-actieve CBF voorziet om vrijheid van handelen te behouden en zijn gevechtskracht te beschermen. Deze richtlijnen zijn de basis voor het stellen van prioriteiten aan de inzet van schaarse sensoren en bestrijders. Zijn uitspraak is richtinggevend voor de uitwerking door de brigadestaf die leidt tot het uiteindelijke besluit van de brigadecommandant. Dit besluit is vastgelegd in het bevel. In de romp van het bevel is in het Concept of Operations (ConOps) de integrale samenhang tussen manoeuvre, diepe vuren en CBF terug te vinden. In het Concept of Fire Support is vervolgens het raamwerk beschreven hoe de ingedeelde en toegewezen vuursteun van en aan de brigade wordt gebruikt.

Caracal Air Assault Vehicle. Op 10 juli 2023 tekende Duitsland en Nederland samen een contract voor de levering van 1500 nieuwe luchtverlaadbare wielvoertuigen vanaf 2025 voor de Division Schnelle Kräfte (1000 stuks) en de 11e Luchtmobiele Brigade (500 stuks).

Details voor diepe vuren en pro-actieve CBF zijn o.a. uitgewerkt in een tweetal producten, het ICP en de EGM. Het ICP is geheel en de EGM deels gebaseerd op de inschatting van de sectie G2 hoe de tegenstander optreedt. In deze producten is terug te vinden welk doel met welke prioriteit, waar, op welk moment en met welk beoogd resultaat wordt bestreden én welk middel de doelinformatie levert. Het ICP en de EGM zijn voor de brigadestaf leidend in de uitvoering en worden gebruikt om de uitvoering, indien nodig, bij te sturen. Deze producten geven een overzicht van de inzet van de schaarse middelen van de brigade om het brigadegevecht te beïnvloeden. Pro-actieve CBF verhindert de gecoördineerde en gerichte inzet van vijandelijke artilleriesystemen. Immers, zonder target acquisition systeem geen doelinformatie en zonder (artillerie)C2-systeem geen (gecoördineerde) overdracht van doelinformatie naar de bestrijdingsmiddelen. De UAS van de afdeling artillerie, de MMR en de akoestische sensoren zijn georganiseerd in een sensorpeloton dat is ingedeeld bij de hoofdkwartierbatterij.

De planning t.b.v. inzet van de MMR en akoestische sensoren wordt voornamelijk gedaan op brigadeniveau met specialistische kennis vanuit de afdeling. De inschatting van de sectie G2 van de brigade over het optreden van de tegenstander is ook de basis voor de inzet van de MMR en akoestische sensoren. De Counter Battery Officer (CBO) van de afdeling adviseert de afdelingscommandant m.b.t. inzet van het sensorpeloton tijdens het planningsproces. De S2 van de afdeling zal als SME op het gebied van vijandelijke vuursteun de Environment Cell van de brigade adviseren met betrekking tot het verwachte optreden van de vijandelijke vuursteun.

Kansen doen zich de komende jaren voor in de gezamenlijke verwerving van onder meer Leopard-2A8 gevechtstanks in het geval van de oprichting van een Nederlands tankbataljon, waarvoor een steeds luidere roep in het Nederlandse parlement te horen is.

Op basis van de analyse inzet vijandelijke vuursteun en het geplande eigen optreden worden een aantal zones voor de radar bepaald. Deze zones zijn bedoeld om de informatie die de radar oplevert te managen. Tevens is aan deze zones een volgorde van prioriteit van vuurafgifte gekoppeld.

Vanaf 1 juli 2022 hebben 150 militairen van de 11e Luchtmobiele Brigade, hoewel onder bevel gesteld van de DSK, een jaar lang een bijdrage geleverd aan de door Frankrijk geleide Battlegroup in Roemenië.

De Locating Zone (LZ) is het gebied dat bij een geactiveerde radar daadwerkelijk wordt afgedekt. In dit gebied worden doelen opgespoord die actief projectielen en raketten verschieten. Een LZ wordt op een oleaat weergegeven als een cirkel met een bepaalde radius of als een taartpunt. De LZ op zich geeft geen enkele prioriteit van opgespoorde doelen aan. Er zal dus altijd een analyse van de informatie plaatsvinden voor er tot bestrijding wordt besloten. Om direct tot bestrijding over te kunnen gaan wordt er binnen de LZ één of meerdere Engagement Zones (EZ) gepland.

De EZ zijn gepland op verwachte locaties van stellinggebieden van vijandelijke vuursteuneenheden. Informatie uit de EZ wordt omgezet in een Call For Fire (CFF), die vervolgens naar een vuur(steun)eenheid wordt verzonden.

De vergaande integratie met het Duitse Heer zal niet direct op alle niveaus merkbaar zijn. Onder het brigadeniveau zal het voor de eenheden niet tot veel verandering in het optreden leiden. Vanaf het brigadeniveau en daarboven zal de samenwerking echter steeds meer regel dan uitzondering worden.

De Critical Friendly Zone (CFZ) is een bijzondere zone. De CFZ is een gebied rond een eigen of vriendschappelijke eenheid of locatie die cruciaal is voor het slagen van de operatie. Bijvoorbeeld een doorschrijdingspunt bij een aflossing door voorwaartse of achterwaartse doorschrijding. Doorschrijdende eenheden moeten bij een doorschrijdingspunt in een vloeiende beweging kunnen verplaatsen om de uitvoering zo veel mogelijk volgens plan, gesynchroniseerd en gecoördineerd te laten verlopen. Inkomend artillerievuur is hier een enorme bedreiging voor, zeker als er door de doorschrijdende eenheden gebruik wordt gemaakt van kritische infrastructuur als een brug of een viaduct. Indien één of meerdere CFZ actief zijn wordt van ieder projectiel dat wordt opgespoord door de MMR een inschatting gemaakt waar het verwachte inslagpunt is (Point of Impact (POI)). Als dit inslagpunt, of POI, in een CFZ ligt dan wordt direct een CFF gegenereerd op de locatie waar het schot volgens de gegevens van de MMR vandaan kwam (Point of Origin (POO)). Om direct tot bestrijding over te kunnen gaan kan er in het vuursteuninformatiesysteem een directe link worden gemaakt tussen doelinformatie gerelateerd aan een CFZ en een vuureenheid. Dit om verspilling van tijd in de bestrijding te voorkomen.

Naast de zones die bedoeld zijn om CFF te genereren zijn er nog een drietal zones om de informatie die de radar oplevert te managen. De Acquisition Target report Zone (ATRZ) is een gebied dat de afdelingscommandant nauwlettend in de gaten wil houden. Elk schot dat in een ATRZ wordt gedetecteerd wordt met prioriteit gemeld, maar genereert geen CFF. Het draagt op deze manier bij aan de inlichtingenbehoefte, zoals weergegeven in het ICP. Een Censor Zone (CZ) is een gebied waaruit de MMR geen detecties rapporteert. Een CZ wordt gebruik om de belasting van de radar te beperken óf om blue-on blue-situaties te voorkomen doordat onbedoeld eigen vuursteuneenheden worden opgespoord en er een CFF wordt gegenereerd. Deze situaties doen zich voor als eigen vuur(steun)eenheden optreden binnen de LZ van de MMR.

De Inhibit Zone (IZ) is de laatste zone die wordt gepland, indien noodzakelijk. De IZ is een gebied waarin de radar niet mag zenden om eventuele onbedoelde neveneffecten van de radarstraling te voorkomen. Bijvoorbeeld de locatie van een ziekenhuis met gevoelige apparatuur op korte afstand.

Naast de zones waarin de radar zoekt zijn ook de locaties waar de MMR zijn Radarposities (RP) heeft van belang. Deze worden weergegeven d.m.v. Artillery Manoeuvre Area’s (AMA) of Artillery Reserved Area’s (ARA). Dit zijn gebieden waarin artillerie-eenheden optreden, zowel vuurmond- als raketeenheden als doelopsporingsmiddelen van de artillerie.

Met de weergave van AMA/ARA op het operatie-oleaat van de brigade geeft de brigadecommandant aan zijn ondercommandanten aan waar deze artillerie-middelen in hun vak kunnen verwachten. Locaties van zones en AMA/ARA veranderen tijdens de uitvoering van de operatie.

De akoestische sensoren zijn nog niet ingevoerd binnen de afdeling(en) artillerie. De verwerving van deze sensoren is op korte termijn voorzien. Akoestische sensoren dragen bij aan de bescherming van de MMR. De radar van de MMR geeft een duidelijk signatuur in het elektromagnetisch spectrum. Hierdoor is de inzet van de radar beperkt tot hooguit enkele minuten vanaf een bepaalde locatie. Inzet in combinatie met akoestische sensoren leveren initieel een beter beeld op voor gebruik van de radar. De akoestische sensor zend zelf niets uit en reageert op het geluid van vurende artilleriesystemen. De informatie van de akoestische sensor geeft op deze aan manier wanneer het radarblad actief kan gaan zenden om ballistische banen te volgen. Deze techniek van werken van de MMR in combinatie met akoestische sensoren wordt cueing genoemd.

Inzet Counterbattery Cell

De Counterbattery Cell (CBC) van het sensorpeloton is belast met plannen en uitvoeren van het verplaatsings- en zendschema van de MMRs, de inzet van akoestische sensoren en de UAS van de afdeling. Daarnaast heeft het CBC een coördinerende en cruciale rol in de analyse en verwerking van de door de sensoren gegenereerde informatie. Naast het genereren van CFF voor bestrijding van vijandelijke vuurmond- en raketsystemen is de CBC een belangrijke leverancier van informatie t.b.v. het inlichtingenproces van de brigade. Niet alleen dient de informatie uit de ATRZ doorgegeven te worden, ook de informatie uit de EZ en de POO gerelateerd aan de CZ zijn van belang. De informatie uit het Counter Battery gevecht draagt bij aan de Situational Awareness (SA) van de brigade.

De doelinformatie uit de EZ wordt via de CBC omgezet in een CFF en verstuurd naar het afdelingsvuurleidingscentrum. Ten behoeve van de bestrijdingssnelheid kan op basis van het bevel van de brigade een rechtstreekse koppeling zijn gemaakt tussen de CBC en een vuureenheid. Deze koppeling is zeker het geval indien een CFF wordt gegenereerd op basis van een CZ.

C4I

Een directe koppeling tussen het CBC en een vuureenheid of meerdere vuureenheden geeft een korte bestrijdingstijd, doordat vuurleiding van het afdelingsniveau buitengesloten wordt. Deze koppeling is er voor de gehele operatie of een fase van de operatie. Gedurende de directe koppeling tussen CBC en een vuureenheid of vuureenheden zijn de laatste niet beschikbaar voor vuuropdrachten van een hoger niveau, diepe vuren of vuren ter versterken van het optreden van de gevechtseenheden. Het huidige vuursteuninformatiesysteem is niet toegerust en onvoldoende flexibel om hierin te voorzien. Optreden van een afdeling artillerie met meerdere taken vereist een vuursteuninformatiesysteem dat grotere flexibiliteit in de vuurleiding van de afdeling biedt. Een dergelijk vuursteuninformatiesysteem, zo mogelijk ondersteunt door Artificial Intelligence (AI), sluit coördinerende elementen uit en geeft de afdeling flexibiliteit voor inzet van de vuureenheden.

Slot

Met de oprichting van een sensorpeloton binnen de afdeling artillerie heeft de brigade de capaciteit in huis om zijn gevechtskracht te beschermen en vrijheid van handelen te behouden. Een gerichte inzet van andere sensoren op brigadeniveau in de vorm van een BVE en ISTAR-module vergroot deze capaciteit. De brigadestaf heeft hierin de rol om prioriteiten te stellen en de uitvoering te coördineren.

In het volgende en laatste artikel in de driedelige reeks van “Vechten met Vuur” wordt de laatste generieke taak van de artillerie behandeld, het versterken met vuur van gevechtseenheden. Tevens worden hierin de vuurleidingsuitdagingen van de afdeling artillerie toegelicht.

Door: Lkol b.d. E.S. de Ronde, VustCo, DEC JFS

Op 28 november 2022 tekenden Commandant Landstrijdkrachten, luitenant-generaal Wijnen, en Inspekteur des Heeres, Generalleutnant Mais, de nieuwe visie op de samenwerking tussen beide landmachten, de Common Army Vision. Een visie, samengevat op slechts vier pagina’s, die aanstuurt op verregaande integratie en daarmee de koers bepaalt voor de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht in een tijd dat er na decennia van vrede weer oorlog in Europa woedt. Deze oorlog maakt gruwelijk duidelijk dat het landoptreden met manoeuvre, attritie en opstellingen niet iets uit het verleden is, maar doorslaggevend blijkt te zijn in het bepalen wie een oorlog wint of verliest.

 

De visie luidt daardoor een nieuwe en cruciale volgende fase in de ontwikkeling naar een inzetbare en toekomstbestendige Landmacht in, door het uitbouwen van de succesvolle samenwerking met onze Oosterburen. Een fase die er op de lange termijn aan moet bijdragen dat we samen onze operationele capaciteiten kunnen vergroten. Daarmee zetten beide landmachten de politieke wens om als voortrekker en als voorbeeld voor multinationale samenwerking binnen de EU en de NAVO op te treden. De hoofdinspanning is het maximaliseren van de interoperabiliteit tussen de beide landmachten om zo gezamenlijk een wezenlijke bijdrage aan de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied te kunnen leveren. In dit artikel zet de auteur uiteen hoe deze visie tot stand is gekomen, wat er in de visie staat beschreven en wil hij pogen mogelijk enkele zorgen weg te nemen.

Wat er aan de visie voorafging

De samenwerking tussen de Duitse landmacht (Heer) en de Koninklijke Landmacht stamt al uit de tijd van de Koude Oorlog en werd in beginsel vooral gekenmerkt door een gedeelde verantwoordelijkheid in het verdedigen van West-Europa tegen een eventuele aanval uit het Oosten. Destijds stonden de beide Landmachten namelijk vooral naast elkaar en was er een duidelijke vakgrens op de Noord-Duitse Laagvlakte tussen de verantwoordelijkheden van beide partijen. Echter, na de val van de Muur in november 1989 verdween het Warschaupact als constante dreiging voor het Westen. Duitsland onderging het proces van eenwording en in Nederland werd de dienstplicht afgeschaft, waardoor de omvang van de krijgsmacht snel kleiner werd. De NAVO zette door de veranderde veiligheidssituatie vervolgens meer in op internationale samenwerking om de teruglopende omvang van de krijgsmachten te compenseren. Deze situatie leidde tot de oprichting van het 1e Duits-Nederlandse Legerkorps (1 GNC) in Münster in augustus 1995 en zou de basis leggen voor de vergaande integratie van beide landmachten.

Door intensief met elkaar samen te werken onder de vlag van 1 GNC ontstond de behoefte om de samenwerking binnen het hoofdkwartier meer gestructureerd met elkaar te organiseren. In 2004 leidde dit tot de oprichting van de Army Steering Group (ASG), vooral gericht op het verder ontwikkelen van 1GNC. Deze binationale werkgroep onder leiding van een brigadegeneraal van elk van de beide landmacht hoofdkwartieren kreeg tevens de taak een bredere samenwerking in naam van de beide bevelhebbers te coördineren en om nieuwe kansen en mogelijkheden voor de samenwerking te onderzoeken en te initiëren. Dit resulteerde in de eerste visie op de samenwerking in 2005. Deze visie bevatte meerdere lines of operations, zoals gezamenlijke conceptontwikkeling, materiaalverwerving en oefenen en het synchroniseren van operaties, zoals op de Balkan of in Afghanistan. In de jaren die volgden werden beide landmachten veelvuldig ingezet voor vredesoperaties. Vooral in Noord-Afghanistan werd daarbij intensief met elkaar samengewerkt. De visie op de samenwerking wierp snel zijn vruchten af.

Pas in 2012 volgde een aanpassing van de werkwijze van de ASG. Het hoofdkwartier 1GNC zou niet meer het centrale thema van de werkgroep zijn, maar vaste sub-werkgroepen moesten zich met de doorontwikkeling van de samenwerking tussen beide landmachten in bredere zin gaan bezighouden. In datzelfde jaar tekenden de bevelhebbers een Letter of Intent voor het oprichten van aanvullende werkgroepen voor het onderzoeken van diepere integratie op het gebied van o.a. luchtmobiele eenheden, vuursteun en tanks. Als in 2013 door beide ministeries een Declaration of Intent (DoI) voor verdere militaire samenwerking tussen beide landen wordt uitgegeven, worden de thema’s die door beide landmachten dan reeds zijn uitgewerkt ministerieel vastgelegd. Hiermee werd het startschot voor de verdergaande integratie van beide landmachten gegeven. In 2014 volgt de integratie van de 11e Luchtmobiele Brigade in de Division Schnelle Kräfte (DSK), genaamd project ‘Musketeer’, om gezamenlijk lichte en snel inzetbare eenheden te generen. In 2016 volgde de integratie van de 43e Gemechaniseerde Brigade in de 1.Panzerdivision, met de gelijktijdige oprichting binnen die brigade van het binationale Panzerbataillon414, genaamd project ‘Taurus’. Het doel was het behoud van essentiële kennis op het gebied van tankoptreden na het opheffen van de laatste Nederlandse tankeenheden in 2011. De samenwerking op het gebied van vuursteun sinds de invoering van de PzH2000 werd verder verdiept, vooral op het gebied van opleiden en interoperabiliteit. Tenslotte wordt in lijn met de DoI in 2017 besloten om een Duitse luchtverdedigingseenheid voor de korte afstand onder bevel te stellen bij het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC) onder de naam ‘Apollo’.

In 2019 werd door de beide ministeries een nieuwe DoI uitgegeven, welke vandaag nog altijd richtinggevend is voor de samenwerking. Centraal in deze beleidsvisie staat het verder intensiveren van de samenwerking binnen multilaterale organisaties (NATO, EU en VN) met blik op een wereld die steeds onveiliger wordt. Op het gebied van samenwerking tussen beide landmachten wordt hier in de DoI zelfs nog een schepje bovenop gedaan. De intentie, vastgelegd in de bijlage over het landoptreden, is om alle toekomstige ontwikkelingen van beide landmachten met elkaar te synchroniseren om zo gezamenlijk eenheden te kunnen uitrusten en voorbereiden om binationaal onder de vlag van NAVO, EU of VN voor operaties in te kunnen zetten. Deze visie is leidend geweest voor de gezamenlijk inzet van de 11e Luchtmobiele Brigade met de DSK als EU Battlegroup in 2020 en de inzet van Panzerbataillon 414 als kern van de enhanced Forward Presence (eFP) in Litouwen in 2021 en de nog geplande inzet van het bataljon, met nota bene een Nederlandse commandant van de door Duitsland gestelde eenheid, in de tweede helft van 2024.

In het jaar 2021 werden in zowel Duitsland als Nederland verkiezingen gehouden en aan eind van dat jaar traden nieuwe regeringen aan met een nieuw voorgenomen beleid op het gebied van Defensie. Als in februari 2022 Rusland echter de Oekraïne binnenvalt wordt de beleidsvorming in beide landen op zijn kop gezet. Niet alleen omdat niemand het meer voor mogelijk hield dat er in Europa een oorlog zou worden uitgevochten, maar meer nog doordat de Russische invasie duidelijk maakte dat grote landformaties met slagkracht, bescherming en mobiliteit naast het gevecht van verbonden wapens in een oorlog altijd nog essentieel zijn. In Duitsland werd daags na de Russische inval in Oekraïne een Sondervermögen van € 100 Miljard door de Bondskanselier toegezegd, om daarmee de Bundeswehr versneld uit haar slechte toestand na jaren van bezuinigen te kunnen halen. In Nederland beïnvloedde de inval de totstandkoming van de Defensienota, met extra geld voor Defensie in het vooruitzicht. Toen de Defensienota op 1 juni 2022 werd uitgegeven viel daaruit niet direct op te maken dat de samenwerking tussen de Koninklijke Landmacht en het Heer op korte termijn verder versterkt zou worden. Letterlijk beschrijft de Defensienota dat verdere samenwerking nog onderzocht zou worden. Dit onderzoek werd echter op de achtergrond al enige tijd door beide landmacht hoofdkwartieren gedaan. De plannen van beide landmachten onder een nieuwe regering werden met elkaar in kleine kring tussen beide landmacht hoofdkwartieren uitgewisseld en de contouren van een nieuwe visie op de samenwerking werden gezamenlijk gezet. Als de implicaties van het Sondervermögen en de Defensienota in de herfst van 2022 uitgewerkt zijn, wordt de nieuwe visie op de landmacht-samenwerking finaal vastgelegd. Na ministeriele goedkeuring tekenden Commandant Landstrijdkrachten en de Inspekteur des Heeres tijdens een conferentie in november 2022 in Dresden de nieuwe Army Vision, onder het toeziend oog van de generaals van beide landmachten. Een nieuw hoofdstuk in de Duits-Nederlandse landmacht-samenwerking wordt geschreven.

Een nieuwe visie op de samenwerking

‘100% uitwisselbare eenheden’ tussen de Koninklijke Landmacht en het Heer. Dat is het lange termijn doel dat is beschreven in de nieuwe Army Vision. Deze zgn. interchangeability moet de maximale interoperabiliteit tussen beide landmachten beschrijven, die op de lange termijn in de samenwerking moet worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld dat we niet alleen in staat moeten zijn naadloos met elkaar samen te werken, de eenheden moeten afhankelijk van de opdracht onderling zelfs uitgewisseld kunnen worden, in alle vakgebieden. Dus bijvoorbeeld een Duits verkenningsbataljon moet een Nederlandse brigade onder bevel gesteld kunnen worden en daarbij de verzamelde informatie digitaal aan het brigadehoofdkwartier beschikbaar kunnen stellen, terwijl omgedraaid dit bataljon met Nederlandse logistieke middelen verzorgd wordt. De reden van deze verregaande vorm van integratie is de algemene bewustwording dat geen land in de tegenwoordige tijd meer in staat is om de uitdagingen op het gebied van veiligheid alleen het hoofd te kunnen bieden. Deze intensieve samenwerking stelt beide landen in staat gezamenlijk hun nationale belangen én de bijdrage aan de collectieve verdediging van het bondgenootschap te optimaliseren.

Om deze gewenste interchangeability te bereiken wordt het principe ‘organize as you fight’ voor de inrichting van beide landmachten gehanteerd. Dit betekent dat de brigades van de Koninklijke Landmacht zo worden ingebed in het Duitse Heer, hoe zij in het geval van bondgenootschappelijk verdediging waarschijnlijk zouden worden ingezet. Deze inzet wordt op termijn bepaald door NATO`s Force Model (NFM), welke tijdens de NAVO-top in Vilnius in juli politieke goedkeuring gekregen heeft, en door de onderliggende regionale plannen voor de eventuele verdediging van het grondgebied van de NAVO. Vervolgens worden deze nog in operationele en tactische plannen door de verschillende hoofdkwartieren omgezet en krijgen eenheden een vaste taak toegewezen. Dit proces was al gepland, maar is na de Russische invasie in Oekraïne in een stroomversnelling geraakt. Bij de totstandkoming van de finale versie van Army Vision in de eerste helft 2022 was het voor zowel Nederland als Duitsland snel helder, dat het beste gezamenlijk capaciteiten voor deze nieuwe plannen van NAVO kunnen worden aangeboden, zonder hierbij overigens afstand te nemen van toegezegde nationale verplichtingen aan de NAVO. Voor Nederland zou deze samenwerking namelijk de mogelijkheid bieden om een brigade aan de NAVO te kunnen aanbieden die ingebed is in een vaste divisiestructuur en zo in staat gesteld wordt om in het hoogste geweldspectrum tegen een gelijkwaardige tegenstander te kunnen opereren. Door een Nederlandse brigade zou Duitsland op haar beurt een divisie aan de NAVO kunnen aanbieden met slechts twee nationale brigades, zodat capaciteit beschikbaar zou blijven voor andere opgaven. Bovendien zou een geïntegreerde Nederlandse brigade bijdragen aan het voorkomen van een ‘alleingang’. Iets wat Duitsland in de militair-politiek gezien het verleden graag wil voorkomen. Een duidelijke win-win situatie.

In Duitsland werd al geruime tijd gepland op het gereedstellen van een complete divisie per 2027. De nieuwe plannen van de NAVO leidde ertoe dat deze planning naar voren gehaald werd en wel naar 2025. Al snel viel de keuze op het aanwijzen van de 10.Panzerdivision als hofleverancier voor de Duitse bijdrage op het land aan de nieuwe plannen van NAVO. Nederland op haar beurt besloot de 13e Lichte Brigade naar voren te schuiven. Een belangrijk argument hiervoor was de kans die het de brigade zou bieden om op termijn door te kunnen ontwikkelen naar een medium brigade, met het Boxer pantserwielvoertuig als hoofdwapensysteem. Dit concept werd in het Heer namelijk vanaf 2018 al opgezet. De brigade kan zo meeliften op en bijdragen aan de ontwikkeling- en invoer van het concept medium forces als de komende jaren de Boxer met kanon binnen het Heer wordt ingevoerd. Met deze overwegingen werd besloten om de 13e Lichte Brigade in de 10.Panzerdivision te integreren en werd daarom als meest in het oog springende voornemen in de nieuwe visie opgenomen. In het bijzijn van beide Ministers werd op 30 maart op de thuisbasis van de 10.Panzerdivision in Veitshöchheim tijdens een integratieceremonie de integratie geformaliseerd en telt daarmee als de eerste tastbare invulling van de Common Army Vision.

Een verdere integratie van eenheden is op dit moment niet gepland en zal op het bataljons- en onderliggende niveau, zoals bij Panzerbataillon 414, in principe vermeden worden. Hoewel het bataljon een prachtig uithangbord is voor de intensiteit van de Duits-Nederlandse samenwerking, is in de praktijk duidelijk naar voren gekomen dat veel aanvullende maatregelen nodig zijn om het bataljon operationeel inzetbaar te maken. Deze extra inspanning wil men in de toekomst zo veel mogelijk vermijden. De verdere integratie van beide landmachten zal daarom vooral op het brigadeniveau en daarboven nog duidelijker merkbaar worden. De eenheden kunnen zich voornamelijk op toenemende samenwerking tijdens oefenen en inzet instellen.

Naast het integreren van de laatste gevechtsbrigade van de Koninklijke Landmacht in het Duitse Heer is in de nieuwe visie opgenomen om meer unity of effort te creëren door het inzetten van aanvullende uitwisselpersoneel in elkaars staven. Het doel is om hiermee de uitwisseling van informatie en binationale afstemming verder te verbeteren. Hierbij gaat het in de eerste plaats om Nederlands personeel in het hoofdkwartier van de 10.Panzerdivision en Duits personeel bij de 13e Lichte Brigade. Gezien het geringe bestand aan uitwisselpersoneel die in het partnerland kunnen en willen werken, is aan Nederlandse zijde ervoor gekozen om personeel te herverdelen. Op dit moment is namelijk in het hoofdkwartier van de 1.Panzerdivision en de DSK reeds Nederlands personeel geplaatst als gevolg van de eerdere integratie. Per divisie hoofdkwartier zullen in de toekomst een evenredig aantal Nederlandse militairen werken. Duitsland zet aanvullend personeel in Oirschot in. Tevens is overeengekomen om elke land bij de partnereenheid door een kolonel te laten vertegenwoordigen. Elke divisie- of brigadehoofdkwartier betrokken bij de integratie krijgt daarmee in de toekomst een kolonel van het partnerland als senior. In de beide landmachtstaven wordt, naast de drie bestaande uitwisselofficieren, nog een brigadegeneraal ingebracht. Deze generaal moet de afstemming tussen de leiding van beide landmachten ondersteunen en de integratie op alle vakgebieden begeleiden. Tenslotte kiest de Koninklijke Landmacht er nog voor om een brigadegeneraal bij de Duitse divisie in te zetten die in het kader van NFM aan de NAVO wordt aangeboden, om zo de nationale belangen binnen de divisie het best te kunnen behartigen. De besluitvorming over de precieze verdeling en invulling van al deze functies is nog niet afgerond, maar het streven is om vanaf voorjaar 2024 het eerste personeel op de nieuwe functies te plaatsen.

Voor het verkrijgen van meer unity of effort wordt daarnaast tussen beide landmacht hoofdkwartieren op dit moment afgestemd hoe de planning van de gereedstelling beter op elkaar kan worden aangesloten. In plaats van nationale planningsprocessen moet de planning vroegtijdig met elkaar gesynchroniseerd worden, zodat de geïntegreerde eenheden eenduidige opdrachten krijgen.

Doorontwikkeling

Verder geeft de nieuwe visie richting aan de doorontwikkeling van beide landmachten. Door een nauwere samenwerking tussen de kenniscentra van beide landmachten moet op termijn meer unity of thinking gecreëerd worden. Dit is relevant omdat alle Nederlandse brigades moeten kunnen opereren binnen hun Duitse hogere divisieniveau en daarvoor is eenheid van opvatting nodig over doctrine en concepten. Tenminste op het brigadeniveau en hoger, maar met de blik op de gewenste interchangeability op termijn tevens op bataljonsniveau. Dit moet er op termijn toe leiden dat eenheden meer in dezelfde richting en op basis van dezelfde concepten gereedgesteld gaan worden, om in ultimo met elkaar te kunnen vechten en winnen. Kort na het uitgeven van Army Vision hebben de relevante spelers in de doorontwikkeling van de landmachten, namelijk Kommando Heer, Staf Commando Landstrijdkrachten, Amt für Heeresentwicklung en Land Warfare Centre, met elkaar afgestemd hoe de visie van de twee commandanten om te zetten. Overeengekomen werd ten eerste dat gezamenlijk aan toekomstdocumenten zal worden gewerkt. Door een gezamenlijke stip aan de horizon te zetten wordt de ontwikkeling in dezelfde richting gedirigeerd. Ten tweede is afgesproken dat alle kenniscentra relevant voor het landoptreden met elkaar op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden voor verdere samenwerking. Van manoeuvre tot logistiek worden specialisten uitgedaagd met hun counterpart contact te leggen en op zoek te gaan naar kansen voor verdere samenwerking. De uitkomsten worden tijdens een workshop begin september met elkaar gedeeld, zodat besluitvorming kan plaatsvinden over relevantie en prioriteit. Naar verwachting kan dan vanaf 2024 de doorontwikkeling van beide landmachten zo meer gesynchroniseerd voortgezet worden. Door zowel op de korte- als op de lange termijn de doorontwikkeling van doctrine en concepten nauw met elkaar af te stemmen, wordt een wezenlijke bijdrage geleverd aan het vergroten van de interoperabiliteit in de toekomst en draagt daarmee bij aan de beoogde interchangeability.

Gekoppeld aan meer unity of thinking is in de visie vastgelegd nog meer in te steken op het gezamenlijk doen van operationele behoeftestellingen, zodat toekomstige vaker identieke of in elk geval interoperabele landsystemen voor beide landmachten kunnen worden gekocht. Dit is in lijn met de ministeriele richtlijn uit het Joint Statement van 2021, waarin beide ministeries vastgelegd hebben in de toekomst vaker samen materiaal aan te willen kopen. Met het principe ‘wat goed genoeg is voor Nederland, is goed genoeg voor Duitsland en vice versa’ moet bij toekomstige projecten eenvoudiger elkaars behoeftestelling overgenomen kunnen worden zodat gezamenlijk kan worden verworven. Het eerste voorbeeld hiervan is onlangs in de praktijk reeds omgezet. Op 10 juli 2023 tekende Duitsland in het bijzijn van de plaatsvervangend commandant Commit, generaal-majoor Schmidt, een contract voor de levering van 1500 nieuwe luchtverlaadbare wielvoertuigen vanaf 2025 voor de DSK (1000) en de 11e Luchtmobiele Brigade (500) samen. Tezamen met het nieuws dat Duitsland 60 Chinook transporthelikopters koopt, betekent dit een enorme stijging van de interoperabiliteit binnen project Musketeer voor de komende decennia.

Ditzelfde principe moet consequenter doorgezet worden en dat wordt natuurlijk gestimuleerd met de eerdergenoemde gemeenschappelijke concepten en doctrine. Volgende kansen doen zich de komende jaren voor in de verwerving van raketartillerie, het verbeteren van de vuurkracht van 13e Lichte Brigade met de Boxer met kanon, de vervanging van de Fennek en mogelijkerwijs zelfs de gezamenlijk aankoop van Leopard-2A8 gevechtstanks in het geval van de oprichting van een Nederlands (-Duits?) tankbataljon, waarvoor een steeds luidere roep in het Nederlandse parlement te horen is.

Aan Duitse kant zijn, ondanks de kritiek op de traagheid van verwerving, het afgelopen jaar grote stappen gezet om de Bundeswehr versneld te moderniseren, wat leidt tot het reactiveren van de Duitse wapenindustrie. Hier kan de Nederlandse krijgsmacht én industrie duidelijk van profiteren en komen er kansen meer gezamenlijk te verwerven. En juist door het aanschaffen van identieke landsystemen, zoals benoemd in de visie, zal dit de beoogde interchangeability de komende jaren verder verbeteren.

Tenslotte is in de Army Vision overeengekomen om gezamenlijk de rol van 1GNC binnen de nieuwe plannen van de NAVO vorm te geven, om zo zorg te dragen dat het gezamenlijke tactisch hoofdkwartier en de bakermat van de samenwerking tussen de Koninklijke Landmacht en het Heer wordt geborgd. De voorkeur van beide landen op dit moment is dat 1GNC een rol in het NFM krijgt als operationele reserve, waaraan de 1.Panzerdivision, inclusief de 43e Gemechaniseerde Brigade, geaffilieerd wordt. Hierdoor blijft 1GNC operationeel relevant binnen de plannen van de NAVO en behoudt het zijn rol als professional training platform, ook voor andere divisies en brigades. Of dit de definitieve taak van 1GNC wordt, zal in de uitwerking van het NFM de komende maanden moeten blijken.

Sinds het ondertekenen van de Army Vision eind 2022 zijn de eerste stappen in de omzetting zoals eerder beschreven al gedaan. De integratie van de 13e Lichte Brigade in de 10.Panzerdivision is daarvan het meest zichtbare geweest en dient de gereedstelling van beide eenheden als binationale divisie voor de NAVO in 2025. De andere onderwerpen worden op de achtergrond verder uitgewerkt en zullen de komende tijd tijdens de halfjaarlijkse meetings op directeursniveau tussen Staf CLAS en Kommando Heer verder afgestemd worden. De nieuwe plannen binnen de NAVO zullen de komende jaren de samenwerking in lijn met die nieuwe visie verder vorm gaan geven en eraan bijdragen dat de Koninklijke Landmacht in een paar jaar in staat is om een bijdrage van betekenis te kunnen leveren aan afschrikking of eventueel verdediging van het NAVO-grondgebied, schouder aan schouder met op termijn één van de grootste en best uitgeruste krijgsmachten op het Europese continent. Zo ontstaat een Landmacht die levert.

 

Zorgen?

Het vastleggen van een nieuwe visie op de samenwerking met het Duitse Heer volgt logisch op de gezamenlijk ingeslagen weg sinds eind vorige eeuw en zorgt voor een duidelijke richting voor de Koninklijke Landmacht in deze tijd van aanpassen aan een nieuwe veiligheidsstructuur in Europa. Toch is niet iedereen zo overtuigd van deze nieuwe koers. Twee argumenten worden hierbij vaak genoemd. Ten eerste is er een angst voor het verlies van soevereiniteit. Immers, door geïntegreerd te zijn in Duitse eenheden verliest men zelfbeschikking. Hoewel het onderbuikgevoel goed te begrijpen is, is dit in de praktijk uitgesloten. Onze grondwet schrijft voor dat alleen de Nederlandse regering over de inzet van de krijgsmacht gaat. In het geval dat één van de Duitse divisies wordt ingezet, kan de onder bevel gestelde Nederlandse brigade alleen dan ingezet worden indien de regering hiermee instemt. Dit is zelfs bij het uitroepen van een ‘artikel 5’-scenario binnen de NAVO het geval. Vooropgezet kan de inwerkingtreding van ‘artikel 5’ alleen genomen worden indien alle NAVO-leden unaniem instemmen, dus inclusief Nederland. Vervolgens is het nog altijd aan de eigen regering om dan te bepalen wat de rol van de Nederlandse krijgsmacht zal zijn. Een recent voorbeeld uit de praktijk laat bovendien zien dat een onder bevelstelling geen invloed heeft op soevereine keuzes. Vanaf 1 juli 2022 hebben 150 militairen van de 11e Luchtmobiele Brigade, hoewel onder bevel gesteld van de DSK, een jaar lang een bijdrage geleverd aan de door Frankrijk geleide Battlegroup in Roemenië. Deze keuze diende het internationale belang door het versterken van de oostgrens van de NAVO na de Russische inval in Oekraïne en werd nationaal en soeverein door onze regering gemaakt.

Een tweede argument tegen de visie is de vrees dat de Koninklijke Landmacht oogkleppen op zou krijgen en niet meer open staat voor de samenwerking met andere partnerlanden. Nederland heeft zeven strategische partners voor defensiesamenwerking: België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De samenwerking met al deze partners zal naast de intensivering met Duitsland, in lijn met de Defensienota 2022 verder uitgebouwd worden. Nederland wil daarin voortrekker zijn omdat samenwerken noodzakelijk is om onze burgers te kunnen beschermen. Oefenen in Frankrijk of België, samen met deze partnerlanden, blijft daarmee relevant en dus mogelijk. De BENELUX-samenwerking op het gebied van inlichtingen bij het JISTARC gaat door. Samen met Noorwegen blijft een bijdrage aan eFP in Litouwen geleverd worden, naast de samenwerking op het gebied van het CV90 pantserinfanterievoertuig en mogelijk in de nabije toekomst op het gebied van luchtverdediging. Nederland heeft geen oogkleppen op, maar heeft de blik juist breed, omdat het noodzakelijk is. In het ergst denkbare scenario moet de krijgsmacht, en dus ook de Koninklijke Landmacht, echter in staat zijn het bondgenootschappelijk grondgebied helpen te verdedigen. Een dergelijk scenario zal zich, net als tijdens de Koude Oorlog, naar de huidige verwachting in Oost-Europa afspelen. En juist in deze regio neemt Duitsland, onder internationale politieke druk, een grote rol van betekenis in. Als we als Nederland een rol in de afschrikking en eventueel verdediging van West-Europa willen spelen, dan is een inzet onder de vleugels van Duitsland de enige logische keuze en daarom is het van vitaal belang hoogst mogelijke interoperabiliteit en uiteindelijke interchangeability met Duitsland te realiseren. Dat is in het belang van Nederland.

Tenslotte, voor velen niet zichtbaar, maar zonder twijfel een bijkomend voordeel van de samenwerking met Duitsland, is dat het deuren voor Nederland opent die anders wellicht gesloten zouden blijven. Zo kan Nederland bijvoorbeeld aansluiten bij een Duitse eenheid bij een oefening in Australië en daarmee presentie in de Indo-Pacific tonen, wat weer van belang is in de samenwerking met een andere belangrijke partner is, namelijk de Verenigde Staten van Amerika. Op dit moment wordt tevens onderzocht of staf CLAS kan aansluiten bij toekomstige stafafstemming tussen Kommando Heer en de US Army. Dit zou de informatiepositie en invloed van de Koninklijke Landmacht zonder twijfel verbeteren.

Ter afsluiting

Hoewel het proces voor het opstellen van een nieuwe Army Vision al was begonnen voordat Rusland begin 2022 een oorlog in Oekraïne begon, is de timing van het vastleggen van de visie strategisch van grote waarde gebleken. De visie richt de bijdrage van Nederland in het landdomein voor de nieuwe verdedigingsplannen van de NAVO en de visie geeft richting aan de doorontwikkeling van de Koninklijke Landmacht voor een langdurige betekenisvolle rol binnen de NAVO, EU of VN samen met het Heer. Hoewel al jarenlang in beleidsdocumenten is opgeschreven dat een verregaande interoperabiliteit met Duitsland is na te streven, leidt de veranderende veiligheidssituatie in Europa ertoe dat de wens en noodzaak diep met onze Oosterburen te integreren, een noodzakelijke betekenis heeft gekregen. De Army Vision geeft daar invulling aan. De vergaande integratie met het Duitse Heer zal niet direct op alle niveaus merkbaar zijn. Onder het brigadeniveau zal het voor de eenheden niet tot veel verandering in het optreden leiden. Maar we kunnen ons er allemaal op instellen dat we in onze loopbaan met samenwerken met Duitse collega´s te maken krijgen. Vanaf het brigadeniveau en daarboven zal de samenwerking echter steeds meer regel dan uitzondering worden. Voor ons allen de uitdaging om de belangen van Nederland te dienen door de samenwerking met Duitsland te helpen verder te ontwikkelen, voor twee landmachten met één visie.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB