H. ter Poorten (1887-1968)
H. ter Poorten (1887-1968)

‘Verslagen generaals zijn nooit erg gewild’

 

Het Algemeen Dagblad bracht op 23 april 1966 een interview met de oud-legercommandant van het KNIL Hein ter Poorten (1887-1968) die op 8 maart 1942 in het voormalige Nederlands-Indië de capitulatie aan Japan ondertekende. Na de oorlog mocht hij zich, in tegenstelling tot zijn directe chef, gouverneur-generaal Jhr. Mr. Alidius W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1888-1978), voor geen enkele commissie verweren voor zijn beleid. In dit artikel beschrijf ik op basis van openbare bronnen de levensloop van deze markante artillerist die ook de grondlegger was van de Indische militaire luchtvaart.

 

 

Op 21 november 1887 werd in Buitenzorg (Java) in het gezin Ter Poorten zoon Hein geboren. Vader Franciscus Hendrikus (1848-1934) was daar vermoedelijk niet bij aanwezig. Hij was op dat moment gestationeerd in Bengkulu op Zuid-Sumatra als havenmeester. Het was de bedoeling dat Hein tijdens het geplande verlof in Nederland ter wereld zou komen, maar het verlof werd afgewezen omdat er een havenmeester op Sumatra nodig was. Zijn moeder Clasina Ambrosina Kater (1859-1948) was de dochter van een resident. Hein was de vijfde telg in het gezin Ter Poorten. Het Indische mannengezin zou na de terugkeer in Nederland in 1891 nog worden uitgebreid met een dochter.

 

 

Cadet Oost-Indische Artillerie

Het leek er op of Hein ook in de voetsporen zou treden van zijn vader en dus zou kiezen voor een loopbaan bij de Marine. Twee broers waren hem hierin al voorgegaan. Hein ging in 1899 in Den Haag naar de driejarige HBS, het voorportaal voor een militaire officiersopleiding. De volgende stap was de aanmelding voor toelating tot adelborst in Willemsoord bij Den Helder. Omdat zijn vader vond dat hij een brede examenervaring op moest doen, schreef hij zich ook in voor een toelatingsexamen voor de Cadettenschool in Alkmaar. Hij slaagde voor beide examens. ‘Op aandringen van vrienden’ koos Hein uiteindelijk toch voor het leger in de Oost en kwam in 1905 op de KMA. De benoeming tot tweede-luitenant, samen met negen jaargenoten van de Indische artillerie, was op 25 juli 1908 een feit en normaliter zou voor hem dan, na een kort verblijf bij de Koloniale Reserve in Nijmegen, de uitzending naar Indië volgen. Met jaargenoot Henri Maurer werd hij echter aangewezen voor een tweejarige technische cursus bij de Technische Hogeschool in Delft met een detachering bij de Constructie Werkplaatsen van de Artillerie-Inrichtingen. Ter Poorten kreeg de opdracht voor de toekomstige functie bij de Indische Pyrotechnische Werkplaats scheikundige kennis op te doen over de samenstelling en eigenschappen van kruit en springstoffen. Daartoe kreeg hij een vergoeding voor de in Delft gemaakte laboratoriumkosten en werd hij gedetacheerd bij de munitiefabriek in Hembrug. De animo verder te studeren was echter niet groot. Maurer maakte zijn studie niet af. Ter Poorten, inmiddels van Den Haag verhuisd naar Amsterdam, voltooide de opleiding, ook al was een verzoek van hem eerder te mogen stoppen afgewezen en had een ‘audiëntie’ bij het Departement van Koloniën geen bevredigend resultaat gehad. De jonge Hein had duidelijk andere interesses.

 

 

Ballonvaarder

Van jongs af aan was hij al geobsedeerd door de opkomst van het vliegen. Zo gaat de anekdote dat hij als tienjarige met een vriend experimenteerde met paraplu’s. Vader Franciscus kon zijn overmoedige zoon nog net beletten vanaf het balkon op de Haagse Conradkade naar beneden te springen. Een nieuwe poging werd in de duinen ondernomen. Deze sprong met twee geïmproviseerde valschermen resulteerde in een stevige kneuzing.

Na de cursus in Delft ging Ter Poorten in september 1909 op verlof en vertrok per trein naar Internationale Luchtvaarttentoonstelling in Frankfurt. Onderweg stapte hij uit in Bonn waar hij een luchtballon zag opstijgen. Dit moest hij ook uitproberen. Hoewel de eerste vlucht met de ballonvaarster Käthe Paulus in een boom eindigde was hij zo ‘mataglap’ (wild enthousiast) dat hij onmiddellijk een verzoek indiende bij het Departement van Koloniën om zich hierin te mogen bekwamen. Een jaar later haalde hij bij de net opgerichte Luchtvaartvereniging in Den Haag zijn brevet en werd hij een gediplomeerd ballonvaarder. Destijds werden in het leger ballonnen, aan de grond verankerd met een kabel, ingezet voor waarnemingsdoeleinden en meteorologisch onderzoek.

 

 

Aviateur

In het Belgische Sint Job-in-’t-Goor, ten noorden van Antwerpen, vonden op een privaat grasveldje bij de vliegschool ‘Aviator’ proefvluchten plaats met lichte linnen vliegtuigen. Samen met drie andere (staf)officieren werd Ter Poorten in het najaar van 1910 in de gelegenheid gesteld als passagier vluchten te maken met een ‘Farman-biplaan’. Allen waren begeesterd, ook al kwam het vliegtuig toen nog nauwelijks los van de grond. Wederom schreef Ter Poorten het departement een verzoek, dit maal om ‘aviateur’ te worden. Men zat met het verzoek flink in haar maag. Ter Poorten werd ontboden en kreeg te horen dat nog helemaal niet vast stond dat de luchtvaart militair nut zou hebben. Pas vlak voor zijn gepland vertrek naar Indië kreeg hij het bericht dat hem een aantal maanden betaald verlof werd verleend; de vliegeropleiding moest hij echter zelf betalen. Daarmee was het risico dat hem wat overkwam geheel voor eigen rekening. Het vliegen stond namelijk nog in de kinderschoenen en menig pionier liet het leven. Luitenant Ter Poorten haalde op 30 augustus 1911 op de vliegschool van de Belgische vliegtuigbouwer Léon de Brouckère op kamp ‘Kiewit’ bij Hasselt het vliegbrevet van de ‘Fédération Aéronautique Internationale’. Daarmee was hij de eerste Nederlandse officier die hierin slaagde. De maand erop nam Ter Poorten met een tweepersoons tweedekker van Brouckère, opgestegen vanaf Genk, deel aan grote legermanoeuvres in de buurt van Den Bosch. Hiervoor werd hij geridderd in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden.

 

 

Desillusie

Het Departement van Koloniën gaf Ter Poorten de opdracht te onderzoeken waar voor het opzetten van een Indische proefvliegafdeling drie geschikte vliegtuigen konden worden aangeschaft. Ter Poorten beval medio 1912 zijn chef aan bij De Brouckère twee dubbeldekkers ‘type Farman’ en een ééndekker ‘type Deperdussin’ te bestellen waarvoor hij de eisen voor de constructie had opgesteld. Het vertrek naar Indië kwam in zicht. Op 12 december 1912 trouwde in Den Haag de 25-jarige eerste-luitenant Hein ter Poorten met de zes jaar jongere Agneta Cornelia Roqué (1893-1978). Notarisdochter ‘Netty’ was geboren in Magelang. Begin 1913 kwam het jonge stel met stoomschip ‘Tabanan’ in Indië aan. De ééndekker was aan boord. Ter Poorten wilde voortvarend met het toestel aan de slag maar het liep uit op een grote desillusie. In Indië had legercommandant Van Daalen weinig op met de ideeën vanuit een ver Haags ministerie; hij had liever gezien dat er mitrailleurs waren meegekomen. Enkele burgerpioniers, zoals G. Küller, die al in de lucht in Indië actief waren, ondervonden dat de tropische atmosfeer nog al eens voor problemen zorgde. Met name de ‘remous’ (turbulentie) tussen de bergketens was gevreesd. Ook bleek de houtconstructie van het toestel sterk te lijden onder het vochtige klimaat. Het toestel werd voorlopig gestald. Ter Poorten kon zich melden bij de vestingartillerie en bracht zijn tijd door met de inspectie van de geschutsopstellingen. Hij liet echter geen gelegenheid onbenut om in een ballon het luchtruim te kiezen.

 

 

Proefvliegafdeling

Het tij keerde al snel. Luitenant-generaal J.P. Michielsen trad aan als nieuwe legercommandant. Op 30 mei 1914 kwam het besluit ‘regelende de instelling van een Proefvliegafdeeling voor het Koninklijk Nederlands-Indische Leger’. Op het Europese strijdtoneel bewees het luchtwapen haar kracht. Eind januari 1915 vertrok luitenant Ter Poorten met de beoogd commandant van de vliegafdeling kapitein GS G.E. Visscher naar San Francisco om Amerikaanse watervliegtuigen aan te schaffen. Men had het idee dat dit type eenvoudig kon worden omgebouwd voor op het land nadat het bewezen had in het Indische klimaat te kunnen vliegen. De keuze viel tenslotte op de fabrikant Glenn Martin. Deze vliegtuigbouwer runde in Los Angeles een bedrijf voor fietsenreparatie. Hij was zelf amateurvlieger en had naar eigen inzicht een vliegtuig gebouwd. Toen Ter Poorten het toestel in een afgelegen schuur bekeek, wist hij meteen dat ze niet verder hoefden te zoeken. Bij testvluchten brak Ter Poorten gelijk twee Amerikaanse records. ‘The Dutch crack flyer’ vloog van Los Angeles naar San Diego en terug in 3 uur en 25 minuten en bereikte op een stijgvlucht een hoogte van 7400 ft (2200 m). Begin 1916 werden de (proef)vluchten bij de haven Tandjong Priok gestaakt en verder voortgezet op een geëgaliseerd strookje land bij Kalidjati ten noorden van Bandoeng. Het was er nog echter drassig en slecht bereikbaar over de weg zodat snel uitgekeken werd naar andere mogelijkheden. Om te kunnen vliegen over land werd op het watervliegtuig een landingsgestel met wielen gemonteerd. Op 14 februari 1916 kwam legercommandant Michielsen op bezoek. Dit keer wilde hij zelf een vlucht meemaken. Het zou zijn eerste en tevens laatste worden. Kort na het opstijgen trok het toestel scheef en stortte het van een hoogte van 40 meter neer. Toen de toegesnelde toeschouwers bij de resten van het toestel arriveerden, vonden zij Michielsen levenloos – hij bleek op slag dood – en Ter Poorten zwaar gewond. De kranten publiceerden alvast een kort in-memoriam. De vlieger herstelde echter opvallend snel van zijn verwondingen. Ter Poorten vertelde later dat een Chinese timmerman zijn lijkkist al had gemaakt en hem later om geld vroeg omdat hij de kosten niet vergoed kreeg. Dit zou alleen het geval zijn geweest als de luitenant was overleden. Ter Poorten vertrok in mei 1916 al weer naar Los Angeles om zes nieuwe vliegtuigen aan te kopen.

 

 

Terug naar de artillerie

Eind 1917 besloot Ter Poorten zijn vliegavontuur te beëindigen. Hij voorzag dat hij in het vliegen geen carrière kon maken en verzocht tot een terugplaatsing bij de artillerie. In de privésfeer speelde het overlijden van zijn driejarige dochter Mieps zwaar op zijn gemoed. Zijn ambitie om een hogere rang te bereiken kon hij eind 1918 verzilveren. Toen vonden in de bibliotheek van het Departement van Oorlog in Bandoeng gedurende twee weken de toelatingsexamens voor de Hogere Krijgsschool in Den Haag plaats. Voor 16 beschikbare opleidingsplaatsen meldden zich 14 kandidaten, waaronder de latere legercommandant G.J. Berenschot. Ter Poorten slaagde als enige artillerist. Ter Poorten ging vol energie aan de driejarige studie. Hij keek uit naar de detacheringen. Grote oefeningen bleven echter uit en de cursisten hadden bijzonder weinig te doen. Op 5 december 1920 kwam er uitbreiding voor het gezin Ter Poorten. Dochter Jannetta Marie (Janny) werd in Den Haag geboren. Op 1 november 1922 slaagde Ter Poorten en was hij gerechtigd het stafbrevet op de borst en een epaulet met vergulden ster op de schouder te dragen. Hij had nog verzocht om buitenlandse luchtvaartcentra te mogen bezoeken na de studie maar dit werd afgewezen. Eind december ging de familie Ter Poorten met het stoomschip ‘Prins der Nederlanden’ terug naar Indië.

De gebrevetteerde kapitein werd in Indië voorbereid voor een toekomstige carrière binnen de Generale Staf. De plaatsingen, om ervaring op te doen bij de verschillende onderdelen, volgden elkaar in snel tempo op. Medio 1926 werd hij geplaatst bij de Generale Staf. Zijn huwelijk met Netty was echter al gestrand. Zij hertrouwde met een jongerejaars van haar man die in Bandoeng werkzaam was bij de spoorwegen. Hij overleed echter al in 1928 kort na terugkeer in Nederland. In juni 1929 werd Ter Poorten toegestaan het hem door de Franse President toegekende ereteken van de Ridderorde van het ‘Legioen van Eer’ op zijn uniform te dragen. In maart 1930 werd hem na vele jaren Indische dienst 9 maanden verlof verleend.

 

 

CVP

In Nederland aangekomen werd hij bevorderd tot majoor. Vanwege ziekte werd de verlofperiode met een half jaar verlengd. Hij keerde pas in oktober 1931 na een periode van ‘non-activiteit’. Voor een Indisch officier was terugplaatsing alleen mogelijk als er in Indië ook een functieplaats open was en er in de ‘ranglijst’ tevens perspectief was op bevordering. In tijden van bezuinigingen was dit geen zekerheid. Bij aankomst werd majoor Ter Poorten gedetacheerd bij de Commissie van Proefneming in Batoedjadjar. Men gaf hem een passende opdracht. Hij vormde daar met enkele luitenants een ‘luchtdoelcommissie’. Deze commissie was opgericht om technische kennis op te doen van luchtdoelgeschut en de komst ervan in Indië te begeleiden. Hij behield tijdens de detachering zijn administratieve plaatsing in Tjimahi. Ook zijn volgende post in de staf van de 1e afdeling bergartillerie in juli 1932 bevond zich aldaar.

 

 

Inspecteur der Artillerie

In juni 1933 kwam majoor Ter Poorten terug bij de Generale Staf. Een half jaar later, op 18 september, hertrouwde in Ede de dan zesenveertig jarige Hein ter Poorten, met volmacht, met de vijftien jaar jongere Anna Maria Bergman (1902). Zij voegde zich al snel bij haar man. Ter Poorten wachtte zijn nieuwe bruid in Tandjong Priok op. Hij was net terug van de herfstmanoeuvres. Anna zou eind april 1938 alleen teruggaan naar Nederland. Eind juli 1935 werd Ter Poorten bevorderd tot luitenant-kolonel. Hij was inmiddels souschef op de Generale Staf. Zijn carrière kwam in een stroomversnelling. Na amper een jaar gediend te hebben als overste bereikte hij in april 1936 de kolonelsrang en werd commandant van het 2e regiment mobiele artillerie in Malang. Het nieuwe jaar begon met speculaties over zijn promotie tot generaal-majoor. Op 1 mei 1937 nam hij in Bandoeng het inspecteurschap over van generaal J.H. Wesseling en daarmee werd hij hoofd van III Afdeling (Hoofdkantoor der Artillerie) op het Departement van Oorlog en tevens hoofd van de Gasdienst. In die functie maakte hij kennis met de nieuwe gouverneur-generaal Jhr. Mr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer die in Indië tevens opperbevelhebber was van de strijdkrachten. Met hem zou Ter Poorten later het nodige te verhapstukken krijgen. De persoonlijkheden van de beide heren liepen ver uiteen. Een gereserveerd, behoedzaam opererend, diplomaat en statige landvoogd zat tegenover een extraverte, bij vlagen zeer emotioneel, generaal.

 

 

Chef Generale Staf

In maart 1939 vloog Ter Poorten naar Nederland voor verlof. Er was voor hem geen sprake van uitrusten in familiaire kring. Hij kreeg de opdracht om in verschillende landen wapenfabrieken te bezoeken. Zo ging hij naar Duitsland en België en begin mei naar Parijs om aangekochte mortieren van Hotchkiss-Brandt in ontvangst te nemen. Bij terugkeer vroeg hij audiëntie aan bij verschillende ministers en vertelde hen van de oorlogsvoorbereidingen die hij in Duitsland had aanschouwd. Twee weken later vertrok hij naar Stockholm om de Bofors-fabrieken te bezoeken. Vanwege de aan Krupp opgelegde exportbeperkingen was Zweden voor Indië na de Eerste Wereldoorlog de belangrijkste leverancier van geschut. Door de Koning van Zweden werd hem niet lang daarna het onderscheidingsteken verleend van Commandeur der eerste klasse in de Orde van het Zwaard. Inmiddels was officieel bekend geworden dat generaal Berenschot, evenals Van Daalen van Indo-Europese afkomst, de nieuwe legercommandant van het KNIL werd en dat Ter Poorten hem zou opvolgen als chef-staf.

 

 

Legercommandant tegen wil en dank

Als chef-staf voelde Ter Poorten zich volledig ‘senang’. Op de Generale Staf werden de ontwikkelingen in Duitsland en Japan met argusogen gevolgd. Meer en meer groeide het besef dat zowel in het Westen als in het Verre Oosten een oorlog onvermijdelijk was. ‘De reizende generaal’ bezocht regelmatig de hoofdkwartieren van de Engelse, Amerikaanse en Australische bondgenoten voor steun en verbond zich met het comité van ‘Vrije Fransen’. De een na de andere bestelling voor nieuw materieel werd ingediend om ‘weerstand’ te kunnen bieden in voorkomend geval. Op 10 mei 1940 viel Hitler-Duitsland Nederland binnen en was het Vaderland in oorlog. In radio-uitzendingen klonk Ter Poortens optimisme door: het aloude KNIL met de ‘bamboehoed’ werd al grondig gemoderniseerd en de personele omvang groeide. De feitelijkheid was echter anders. De toegezegde materieelleveringen kwamen niet in Indië aan of arriveerden te laat en de aanvullende troepen waren veelal onervaren en nog nauwelijks bewapend. Toen hij in oktober 1941 in Manilla op bezoek was bij generaal Mac Arthur kreeg hij onverwacht bericht onmiddellijk terug te keren naar Batavia.

Kort na de start vanaf Batavia stortte op 14 oktober 1941 een militair transportvliegtuig neer met legercommandant Berenschot aan boord. Door de gouverneur-generaal werd na ampel beraad generaal Hein ter Poorten voorgedragen tot de nieuwe legercommandant. Het contrast met zijn voorganger kon niet groter zijn. De tengere Berenschot kwam zeer aimabel over en toonde veel empathie, met name naar de burgers in het landsbestuur. De forse ‘kaerel’ Ter Poorten daarentegen werd norsheid verweten en had grote moeite zich aan te passen aan de politiek-bestuurlijke belevingswereld van de gouverneur-generaal Van Starkenborgh en diens entourage.

 

 

In oorlog

Japan voerde op 7 december 1941 een verrassingsaanval uit op de Amerikaanse marinebasis in Pearl Harbor. Nederland verklaarde hierop Japan de oorlog. Ter Poorten sprak tot zijn KNIL: ‘Liever staande sterven dan knielend leven’. Een hardnekkig verhaal ging rond dat Ter Poorten de Amerikaanse verbindingsofficier LtCol E. Thorpe getipt zou hebben over een op handen zijnde Japanse aanval. Inlichtingenofficieren van de marine hadden de Japanse code gekraakt. De latere generaal Thorpe beaamde na de oorlog in zijn memoires het verhaal van Ter Poorten. De Nederlandse Klz dr. Ph. M. Bolsscher, die midden tachtiger jaren een standaardwerk schreef over de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, kon echter geen afdoende bewijs vinden en vond de tip van Ter Poorten derhalve ‘onbetrouwbaar’.

Ter Poorten wist dat zonder bondgenootschappelijke steun Nederlands-Indië verloren was. Het in januari 1942 opgerichte American-British-Dutch-Australian Command met een hoofdkwartier bij Bandoeng viel een maand later al uiteen. Na de nederlaag van de geallieerde marine in de Javazee was de inval een kwestie van dagen geworden. In zijn hoofdkwartier kon hij zijn teleurstelling maar moeilijk verbergen tot groot ongenoegen van zijn stafofficieren. Op 1 maart viel generaal Imamura vanuit zee op drie plekken Java binnen. Ondanks versterking van enige nog aanwezige Britse, Australische en Amerikaanse troepen was het KNIL in haar slagkracht uiterst beperkt. Het moest de slag om Java aangegaan met maar 24 lichte tanks, waarvan er al 8 zwaar gesleten waren, en 54 stukken artillerie. Vliegveld Kalidjati was dezelfde dag al in Japanse handen. Ter Poorten besloot zijn troepen te concentreren rond Bandoeng. Zonder luchtoverwicht bleken tegenaanvallen nauwelijks effect te resulteren.

 

 

Zondebok

Op 4 maart gaf gouverneur-generaal Van Starkenborgh, in opdracht van het Oorlogskabinet in Londen, het opperbevel over aan legercommandant en de marinechef met de instructie dat alleen plaatselijk tot overgave kon worden overgegaan, elders moest men het verzet voorzetten als guerrilla. Door alleen militair te capituleren meende de regering dat na de oorlog in Indië een herstel van het civiele gezag mogelijk was. Dit was voorbereid zonder Ter Poorten in kennis te stellen. Hij was furieus omdat hij wist dat hij als hoogste militair de zondebok voor de nederlaag zou worden. Toen de Japanners de stellingen bij Bandoeng doorbraken was de capitulatie onvermijdbaar. De landvoogd stuurde zijn plaatsvervanger H.J. van Mook naar Australië. In zijn kielzog weken enkele stafofficieren en de commandant van de luchtstrijdkrachten L.H. van Oijen uit. Marinechef C.E. Helfrich was al eerder naar Ceylon vertrokken. Terwijl op 8 maart Van Starkenborgh nog pogingen deed Imamura akkoord te laten gaan met een gedeeltelijke overgave, straalde Ter Poorten uit dat dit zinloos was. Hetgeen ook bleek. Imamura eiste een volledige capitulatie en dreigde Bandoeng te bombarderen. Van Starkenborgh kon vertrekken en Ter Poorten ondertekende de onvoorwaardelijke overgave. Met de capitulatie van Nederlands-Indië kwam er een einde aan ruim 400 jaar Nederlandse overheersing. Voor beiden volgde krijgsgevangenschap. Samen met opperofficieren, hun oppassers en hooggeplaatste civiele autoriteiten werden zij voortdurend verplaatst en verbleven in een groot aantal kampen in Japan, Formosa (Taiwan) en Korea om uiteindelijk in Mantsjoerije terecht te komen. Daar bereikten gedropte Amerikaanse militairen op 17 augustus 1945 het kamp. Onder Russische begeleiding verplaatste de ‘Special Party’ naar Moekden. Met een Amerikaans vliegtuig werden ze vervolgens naar de Amerikaanse basis op Chungking (Zuidwest-China) gebracht. Drie jaar lang leefden Ter Poorten en Van Starkenborgh in elkaars directe nabijheid. Ter Poorten verklaarde later geen moment van genegenheid te hebben ontvangen. De landvoogd had geen behoefte aan ‘vrienden’.

 

 

De afrekening

Op 9 september 1945 zetten de sterk vermagerde gouverneur-generaal Van Starkenborgh en de ambteloze generaal Ter Poorten op het Vliegveld Welschap bij Eindhoven weer voet op Nederlandse bodem en werden ze verwelkomd door Prinses Juliana. Een week eerder moest Ter Poorten afstand doen van zijn functie. Zijn ‘extremely attractive daughter’ wachtte hem met haar verloofde op. Ondertussen ondertekende de in Australië tot legercommandant aangestelde Van Oijen een nota aan de luitenant-gouverneur-generaal Van Mook waarin werd aangegeven hoe te handelen met de uit gevangenschap vrijgelaten opperofficieren van het KNIL. Het oordeel over Ter Poorten was in Melbourne ongekend hard. Hij beschreef hem als een ‘uitgesproken egocentrisch mensch, zeer egoïstisch, algemeen bekend lui en zonder moreel’. Eind maart 1946 reageerde legercommandant S.H. Spoor die Van Oijen was opgevolgd. Hij kon op zijn beurt melden dat Ter Poorten inmiddels ontslag was verleend met slechts de algemene kwalificatie: ‘onder dankzegging voor de langdurige diensten den Lande bewezen’ in plaats van ‘voor de vele en gewichtige diensten’. Ook de gebruikelijke bevordering tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau werd hem onthouden. Hiermee was volgens hem ‘de kwestie Ter Poorten’ afgedaan. Het was verder aan historici een oordeel te vellen over diens beleid in de oorlogsmaanden. Spoor had onder de oud-legercommandant gewerkt en ook hij had geen beste indruk van zijn chef. Deze maakte zijn ijverige stafofficier namelijk al snel duidelijk dat hij meer geschikt was voor het bureauwerk dan voor het aanvoeren van troepen.

 

 

Verweer

In de Indische Collectie van het NIOD bevindt zich het ‘Verslag over mijn beleid als legercommandant’, door Ter Poorten gedateerd op 30 januari 1946. In het 25 pagina’s tellende verslag noteerde hij zijn kijk op de gebeurtenissen. Hij roemde zijn inspanningen als chef-staf voor de materiële en personele versterking van het KNIL en benadrukte dat het debacle van de capitulatie desondanks onafwendbaar was. Later oordeelden militaire historici dat het KNIL, ingericht als ‘politieleger’, een ongelijke strijd voerde tegen een agressieve, zeer ervaren tegenstander. Een gebrekkige leiding door het merendeel van de commandanten, onvoldoende onderlinge coördinatie door slechte verbindingen met daarbij onvoldoende materieel en een haperende logistiek waren aanleiding tot chaotische taferelen tijdens de strijd wat desastreus uitpakte voor het moreel. Ter Poorten hoopte vurig zijn verslag nog mondeling te kunnen verdedigen voor de parlementaire enquêtecommissie (die in 1947 was ingesteld) naar het regeringsbeleid in de jaren 1940-1945. Dit werd hem niet meer gegund. Wel was hij in september 1946 tot een audiëntie bij Koningin Wilhelmina genodigd. De eerste jaren in Nederland waren de moeilijkste, zou hij later verklaren. Hij voelde zich als commandant mislukt en miskend. In 1966 zei hij hierover: ‘Tja, na twintig jaar heb je je hier wel bij neergelegd’.

Ook in familiaire kring was er tegenslag. Zijn zus Maria stierf in Indië als gevolg van uitputting in het kamp. Zijn broer oud-KTZ Cornelis ter Poorten, die tijdens de oorlogsjaren als hoofd personeelszaken een prominente positie binnen de NSB bekleedde, was in hechtenis genomen. Als gevolg van ‘zuivering’ werd zijn broer Franciscus H., patholoog-anatoom aan de Universiteit in Amsterdam, vanwege collaboratie met de vijand ontslagen. Dr. Ter Poorten had met een internationaal team van specialisten in opdracht van de Duitsers in 1943 meegewerkt aan de lijkschouwing van de massagraven in het Oekraïense Winnitza, tussen 1937 en 1938 aangericht door de Russische Geheime Dienst in opdracht van Stalin. Hij verklaarde na de oorlog niets van doen te hebben met de Duitse propaganda rondom het onderzoek. De koninklijke onderscheidingen van beide broers werden ingetrokken.

 

 

Tot slot

Oud-generaal-vlieger Ter Poorten kwam nog sporadisch in de openbaarheid. Op herdenkingen en jubilea van de militaire luchtvaart kreeg hij steevast een ere plek. Op maandag 15 januari 1968 overleed Hein ter Poorten op 80-jarig leeftijd. In de rouwadvertentie stond naast zijn dochter en de twee kleinkinderen nog een huisgenoot vermeld. Met de oud-Indische onderwijzeres P.C. de Lussanet de Sablonière-Meuleman vulde hij op de Haagse Zonnebloemstraat zijn laatste levensjaren. Toen de aankondiging in de krant verscheen, was hij al in stilte gecremeerd. Ter Poorten voelde zich lange tijd na de oorlog miskend: ‘Verslagen generaals zijn nooit erg gewild’. Ondanks de vele verwijten, bleef één verdienste in de geschiedschrijving onbetwist. De onverschrokken luchtvaartpionier legde de basis voor de militaire luchtvaart in Nederlands-Indië.

Andere artikelen

Login ledengedeelte VOAWEB