Fig 1: Hiërarchieke en functionele lijn
Fig 1: Hiërarchieke en functionele lijn

Vechten met Vuur binnen de brigade: diepe vuren 

In het vorige artikel “vechten met Vuur binnen de brigade, een kort overzicht” zijn kort de generieke taken van de artillerie aangegeven. In het artikel is tevens aangegeven dat deze generieke taken in drie volgende artikelen worden uitgewerkt. Dit artikel is de eerste in deze rij van drie. Het behandelt de uitgangspunten voor inzet van de (brigade-) afdeling artillerie. Vervolgens gaat het in op opgedragen vuren en diepe vuren, inclusief de rol en taak van de brigadestaf.

Afgesloten wordt met een klein stukje over het belang van C4I voor het vuursteunsysteem (fire support system).

 

Fig 1: Hiërarchieke en functionele lijn

Uitgangspunten voor inzet van de brigade-afdeling artillerie

De commandant van de afdeling artillerie is de vuursteunadviseur van de brigadecommandant. De afdeling artillerie is een essentieel element binnen het (brigade-)vuursteunsysteem. Het vuursteunsysteem kent een hiërarchieke lijn en een functionele lijn. Met de hiërarchieke lijn wordt de bevelsverhouding met de brigade bedoeld. Door middel van deze bevelsverhouding worden middelen toegewezen (command én control). In de functionele lijn wordt (tijdelijk) capaciteit beschikbaar gesteld (control), zonder de bevelsverhouding te verbreken. In de functionele lijn worden vuuropdrachten van een hoger artillerie-niveau gegeven of bestaat er een (tactische) steunverhouding met dit hoger artillerie-niveau. De mogelijkheid tot het geven van een vuuropdracht door een hoger artillerie-niveau of een eventuele steunverhouding zijn gecommandeerd in het bevel van het hogere tactische niveau. Vervolgens zijn deze verwerkt in het bevel van de brigade. De commandopost/FDC van de afdeling artillerie is het C2-knooppunt van het brigadevuursteunsysteem (zie fig 1, zie volgend blad

Fig 2: EGM (voorbeeld) en verantwoordelijkheden voor samenstelling (Zie ook ATP 3.9.2)

Hogere artillerie-niveaus zijn een kenmerk van de gelaagdheid van het vuursteunsysteem. Binnen de brigade is deze gelaagdheid terug te vinden in de vorm van mortieren binnen een gevechtsbataljon en de afdeling artillerie op brigadeniveau. Een brigade-afdeling artillerie wordt in principe niet in reserve gehouden. Het kan voorkomen dat de brigade, waartoe de afdeling behoort, een rol als reserve-eenheid van de divisie krijgt. Op dat moment wordt de afdeling van deze brigade ter versterking (reinforcing) van een andere afdeling artillerie ingezet, of ingezet ter versterking van het divisie gevecht (General Support).

Net als de PzH2000 is de PULS 24/7 en onder alle weersomstandigheden inzetbaar. Beide systemen zijn essentieel voor voldoende vuurkracht en geven de mogelijkheid tot schaalbaarheid in het gebruik van artillerie. Schaalbaarheid van de inzet van artillerie wordt bereikt door dracht, genetwerkt opererende vuureenheden, precisievuren en oppervlakte vuren en door het toepassen van tactische steunverhoudingen.

Opgedragen vuren

Door beschikbaarheid van munitiesoorten die over een grote afstand worden verschoten neemt het potentieel aantal doelen voor de afdeling exponentieel toe. Daarnaast geven deze munitiesoorten de afdeling de mogelijkheid invloed uit te oefenen in gebieden die niet tot de verantwoordelijkheid van de brigade behoren, maar tot de verantwoordelijkheid van de divisie of het corps en in bepaalde gevallen het Theatre Fires Command (TFC).Hierdoor is het mogelijk dat de afdeling in de functionele lijn vuren opgedragen krijgt van het hogere-artillerie-niveau. De bevelsverhouding met de brigade wijzigt niet.

De randvoorwaarden voor deze opgedragen vuren staan in het brigadebevel en geven hogere artillerieniveaus de mogelijkheid de afdeling artillerie rechtstreeks een vuuropdracht te geven via de vuursteunverbindingen (als onderdeel van het fire-support-system). De meest eenvoudige randvoorwaarde is een tactische steunverhouding. Deze kan beperkt zijn tot een gedeelte van de capaciteit van de afdeling, een bepaalde tijdsduur of bepaalde fase van de operatie. Of de afdeling krijgt opdracht om één of meerdere vuureenheden binnen een bepaalde tijd gereed (ready-to-fire) te hebben om te kunnen vuren voor het hogere artillerie-niveau. Tevens is het mogelijk dat expliciet is aangegeven dat de afdeling rekening houdt met het verschieten van een bepaalde munitiesoort, bij voorkeur met een beperking in aantallen, ten behoeve van het hogere artillerieniveau. Door te werken met vuuropdrachten of tactische steunverhoudingen wordt er enkel beslag gelegd op capaciteit in de vorm van vuur. Dat betekent concreet dat er munitie verbruikt wordt én dat vuureenheden tijdelijk niet beschikbaar zijn voor het brigade-optreden. Indien succesvol dragen deze vuren uiteindelijk bij aan het creëren van randvoorwaarden voor succes van het eigen brigadeniveau.

Diepe vuren

Het brigadeniveau heeft als impliciete taak de randvoorwaarden voor succes van de eigen eenheden te creëren. Voor alle eenheden geldt bijvoorbeeld een geïntegreerde, gesynchroniseerde en gecoördineerde planning en uitvoering van geneeskundige afvoer en logistieke ondersteuning. Daarnaast heeft het brigadeniveau de verantwoordelijkheid voor het vrij en beschikbaar houden van de Lines of Communications. Specifiek voor de gevechtsbataljons heeft het brigadeniveau de verantwoordelijkheid om het optreden van de tegenstander te verstoren en zijn middelen te slijten, zo mogelijk voordat zijn (gevechts-)eenheden in gevechtscontact komen met de eigen gevechtsbataljons. Verder heeft de brigade de taak de eigen gevechtskracht te beschermen tegen bijvoorbeeld vijandelijke artillerie. Primaire doelen voor de uitvoering van diepe vuren zijn C2-installaties, doelopsporingsmiddelen op regiment-, brigade- en divisieniveau, artillerie- en reserve-eenheden en logistieke installaties.

Fig 3: De brigadestaf als C2-element tussen BVE/ISTAR en de afdeling artillerie

Door de beschikbaarheid van nieuwe munitiesoorten voor de artillerie, inclusief raketten, is de beoogde uitwerking nauwkeuriger en met meer precisie te bereiken. Tevens is door deze nieuwe munitiesoorten de dracht van de afdeling artillerie toegenomen. En daarmee een exponentiele toename van mogelijke doelen die door middelen van de afdeling beschoten kunnen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de brigadestaf om in de besluitvorming aan te geven welke doelen prioriteit in bestrijding hebben. De basis voor deze prioriteit is de richtlijn van de brigadecommandant. Hierin geeft hij aan welk resultaat hij wil hebben om de randvoorwaarden voor de gevechtsbataljons ingevuld te zien. Deze uitspraak is richtinggevend voor het uiteindelijk besluit welk doel met welke prioriteit, waar, op welk moment en met welk beoogd resultaat wordt bestreden. Dit besluit geeft prioriteit voor de inzet van de schaarse middelen van de brigade om het brigadegevecht te beïnvloeden. Deze schaarse middelen zijn: sensoren, het BVE en een mogelijke ISTAR-module en de afdeling artillerie.

De gegevens van dit besluit worden vastgelegd in twee documenten. Deze documenten worden door de brigade-staf gebruikt om de uitvoering te volgen en, indien nodig, bij te sturen. Tevens vormen deze documenten een onderdeel om tot de formulering van de opdracht aan het BVE, de eventuele ISTAR-module en de afdeling artillerie te komen. In de opdracht aan de afdeling artillerie kan de brigadecommandant richting geven aan de inzet van de doelopsporingsmiddelen van de afdeling.

In de uitvoering is de brigade-staf tevens het element dat de integratie en synchronisatie van het gehele brigadeplan bewaakt. Dit vereist een specifiek element binnen de brigade-staf die begrijpt wat het belang van diepe vuren in het operatieconcept van de brigade is en die de binnenkomende informatie van de eigen sensoren koppelt aan de afdeling. Verder is dit element verantwoordelijk voor de coördinatie van het vuur met eigen grondeenheden en eigen elementen die zich in het luchtruim bevinden.

C4I

Zonder verbinding geen granaten noch raketten. De afdeling artillerie dient te beschikken over een betrouwbaar, redundant en flexibel command and control systeem. Dit systeem dient enerzijds goede verbinding te hebben met het brigadeniveau en anderzijds dient het in staat te zijn sturing te geven aan de elementen van het brigade vuursteunsysteem middels het vuursteuninformatiesysteem. Verder vereist optreden van een brigade in divisieverband verbindingsmogelijkheden met het hogere artillerie-niveau met tenminste een commando en inlichtingen net én een vuurleidingsnet.

Slot

Dit artikel is de eerste van drie die ingaan op de generieke taken van de artillerie. Het is ingegaan op opgedragen vuren en diepe vuren, nadat de uitgangspunten voor inzet zijn beschreven. Voor zowel opgedragen vuren als diepe vuren geldt dat de brigade duidelijkheid verschaft binnen welke kaders de afdeling capaciteit ter beschikking stelt of gebruikt. Specifiek voor diepe vuren geldt de actieve rol van de brigadestaf door in de voorbereiding duidelijk te zijn wat het beoogde resultaat is als onderdeel van het integrale brigadeplan. Daarnaast heeft de brigadestaf de verantwoordelijkheid voor het stellen van prioriteiten, in tijd en plaats, voor de eigen schaarse middelen. In de uitvoering heeft de brigadestaf de taak te zorgen dat doelinformatie van sensoren buiten de afdeling op het juiste moment beschikbaar is voor de afdeling. Ook is in het kort de nadruk gelegd op het belang van een goed werkend C4I-systeem. In het volgende artikel staat grondwapensysteembestrijding (GWSB), of Counter Battery Fires (CBF) centraal.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB